Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AS6710

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-01-2005
Datum publicatie
21-02-2005
Zaaknummer
01/01460
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hersteluitspraak. Blijkens de hofuitspraak staat tussen de procespartijen vast dat de onderwerpelijke beroepstermijn aanving op 24 april 2001, dat belanghebbende het op 3 juni 2001 gedagtekende beroepschrift op 5 juni 2001 aangetekend ter post heeft verstuurd en dat het op 6 juni 2001 ter griffie van het hof is ontvangen. Anders dan evenwel in de hofuitspraak is overwogen, eindigde de wettelijke termijn voor het indienen van het beroepschrift in casu echter niet op maandag 4 juni 2001, zijnde Tweede Pinksterdag, maar op dinsdag 5 juni 2001.

Gelet op het vorenstaande is het onderwerpelijke beroepschrift voor het einde van de termijn ter post bezorgd en derhalve tijdig ingediend. Het beroep had dan ook niet niet-ontvankelijk behoren te worden verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7, geldigheid: 2005-01-25
Algemene wet bestuursrecht 6:9, geldigheid: 2005-01-25
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2005-01-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 300
FutD 2005-0399 met annotatie van Fiscaal up to Date

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Hersteluitspraak

Nr. 01/01460

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

H E R S T E L U I T S P R A A K

Hersteluitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X, laatstelijk gewoond hebbende te Y en overleden op 23 januari 2003, tegen de uitspraak van de ambtenaar belast met de heffing van het Waterschap Z te ZZ, thans het Waterschapsbedrijf L te R (hierna: de verweerder) op het bezwaarschrift betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag waterschapsomslag gebouwd voor het jaar 1999 ter zake van de onroerende zaak B-straat 00 te Y, aanslagnummer 000000

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Het onderzoek ter zitting van het hierboven vermelde beroep heeft plaatsgehad op 14 december 2004 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer O, als gemachtigde van (de erfgenamen van) belanghebbende, vergezeld van zijn broer de heer P, alsmede, namens de verweerder, de heer T, tot bijstand vergezeld van mevrouw F.

1.2. Na behandeling van de zaak heeft het hof op 28 december 2004 mondeling uitspraak gedaan (hierna: de hofuitspraak). Afschriften van het proces-verbaal van de hofuitspraak zijn op 4 januari 2005 aangetekend aan partijen verzonden.

Bij de hofuitspraak is het beroep van belanghebbende tegen de hierboven bedoelde uitspraak van de verweerder niet-ontvankelijk verklaard op grond van de overweging dat het beroepschrift van belanghebbende niet vóór het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd en daarom als niet tijdig ingediend moet worden aangemerkt.

1.3. De heer O voornoemd heeft bij brief van 30 december 2004, door de president van het hof ontvangen op 4 januari 2005, bij de president geklaagd over - kort gezegd - de behandeling van het beroepschrift door de Belastingkamer van het hof en hij heeft, naar aanleiding van de ontvangst van het afschrift van de hofuitspraak, zijn klacht nader aangevuld bij schrijven van 11 januari 2005 met opmerkingen over de inhoud van de hofuitspraak. Los hiervan heeft ook de verweerder bij brief van 7 januari 2005, bij het hof binnengekomen op 10 januari 2005 en gericht aan de belastingkamer, een aantal opmerkingen gemaakt over de inhoud van de hofuitspraak.

1.4. De president heeft met het oog op een juiste afwikkeling van de klacht een afschrift van de klacht doorgezonden aan de sectorvoorzitter van de belastingkamer met het verzoek ter zake een onderzoek in te stellen en nader te reageren.

2. Motivering

2.1. Uit het hiervoor onder 1.4. bedoelde onderzoek bij de belastingkamer is gebleken dat er een enige onjuistheden in de hofuitspraak zijn opgenomen, waarvan in elk geval die ten aanzien van de, naar hierna zal worden overwogen, door het hof ten onrechte aangenomen termijnoverschrijding van het beroep noopt tot het doen van deze hersteluitspraak.

2.2. Blijkens de hofuitspraak staat tussen de procespartijen vast dat de onderwerpelijke beroepstermijn aanving op 24 april 2001, dat belanghebbende het op 3 juni 2001 gedagtekende beroepschrift op 5 juni 2001 aangetekend ter post heeft verstuurd en dat het op 6 juni 2001 ter griffie van het hof is ontvangen. Anders dan evenwel in de hofuitspraak is overwogen, eindigde de wettelijke termijn voor het indienen van het beroepschrift in casu echter niet op maandag 4 juni 2001, zijnde Tweede Pinksterdag, maar op dinsdag 5 juni 2001.

2.3. Gelet op het vorenstaande is het onderwerpelijke beroepschrift voor het einde van de termijn ter post bezorgd en derhalve tijdig ingediend. Het beroep had dan ook niet niet-ontvankelijk behoren te worden verklaard. De hofuitspraak van 28 december 2004 was derhalve gebaseerd op een onjuist oordeel, nog daargelaten de overige daarin vermelde kennelijke misslagen. In navolging van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 januari 2002, nummer 01/3071 WAO en de uitspraak van de negende enkelvoudige Belastingkamer van het hof van 23 september 2004, kenmerk nummer 02/01671, zal het Hof de uitspraak van 28 december 2004 vervallen verklaren en voorts bepalen dat de zaak alsnog (inhoudelijk) in behandeling wordt genomen (zie tevens CD Wetgeving, Commentaar, Jurisprudentie AWB (Sdu), punt 5 van het commentaar op artikel 8:70, alsmede Tekst & Commentaar Algemene wet bestuursrecht (Kluwer), punt 2, letter d, van het commentaar op artikel 8:70).

2.4. Het hof is daarbij van oordeel dat in dit bijzondere geval aan de proceseconomische belangen van partijen voorrang moet worden gegeven boven de nodeloos kosten en tijdverlies opleverende, in de wet beschreven procesgang die anders zou moeten worden gevolgd en die uiteindelijk na terugverwijzing door de Hoge Raad tot hetzelfde resultaat (alsnog een inhoudelijke behandeling van het beroep) zou leiden.

2.5. De beide procespartijen hebben desgevraagd telefonisch aan de griffier verklaard dat zij zich onder de gegeven omstandigheden volledig kunnen vinden in deze proceseconomische oplossing en dat zij de uitnodiging voor de nadere mondelinge behandeling van de zaak tegemoet zien.

3. De beslissing

Het hof:

- verklaart haar uitspraak van 28 december 2004 vervallen, en

- bepaalt dat de zaak alsnog in behandeling wordt genomen.

Aldus gedaan door J.Th. Simons, lid van voormelde kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 25 januari 2005

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 25 januari 2005

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.