Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AS6717

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-02-2005
Datum publicatie
21-02-2005
Zaaknummer
02/04453
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Om te kunnen beoordelen (...) of de belanghebbende gehouden kan worden aan de van de overeenkomst deel uitmakende afspraak dat hij tegen de onderhavige navorderingsaanslag geen bezwaar en beroep zal aantekenen, dient de belanghebbende echter wel de mogelijkheid te hebben bij de Inspecteur bezwaar in te dienen en vervolgens, na een voor hem ongunstige uitspraak van de Inspecteur, de belastingrechter te adiëren. Indien dit niet mogelijk zou zijn, zou de belanghebbende zich moeten wenden tot de burgerlijke rechter. De burgerlijke rechter zou wellicht tot het oordeel kunnen komen dat de belanghebbende op grond van bijvoorbeeld bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden of dwaling niet aan de overeenkomst is gebonden, maar de burgerlijke rechter dient in beginsel tevens uit te gaan van de juistheid van onherroepelijk vaststaande (navorderings)aanslagen, zodat de belanghebbende het door hem beoogde effect, vermindering van de navorderingsaanslag, bij de burgerlijke rechter niet zou kunnen bereiken. Mitsdien is het Hof van oordeel, dat de belanghebbende, ongeacht of hij aan de overeenkomst is gebonden of dat de Inspecteur niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zou handelen indien hij de belanghebbende aan de overeenkomst houdt, ontvankelijk is in zijn beroep en in zijn bezwaar, nu de belanghebbende ook overigens tijdig en regelmatig bezwaar en beroep heeft ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/26.4 met annotatie van Redactie
FutD 2005-0398
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/04453

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Particulieren Z van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/ZZ van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van de belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift betreffende na te melden navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan de belanghebbende is met dagtekening 26 juli 2002 en onder aanslagnummer 000.00.000.K.000.00 een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1999 opgelegd naar een vermogen van fl. 12.852.999,=. De belanghebbende heeft bij brief van 4 september 2002, binnengekomen bij de Inspecteur op 5 september 2002, bezwaar ingediend tegen deze navorderingsaanslag. Bij uitspraak van 12 september 2002 heeft de Inspecteur de belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

1.2. De belanghebbende is tegen die uitspraak tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van de belanghebbende een griffierecht geheven van € 29,=. De Inspecteur heeft het beroep bij verweerschrift bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft voor wat betreft de enkelvoudige belasting met gesloten deuren en voor wat betreft de materieel in de aanslag begrepen verhoging en boete in het openbaar plaatsgehad op 5 augustus 2004 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer mr W, tot zijn bijstand vergezeld van de heer . T, beiden verbonden aan vorengenoemd onderdeel van de rijksbelastingdienst.

1.4. De belanghebbende heeft voorafgaand aan het onderzoek ter zitting een pleitnota met twee bijlagen gezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de Griffier) aan de Inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Voorts heeft de belanghebbende te dezer zitting, zonder bezwaar van de zijde van de Inspecteur, een kopie overgelegd van drie pagina's van na te melden medische rapportage van 10 augustus 2001. De Inspecteur heeft te dezer zitting twee pleitnota's voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de belanghebbende. Hierbij heeft hij, zonder bezwaar van de belanghebbende, twee bijlagen overgelegd.

Het Hof rekent alle evenvermelde pleitnota's, met de daarbij behorende bijlagen, tot de stukken van het geding.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde tijdens het onderzoek ter zitting stelt het Hof als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. De belanghebbende is geboren op 10 januari 1937 en is gehuwd met mevrouw XX.

2.2. Op 27 oktober 2000 heeft België op de voet van de richtlijn van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen (77/799/EEG), Pb. L 336 van 27 december 1977, blz. 15-20, aan het onderdeel FIOD-ECD van de rijksbelastingdienst microfiches met gegevens van cliënten van de KBL te Luxemburg verstrekt. Naar aanleiding hiervan is door de rijksbelastingdienst in 2001 een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die een bankrekening aanhouden dan wel hebben aangehouden bij buitenlandse banken, waaronder KBL.

2.3. In het kader van dit onderzoek bleek dat de belanghebbende op 31 januari 1994 op zijn naam en die van zijn echtgenote bij KBL een bankrekening onder nummer 000000 aanhield met een saldo van fl. 161.155,52.

2.4. Op 12 maart 2002 zendt de Inspecteur per aangetekende post de belanghebbende een brief met vragen omtrent na 1 januari 1990 in het buitenland aangehouden bankrekeningen, waarbij wordt verzocht te reageren voor 21 maart 2002. Bij deze brief is een "verklaring buitenlandse bankrekeningen" gevoegd, waarin de belanghebbende opgave dient te doen van na 1 januari 1990 in het buitenland aangehouden bankrekeningen.

2.5. Omdat op 26 maart 2002 geen reactie van de belanghebbende is ontvangen, maakt de Inspecteur op deze datum een rappelbrief op, waarbij nogmaals gevoegd de eerdergenoemde verklaring buitenlandse bankrekeningen, welke brief met bijlage de Inspecteur ter hand stelt aan een aan zijn eenheid verbonden (belasting)deurwaarder (hierna: de deurwaarder), teneinde deze aan de belanghebbende uit te reiken.

2.6. Eveneens op 26 maart 2002, doch nadat de Inspecteur de onder 2.5 bedoelde rappelbrief aan de deurwaarder ter hand had gesteld, belt de belanghebbende met de Inspecteur. In dit telefoongesprek deelt de belanghebbende mede dat hij in verband met een verblijf in het buitenland eerst op die dag de onder 2.4 vermelde aangetekende brief van 12 maart 2002 had afgehaald. Voorts deelt de belanghebbende mede te beschikken over meerdere buitenlandse bankrekeningen en zegde hij toe de verklaring buitenlandse bankrekeningen in te zullen vullen. Tijdens dit telefoongesprek heeft de Inspecteur de belanghebbende ervan op de hoogte gebracht dat de deurwaarder de onder 2.5 bedoelde rappelbrief van 26 maart 2002 zou komen uitreiken.

2.7. Op 27 maart 2002 om 10.58 uur reikt de deurwaarder de rappelbrief van 26 maart 2002 aan belanghebbende in persoon uit. Van deze uitreiking heeft de deurwaarder een akte van betekening opgemaakt.

2.8. In een brief van 27 maart 2002 aan de Inspecteur schrijft de belanghebbende onder meer het volgende:

"In antwoord op Uw brief dd 12-03-2002 deel ik U mede dat ik door omstandigheden vandaag (27-03) pas in de gelegenheid ben geweest om Uw aangetekend schrijven op het postkantoor in ontvangst te nemen.

Zoals ik U in het telefoongesprek vanmiddag heb medegedeeld zal door mij de betrokken informatie worden opgevraagd en zal ik U alle medewerking geven in Uw onderzoek. De verklaring buitenlandse bankrekeningen doe ik U tevens hierbij toekomen.".

Partijen hebben tijdens het onderzoek ter zitting verklaard dat de belanghebbende, in afwijking van het hierboven aangehaalde citaat, reeds op 26 maart 2002 de onder 2.4 vermelde aangetekende brief van 12 maart 2002 heeft afgehaald en dat de belanghebbende op die dag reeds de Inspecteur heeft gebeld. In de door de belanghebbende ondertekende en bij voormelde brief van 27 maart 2002 gevoegde verklaring buitenlandse bankrekeningen is vermeld dat de belanghebbende beschikt over bankrekeningen met nummers 001,002 en 003 bij respectievelijk KBC te A (België), KBL te Luxemburg en BGL te Luxemburg en dat deze rekeningen zijn geopend in respectievelijk het jaar 1999, ± 1986 (en opgeheven in 1995) en 1995.

2.9. Na de onder 2.7 vermelde uitreiking door de deurwaarder van de rappelbrief van 26 maart 2002 belt de belanghebbende wederom met de Inspecteur. Bij brief met dagtekening van 27 maart 2002 schrijft hij aan de Inspecteur, voor zover te dezen relevant, het volgende:

"Nav het telefoongesprek dat ik heden met U heb gehad, waarbij ik U heb medegedeeld dat ik heden bezoek mocht ontvangen van een deurwaarder. Deze heb ik medegedeeld dat ik reeds op 26-03-2002 met U contact heb opgenomen en U het betrokken formulier verklaring buitenlandse bankrekening reeds dezelfde dag per post aan U heb toegezonden.".

Voorts verstrekt de belanghebbende in vorenbedoelde brief nadere informatie over een door hem bij de X-bank te A(Duitsland) aangehouden bankrekening en over de onder 2.8 genoemde rekeningen. Tevens deelt hij mede dat hij intussen schriftelijk bij de desbetreffende banken in Luxemburg om de historische gegevens heeft verzocht.

2.10. Bij brief van 2 april 2002 verzoekt de Inspecteur de belanghebbende voor 24 april 2002 informatie te verschaffen over de onder 2.8 vermelde rekeningen. Op 19 april 2002 belt de belanghebbende met de Inspecteur en verzoekt hij om uitstel voor beantwoording van deze brief tot 10 mei 2002, in welk uitstel de Inspecteur bewilligt. In een brief van 21 april 2002 bevestigt de belanghebbende aan de Inspecteur het overeengekomen uitstel. In evenbedoeld telefoongesprek geeft de belanghebbende aan zo snel mogelijk van de zaak af te willen, waarbij hij echter ook aangeeft de mogelijkheid te willen behouden om kosten in aftrek te brengen, zoals bijvoorbeeld reiskosten.

2.11. Bij brief van 7 mei 2002 geeft de belanghebbende aan de Inspecteur nadere informatie over de door hem in Luxemburg, België en Duitsland aangehouden bankrekeningen. Bij deze brief voegt hij kopieën van bankafschriften en door hem opgestelde totaaloverzichten.

2.12. Op basis van de door de belanghebbende verstrekte informatie berekent de Inspecteur dat de belanghebbende over de jaren 1990 tot en met 2000 in totaal € 43.148,= verschuldigd is aan inkomsten- en vermogensbelasting, verhogingen, boeten en heffingsrente. Deze berekeningen stuurt de Inspecteur aan de belanghebbende.

2.13. Op 27 mei 2002 vindt er een bespreking plaats tussen de belanghebbende en de Inspecteur. In dit gesprek licht de Inspecteur de door hem gemaakte berekeningen toe. De belanghebbende verklaart geen bezwaar te hebben tegen de door de Inspecteur gehanteerde cijfers, met uitzondering van de door de Inspecteur voor de jaren 1990 en 1991 op basis van schatting in aanmerking genomen bedragen aan rente van fl. 10.000,= per jaar. Afgesproken wordt om voor het jaar 1990 een bedrag van fl. 8.000,= aan rente in aanmerking te nemen. Voorts dienen de berekeningen te worden aangepast aan de hand van de door de belanghebbende overgelegde aanslagbiljetten in de inkomsten- en vermogensbelasting vanaf 1985, waaruit de juiste vastgestelde belastbare inkomens en vermogens blijken. Tijdens het gesprek deelt de Inspecteur mede de aangepaste berekeningen, een vaststellingsovereenkomst en een begeleidende brief aan de belanghebbende te zullen sturen. De belanghebbende geeft in het gesprek aan zich erop te willen beraden of hij de zaak op een eenvoudige wijze wil afwerken, door middel van een vaststellingsovereenkomst, of niet.

2.14. Op 29 mei 2002 stuurt de Inspecteur aan de belanghebbende een brief, waarin opgenomen een kennisgeving van de op te leggen verhogingen en te verlenen kwijtscheldingen voor de jaren 1990 tot en met 1997 en van de op te leggen boeten over de jaren vanaf 1998.

In deze brief schrijft de Inspecteur aan het slot onder meer het volgende:

"De verdere afwerking kan op twee manieren, te weten;

- er kan voor elk jaar afzonderlijk een aanslag worden opgelegd. Dit betekent wel dat de heffingsrente wat kan verschillen met de nu berekende heffingsrente. Deze wordt dan namelijk berekend tot het moment van het uitkomen van de navorderingsaanslagen.

- er kan ook gekozen worden voor het opleggen van één aanslag voor een willekeurig jaar waarin dan het volledige te betalen bedrag wordt verwerkt. Hiervoor moet dan een vaststellingsovereenkomst worden ondertekend. Ook deze keuze heeft nadelen. Zo moet u bijvoorbeeld afzien van het maken van bezwaar en dus ook het aantekenen van beroep.

Graag verneem ik van u voor 12 juni 2002;

a. of u akkoord kunt gaan met de gemaakte berekeningen en dus met het uiteindelijk te betalen bedrag. Zo neen, waarom niet?

b. welke wijze van afwerking de voorkeur heeft. Mocht u kiezen voor de afwerking via één te betalen aanslag dan verzoek ik u een exemplaar van de vaststellingsovereenkomst na ondertekening aan mij te retourneren.".

Bij deze brief van 29 mei 2002 stuurt de Inspecteur aan de belanghebbende de aangepaste berekeningen, uitkomend op een in totaal te betalen bedrag van € 40.694,=, en een (concept) vaststellingsovereenkomst.

2.15. Op 5 juni 2002 belt de belanghebbende de Inspecteur. De belanghebbende deelt mede de op 29 mei 2002 toegezonden stukken te hebben bestudeerd en tot de conclusie te zijn gekomen dat de voor het jaar 1991 in aanmerking genomen rente ad fl. 10.000,= te hoog is. De belanghebbende en de Inspecteur komen tijdens het telefoongesprek overeen voor het jaar 1991 een bedrag ad fl. 8.500,= aan rente in aanmerking te nemen. Bij brief van 5 juni 2002 bevestigt de Inspecteur het telefoongesprek en stuurt hij aan de belanghebbende de wederom aangepaste berekeningen, nu uitkomend op een in totaal te betalen bedrag van € 39.828,= ofwel fl. 87.770,=, en een aangepaste, door hem op 5 juni 2002 ondertekende vaststellingsovereenkomst. In de vorenbedoelde brief van 5 juni 2002 is onder meer vermeld:

"Mocht u zich nog niet met de uitkomst kunnen verenigen zullen er navorderingsaanslagen per jaar worden opgelegd. Daarna zult u dan formeel en gemotiveerd in bezwaar moeten komen tegen die aanslagen waar u het niet mee eens bent.

Uw reactie verneem ik graag vóór 12 juni 2002. Dit kan in de vorm van een door u ondertekent exemplaar van de vaststellingsovereenkomst, danwel een bericht dat u de verrekening niet via één aanslag wenst af te doen.".

2.16. Op 10 juni 2002 tekent de belanghebbende de hem op 5 juni 2002 toegezonden vaststellingsovereenkomst en retourneert hij deze overeenkomst aan de Inspecteur. De vaststellingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) luidt, voor zover te dezen relevant, als volgt:

"De Belastingdienst heeft een onderzoek ingesteld naar Nederlandse ingezetenen die in het buitenland één of meerdere bankrekening(en) aanhouden, dan wel aan hebben gehouden. Naar aanleiding van dit onderzoek hebben de volgende partijen, na onderling overleg, in het kader van een compromis een vaststellingsovereenkomst gesloten als bedoeld in artikel 7:900, lid 1 Burgerlijk Wetboek:

1. Naam : R

(...)

2. (...)

Namens : de inspecteur, (...)

Onderwerp van deze vaststellingsovereenkomst is de na te vorderen inkomstenbelasting\premie volksverzekeringen\vermogensbelasting over de jaren 1990 tot en met 2000, alsmede de boeten en de heffingsrente daarover, voor zover die een gevolg zijn van het hiervoor genoemde onderzoek. Partijen verklaren zich jegens elkaar te binden ten aanzien van deze onderwerpen, waarbij zij uitdrukkelijk verklaren dat de overeenkomst ook zal gelden indien of voor zover zij afwijkt van een rechtens bestaande toestand tussen partijen.

Uitgangspunt van deze vaststellingsovereenkomst is het feit, dat partij sub 1 opzettelijk onjuist aangiften inkomstenbelasting\premie volksverzekeringen\vermogensbelasting heeft gedaan over de jaren 1990 tot en met 2000. Als gevolg hiervan zouden navorderingsaanslagen moeten worden opgelegd tot een totaalbedrag van € 39.828 ofwel fl. 87.770,= (enkelvoudige belasting, heffingsrente en 50% boete). Een specificatie van dit totaalbedrag is als bijlage bij deze vaststellingsovereenkomst gevoegd.

Uit praktische overwegingen zijn partijen overeengekomen om het hiervoor genoemde totaalbedrag als enkelvoudige vermogenbelasting te heffen in één navorderingsaanslag over het jaar 1999. Deze navorderingsaanslag vervangt de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting\premie volksverzekeringen\vermogensbelasting met boeten en heffingsrente over de jaren 1990 tot en met 2000.

Deze vaststellingsovereenkomst is gesloten onder de volgende voorwaarden:

* De vaststellingsovereenkomst is gebaseerd op de volgende gegevens:

(...)

* KBL 001 en BGL 002

KBL 001a KBC 003

Indien op enig moment blijkt dat deze feiten geheel of gedeeltelijk onjuist zijn, dan is de Belastingdienst niet langer aan deze vaststellingsovereenkomst gebonden. De Belastingdienst kan in dat geval nieuwe (navorderings)aanslagen en boeten opleggen op basis van die nieuwe feiten. Dit zal in geen geval kunnen leiden tot vermindering van de onderhavige navorderingsaanslag en boete;

* De fiscale gevolgen (enkelvoudige belasting, heffingsrente en boeten) van deze vaststellingsovereenkomst worden volledig verwerkt in één op te leggen navorderingsaanslag vermogensbelasting 1999. Tegen deze navorderingsaanslag zal geen bezwaar en/of beroep worden aangetekend. Deze navorderingsaanslag wordt bovendien niet ambtshalve verminderd om welke reden dan ook;

* De jaren tot en met 2000 worden niet betrokken in een middelingstijdvak, uitsmering, verliescompensatie, 80/68%-regeling of enige andere regeling die leidt tot vermindering van de aanslagen van die jaren, voor welk belastingmiddel dan ook;

* Partij 1 is in kennis gesteld van de gronden waarop de oplegging van de in deze vaststellingsovereenkomst begrepen boete berust en verklaart, dat hiermee voldaan is aan de verplichting tot kennisgeving en mededeling als omschreven in artikel 67k, lid 1 en 67g, lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Partij sub 1 zal geen recht doen gelden op de in artikel 67k, lid 2 AWR genoemde termijn;

* Indien deze vaststellingsovereenkomst is gesloten in de bezwaar- of beroepsfase, verklaart partij sub 1 geen beroep te doen op enige vergoeding van kosten, gemaakt in de bezwaar- en/of beroepsfase;

* Het overeengekomen bedrag (enkelvoudige belasting, heffingsrente en boete) leidt niet tot een aftrekpost in enig jaar voor welke belasting dan ook.

Partij sub 1 verklaart, alvorens te hebben ondertekend, voldoende tijd te hebben gehad om zich te beraden.".

2.17. Met dagtekening 26 juli 2002 legt de Inspecteur aan de belanghebbende een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1999 op naar een vermogen van fl. 12.852.999,=; deze navorderingsaanslag leidt tot een te betalen bedrag van fl. 87.766,=. Bij brief van 4 september 2002 komt de belanghebbende in bezwaar tegen deze navorderingsaanslag. Bij uitspraak van 12 september 2002 verklaart de Inspecteur de belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn bezwaar.

2.18. De belanghebbende heeft tijdens het onderzoek ter zitting een kopie overgelegd van drie pagina's van een medische rapportage van 10 augustus 2001. In deze rapportage wordt door de psychiater S geconcludeerd dat de belanghebbende, al dan niet als gevolg van een in 1989 bij hem verrichte lumbaalpunctie, lijdt aan vitale slaapstoornissen, alsmede aan een ernstige depressieve stoornis (neurotische somatisatiestoornis met vitaal depressieve symptomen) en wordt verwijzing naar een psychiater geadviseerd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is de belanghebbende ontvankelijk in zijn bezwaar en beroep? Deze vraag spitst zich toe op het antwoord op de vraag of de belanghebbende gebonden is aan de overeenkomst, voor zover daarin is bepaald dat de belanghebbende geen bezwaar en/of beroep zal aantekenen tegen de onderhavige navorderingsaanslag.

II. Zo vraag I bevestigend moet worden beantwoord: Staat het de belanghebbende vrij in bezwaar en beroep zijn bezwaren tegen de onderhavige navorderingsaanslag naar voren te brengen?

I. Zo de vragen I en II bevestigend moeten worden beantwoord: Is de onderhavige navorderingsaanslag tot het juiste bedrag opgelegd?III.

I. Heeft indien in een andere procedure komt vast te staan dat de onder 2.2 bedoelde microfiches op onrechtmatige wijze zijn verkregen, de belanghebbende recht op een gelijke behandeling? IV.

De belanghebbende is van oordeel dat vragen I, II en IV bevestigend moeten worden beantwoord en dat vraag III ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

De belanghebbende betoogt dat hij de overeenkomst onder druk heeft gesloten en dat hij derhalve niet aan die overeenkomst is gebonden. Voorts betoogt hij dat niet de juiste bedragen aan inkomsten uit vermogen in aanmerking zijn genomen, met name voor wat betreft de jaren 1990 en 1991 en het (fictieve) rendement in de jaren 1996 en verder. Tevens betoogt hij dat hem geen inzage is verleend in de stukken. Tot slot wil de belanghebbende dat hem een gelijke behandeling ten deelt valt, indien in andere gevallen de Inspecteur in het ongelijk wordt gesteld op de grond dat de onder 2.2 bedoelde microfiches op onrechtmatige wijze zijn verkregen. De Inspecteur betoogt dat de belanghebbende wèl is gebonden aan de overeenkomst en dat, primair, de belanghebbende niet ontvankelijk is in zijn beroep en, subsidiair, dat de belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar en dat het beroep derhalve ongegrond is.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de onder 1.4 vermelde pleitnota's met bijlagen, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben partijen hieraan nog het volgende, kort weergegeven, toegevoegd:

De belanghebbende

* Ik heb geen bezwaar tegen de door de Inspecteur bij diens tweede pleitnota (Reactie op de inhoudelijke argumenten) overgelegde bijlagen.

* Het kan inderdaad zo zijn, zoals de Inspecteur stelt, dat ik de eerste keer niet op 27 maart 2002, maar op 26 maart 2002 heb gebeld met de Inspecteur en dat mij reeds toen is verteld dat ik de deurwaarder kon verwachten.

* De onder 2.18 vermelde medische rapportage 10 augustus 2001 is opgemaakt in verband met een verzekeringskwestie.

* * (Desgevraagd:) De Inspecteur kon ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet weten of vermoeden dat ik na een mislukte lumbaalpunctie in 1989 niet meer kon slapen, moest stoppen met werken, in een depressie ben geraakt en onder behandeling van een psychiater ben gekomen. Ik heb de Inspecteur dat toentertijd allemaal niet verteld.

* Met betrekking tot de kosten die ik in aftrek gebracht wil zien, weet ik niet hoe ik aannemelijk kan maken dat die kosten zijn gemaakt.

* Ik heb de overeenkomst getekend om van de zaak af te zijn. Ik kon niet slapen en wilde niet psychisch ten onder gaan en heb daarom gekozen voor mijn gezin.

* Ik claim vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van het onderzoek ter zitting.

De Inspecteur

* De belanghebbende heeft op 26 maart 2002 gebeld; toen, en niet op 27 maart 2002, is hem reeds medegedeeld dat de deurwaarder langs zou komen om de rappelbrief van 26 maart 2002 uit te reiken.

* * Ik sluit niet uit dat de belanghebbende nog slaap- en psychische klachten had ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, maar in hoeverre de klachten, zoals omschreven in de door de belanghebbende ten dele overgelegde medische rapportage van 10 augustus 2001, zich toentertijd nog voordeden, is niet duidelijk.

* Met betrekking tot de kosten die de belanghebbende in aftrek wil brengen, is slechts in algemene zin gesproken, de belanghebbende heeft deze kosten niet gespecificeerd.

3.3. De belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de navorderingsaanslag. De Inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en subsidiair tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Vraag I

4.1. Met betrekking tot de vraag of de belanghebbende ontvangen kan worden in het beroep overweegt het Hof als volgt. Vaststaat dat de belanghebbende de overeenkomst op 10 juni 2002 heeft getekend, waarin het volgende is bepaald: "Tegen deze navorderingsaanslag zal geen bezwaar en/of beroep worden aangetekend.".

4.2. Gelet op het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 22 april 1998, nummer 33 249, onder meer gepubliceerd in BNB 1998/214, stond het de belanghebbende vrij in het kader van een met de Inspecteur gesloten compromis afstand te doen van zijn recht tegen een hem overeenkomstig dat compromis op te leggen navorderingsaanslag met een bezwaar- of beroepschrift op te komen. Uit de overeenkomst blijkt duidelijk dat de belanghebbende uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van het recht van bezwaar en beroep tegen de onderhavige navorderingsaanslag en blijkt voorts duidelijk dat deze navorderingsaanslag de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting\premie volksverzekeringen\vermogensbelasting met boeten en heffingsrente over de jaren 1990 tot en met 2000 vervangt. Mitsdien staat het de belanghebbende in beginsel niet meer vrij in bezwaar en beroep zijn bezwaren tegen de onderhavige navorderingsaanslag, inclusief de daarin materieel begrepen verhogingen na kwijtscheldingen, boeten en heffingsrente, naar voren te brengen, met name ook niet in het geval van bij de belanghebbende veranderd(e) inzicht(en) (in dit verband wijst het Hof op onder meer de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 8 maart 1995, nummer 29 885, onder meer gepubliceerd in BNB 1995/246, van 9 oktober 1996, nummer 30 872, onder meer gepubliceerd in BNB 1997/53, en van 9 januari 2004, nummer 38 599, onder meer gepubliceerd in V-N 2004/6.6).

4.3. Slechts in de volgende uitzonderingen staat het de belanghebbende wèl vrij zijn bezwaren in bezwaar en beroep tegen de onderhavige navorderingsaanslag naar voren te brengen:

a) Indien de overeenkomst tot stand is gekomen in een situatie, waarin de belanghebbende zijn wil niet (vrij) heeft kunnen bepalen, en er bij het sluiten van de overeenkomst sprake is van bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden of dwaling, kan het zo zijn, dat aan (de totstandkoming van) de overeenkomst zulke gebreken kleven dat de belanghebbende niet aan de overeenkomst is gebonden en dat hij derhalve ook niet is gebonden aan de afspraak niet tegen de navorderingsaanslag in bezwaar en beroep te komen.

b) Voorts geldt dat wanneer bij het sluiten van de overeenkomst de handelwijze van de Inspecteur zozeer indruist tegen de door deze jegens de belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid, de Inspecteur alsdan in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur handelt indien hij de belanghebbende aan de overeenkomst houdt (in dit verband wijst het Hof op de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 8 april 1987, nummer 23 977, onder meer gepubliceerd in BNB 1987/191, en van 25 oktober 1989, nummer 25 969, onder meer gepubliceerd in BNB 1990/6).

c) Tot slot geldt dat de Inspecteur op nakoming van de overeenkomst niet mag rekenen, indien de overeenkomst niet alleen duidelijk in strijd is met dwingend recht, maar deze overeenkomst naar inhoud of strekking tevens in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde (in dit verband wijst het Hof op artikel 7:902 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede op de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 21 april 1995, nummer 15 686, onder meer gepubliceerd in NJ 1997/570, en van 25 oktober 2000, nummer 35 697, onder meer gepubliceerd in BNB 2001/10).

4.4. Gelet op het overwogene onder 4.2 is de belanghebbende aan de overeenkomst gebonden, tenzij sprake is van één of meer van de onder 4.3 opgesomde uitzonderingen. Om te kunnen beoordelen of deze uitzonderingen zich voordoen, en met name of de belanghebbende gehouden kan worden aan de van de overeenkomst deel uitmakende afspraak dat hij tegen de onderhavige navorderingsaanslag geen bezwaar en beroep zal aantekenen, dient de belanghebbende echter wel de mogelijkheid te hebben bij de Inspecteur bezwaar in te dienen en vervolgens, na een voor hem ongunstige uitspraak van de Inspecteur, de belastingrechter te adiëren. Indien dit niet mogelijk zou zijn, zou de belanghebbende zich moeten wenden tot de burgerlijke rechter. De burgerlijke rechter zou wellicht tot het oordeel kunnen komen dat de belanghebbende op grond van bijvoorbeeld bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden of dwaling niet aan de overeenkomst is gebonden, maar de burgerlijke rechter dient in beginsel tevens uit te gaan van de juistheid van onherroepelijk vaststaande (navorderings)aanslagen, zodat de belanghebbende het door hem beoogde effect, vermindering van de navorderingsaanslag, bij de burgerlijke rechter niet zou kunnen bereiken. Mitsdien is het Hof van oordeel, dat de belanghebbende, ongeacht of hij aan de overeenkomst is gebonden of dat de Inspecteur niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zou handelen indien hij de belanghebbende aan de overeenkomst houdt, ontvankelijk is in zijn beroep en in zijn bezwaar, nu de belanghebbende ook overigens tijdig en regelmatig bezwaar en beroep heeft ingediend. (In dit verband wijst het Hof onder meer op de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 24 maart 1982, nummer 20 982, onder meer gepubliceerd in BNB 1982/160, van 4 juni 1986, nummer 23 502, onder meer gepubliceerd in BNB 1986/301, van 23 augustus 1989, nr. 25 516, onder meer gepubliceerd in BNB 1990/2, van 6 oktober 1999, nr. 34 831, onder meer gepubliceerd in BNB 1999/401, en van 14 december 2001, nr. 36 470, onder meer gepubliceerd in BNB 2002/47.)

4.5. Uit het overwogene onder 4.4 vloeit reeds voort dat de uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd, omdat in die uitspraak het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard (vergelijk het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 22 maart 2000, nummer 34 803, onder meer gepubliceerd in BNB 2000/164).

4.6. Vraag I moet bevestigend worden beantwoord.

Vraag II

4.7. De belanghebbende heeft gesteld dat hij op grond van zijn psychische toestand de situatie niet meer kon overzien en dat hij onder psychische druk de overeenkomst heeft getekend.

4.8. Dienaangaande is het Hof van oordeel dat gezien de onder 2.6 tot en met 2.16 weergegeven feiten en omstandigheden de overeenkomst geenszins tot stand is gekomen onder bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden of dwaling, dat met name uit deze feiten en omstandigheden niet blijkt van door de Inspecteur op de belanghebbende uitgeoefende psychische druk, dat deze feiten en omstandigheden er geenszins op wijzen dat de overeenkomst tot stand is gekomen op een zodanige wijze, dat de Inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zou handelen door de belanghebbende aan de overeenkomst te houden en, tot slot, dat die feiten en omstandigheden er evenmin op wijzen dat de overeenkomst duidelijk in strijd is met dwingend recht én de openbare orde of de goede zeden. Hierbij overweegt het Hof als volgt:

* de belanghebbende heeft tijdens het onderzoek ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat de Inspecteur ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet kon weten of vermoeden dat hij als gevolg van een mislukte medische behandeling in 1989 in een depressieve toestand verkeerde;

* ten aanzien van de stelling van de belanghebbende dat hij door het bezoek van de deurwaarder op 27 maart 2002 psychisch is getroffen, is het Hof van oordeel dat tussen dit, overigens tevoren door de Inspecteur aangekondigde, bezoek van de deurwaarder en de datum waarop de belanghebbende de overeenkomst heeft getekend, 10 juni 2002, zo'n lange periode is gelegen, dat niet aannemelijk is dat zulks nog effect had op 10 juni 2002;

* tevens is het Hof van oordeel, dat, gelet op de onder 2.6 tot en met 2.16 weergegeven feiten en omstandigheden, de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode maart tot en met juni 2002 zijn wil niet kon bepalen. De belanghebbende heeft dit laatste met name ook niet aannemelijk gemaakt met de onder 2.18 vermelde medische rapportage van 10 augustus 2001, omdat ten eerste uit deze rapportage niet volgt dat de belanghebbende zijn wil niet zou kunnen bepalen en ten tweede deze rapportage geen inzicht verschaft over de toestand van de belanghebbende ten tijde van het sluiten van de overeenkomst.

4.9. Gelet op het overwogene onder 4.8 moet vraag II zo worden beantwoord, dat de belanghebbende is gebonden aan de overeenkomst en dat het de belanghebbende mitsdien niet meer vrijstaat in bezwaar en beroep zijn bezwaren tegen de onderhavige navorderingsaanslag naar voren te brengen. Het gelijk met betrekking tot deze vraag is aan de zijde van de Inspecteur.

4.10. Aan het oordeel van het Hof onder 4.9 doet niet af dat de belanghebbende geen inzage in de stukken heeft gehad - naar het Hof begrijpt op de voet van artikel 67m van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) juncto § 46, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 juncto § 14 van dat besluit - nu ten eerste de belanghebbende niet om een dergelijke inzage heeft verzocht en ten tweede de Inspecteur in zijn tweede pleitnota (Reactie op inhoudelijke argumenten) in de vierde alinea onweersproken heeft gesteld dat de belastingheffing voortvloeit uit de door de belanghebbende zelf overgelegde stukken en niet is gebaseerd op het uit België ontvangen bewijs, zodat de belanghebbende -met name ten tijde van het sluiten van de overeenkomst- reeds bekend was met alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Aan het oordeel van het Hof onder 4.9 doet evenmin af dat de belanghebbende geen inzage heeft gekregen tijdens de bezwaarfase -naar het Hof begrijpt op de voet van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)-, ten eerste niet omdat de belanghebbende niet op de voet van artikel 25, vierde lid, van de AWR heeft verzocht om te worden gehoord en dientengevolge de aan het horen voorafgaande ter inzage legging van de stukken niet behoefde plaats te vinden en ten tweede niet omdat de Inspecteur, gelijk evenvermeld, onweersproken heeft gesteld dat de belastingheffing voortvloeit uit de door de belanghebbende zelf overgelegde stukken, zodat de belanghebbende reeds bekend was met alle op de zaak betrekking hebbende stukken en hij derhalve niet in zijn (proces)positie is geschaad.

Vraag III

4.11. Vraag III kan gelet op de ontkennende beantwoording van vraag II niet meer aan de orde komen.

Vraag IV

4.12. Omdat, zoals het Hof onder 4.9 heeft overwogen, het de belanghebbende niet meer vrijstaat in bezwaar en beroep zijn bezwaren tegen de onderhavige navorderingsaanslag naar voren te brengen, kan de belanghebbende zich niet (meer) tegen de navorderingsaanslag verweren met het argument dat deze op onrechtmatig verkregen bewijs berust. Voorts behoort het niet tot de bevoegdheid van het Hof -al dan niet op grond van het gelijkheidsbeginsel- om toezeggingen te doen over een vermindering van de navorderingsaanslag als gevolg van nog tot stand te komen jurisprudentie; uit artikel 65 van de AWR volgt dat deze bevoegdheid is voorbehouden aan de Inspecteur. In de overeenkomst is overigens uitdrukkelijk bepaald dat de onderhavige navorderingsaanslag niet ambtshalve zal worden verminderd, om welke reden dan ook.

4.13. Ook vraag IV dient ontkennend te worden beantwoord.

Slotsom

4.14. De slotsom uit al het vorenoverwogene is dat het beroep gegrond is, dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd, dat de belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar en dat de navorderingsaanslag moet worden gehandhaafd.

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient aan de belanghebbende het door hem betaalde griffierecht ad € 29,= te worden vergoed.

6. Proceskosten

Het Hof overweegt dat in de overeenkomst slechts de afspraak is gemaakt dat de belanghebbende geen beroep zal doen op enige vergoeding van kosten gemaakt in de bezwaar- en/of beroepsfase, indien de overeenkomst is gesloten in de bezwaar- of beroepsfase; deze situatie doet zich hier niet voor. De belanghebbende heeft deze kosten ter zitting beperkt tot zijn reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Deze kosten worden becijferd op basis van het openbaar vervoer 2e klasse op een bedrag van € 16,56.

7. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet beslist worden als volgt:

Het Hof:

* verklaart het beroep gegrond;

* vernietigt de bestreden uitspraak;

* verklaart de belanghebbende alsnog ontvankelijk in zijn bezwaar;

* handhaaft de navorderingsaanslag;

* veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van de belanghebbende, vastgesteld op € 16,56;

* gelast dat aan de belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,=, en

* wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door P. Fortuin, voorzitter, J.A. Meijer en J.W. Zwemmer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 1 februari 2005

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 1 februari 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.