Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AS4017

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
27-01-2005
Zaaknummer
R200401002-5-6-7
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de onderhavige zaak gaat het om jonge tot zeer jonge kinderen.

Doelstelling van een ondertoezichtstelling met gelijktijdige uithuisplaatsing van kinderen van die leeftijd dient naar het oordeel van het hof te zijn, dat binnen betrekkelijk korte tijd na de uitspraak betreffende ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing serieus door de stichting wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn om de kinderen met de door de stichting georganiseerde hulp terug te plaatsen bij de ouder(s) met gezag. Daartoe dienen de betreffende ouders ook zo optimaal mogelijk te worden voorbereid en dient ook actief te worden gewerkt aan een situatie, waarbinnen die kans van slagen zo groot mogelijk is.

Indien aan de ouder(s) met gezag een dergelijke kans is geboden en de terugplaatsing mislukt, dan betekent zulks behalve voor de desbetreffende ouder(s) een enorme terugslag voor de kinderen. In de regel levert dit grote gevoelens van onveiligheid op bij de kinderen en stagneert hun uitgroei. Terugplaatsing in hetzelfde pleeggezin is meestal niet mogelijk, zodat de kinderen in korte tijd te maken krijgen met drie soorten milieus, waarin zij verkeren en die opeenvolgende veranderingen zijn nogal eens funest voor de mogelijkheden van een kind zich veilig te hechten en zich behoorlijk te ontwikkelen.

In de onderhavige zaak heeft de vrouw naar het oordeel van het hof een kans als hiervoor bedoeld gekregen en heeft zij die niet aangegrepen.

Naar het oordeel van het hof vereist het belang van de kinderen en hebben zij daar ook recht op, dat zij gedurende een langer durende periode in een pleeggezin kunnen en mogen verblijven, waardoor zij in een rustige, veilige en stabiele opvoedingssituatie verkeren.

Het hof sluit daarbij niet uit en in ieder geval is daartoe nader onderzoek noodzakelijk, dat zulks zal geschieden in het kader van een verzoek tot het treffen van een verderstrekkende maatregel.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2005/38
JIN 2005/103
FJR 2005, 65

Uitspraak

19 januari 2005

Rekestenkamer

Rekestnummer R200401002, R200401005, R200401006, R200401007

GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellant,

hierna te noemen: de stichting

en als belanghebbenden:

[Belanghebbende 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

procureur mr. T.W.H.M. Weller

en

[Belanghebbende 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

procureur mr. J.E. Benner

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de vier beschikkingen van de kinderrechter te Roermond van 27 oktober 2004, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 30 november 2004 heeft de stichting verzocht bij beschikking in appèl de voorvermelde beschikkingen te vernietigen en daarvoor in de plaats machtiging te verlenen voor plaatsing van de minderjarigen in een voorziening voor opvoeding en verzorging, gevolgd door plaatsing in een voorziening voor pleegzorg.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 21 december 2004, heeft de vrouw verzocht de stichting niet ontvankelijk te verklaren, althans en in ieder geval het verzoek af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen.

2.3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 21 december 2004, heeft de man verzocht de voorvermelde beschikkingen te bekrachtigen voor zover in de voornoemde beschikkingen werd besloten tot toewijzing van een tijdelijke machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een voorziening voor opvoeding en verzorging, doch met verzoek deze voor de duur van zes maanden uit te spreken en het meer of anders verzochte af te wijzen.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 december 2004. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- mevr.[A.]en mevr.[B.]namens de stichting bijgestaan door raadsman mr. H.P.J. Engels;

- de vrouw, bijgestaan door haar raadsvrouwe mr. Y.W.A.M. van der Koelen;

- de man bijgestaan door haar raadsvrouwe mr. K.E.J. Dohmen.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de producties, overlegd bij het verweerschrift van de vrouw;

- de producties, overlegd bij het verweerschrift van de man;

- het proces-verbaal van de rechtbank Roermond d.d. 26 oktober 2004

- de brief met bijlagen van de stichting d.d. 4 januari 2005.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De man en de vrouw hebben gedurende acht jaar een relatie gehad. In augustus 2003 heeft de vrouw de relatie beëindigd.

Uit de relatie van partijen zijn geboren:

- [Kind 1], geboren op [1997];

- [Kind 2], geboren op [1997];

- [Kind 3], geboren op [2001];

- [Kind 4], geboren op [2002];

over wie de vrouw alleen het gezag uitoefent. De man heeft de kinderen niet erkend.

4.2. Na het beëindigen van de relatie heeft de vrouw op enig moment bij de stichting om hulp voor de kinderen gevraagd. De stichting plaatste de kinderen met ingang van 13 november 2003 voor een time out in verschillende opvanggezinnen en vroeg een onderzoek aan bij de Raad voor de Kinderbescherming. Na dit onderzoek en op verzoek van de raad heeft de kinderrechter te Roermond de kinderen op 28 april 2004 voor de periode van één jaar onder toezicht van de stichting gesteld. De raad was tevens van oordeel, dat de kinderen zouden dienen op te groeien in een perspectief biedend pleeggezin en verzocht de gezinsvoogdij-instelling te machtigen de vier kinderen uithuis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De kinderrechter machtigde de stichting wel om de kinderen tot uiterlijk 28 oktober 2004 uithuis te plaatsen, echter in een voorziening voor opvoeding en verzorging. De kinderen zijn vervolgens geplaatst in de kort verblijf opvang van Rubicon Jeugdzorg.

4.3. Conform het inzicht van de kinderrechter heeft de stichting eind juni/begin juli 2004 [kind 1] en [kind 2] teruggeplaatst bij de vrouw. Voor [kind 3] en [kind 4] werden voor de terugplaatsing data in augustus gepland. Op 13 juli 2004 bleek echter dat de vrouw een detentie van 42 dagen moest uitzitten. Afgesproken werd dat de man de kinderen zou opvangen, hetgeen gebeurde voor een periode van zes weken. Het was de bedoeling van de stichting dat alle vier de kinderen direct na afloop van de detentie zouden terugkeren bij de vrouw. Daartoe bleek de vrouw echter toen niet in staat; er ontstonden bovendien ernstige fricties met de man, hetgeen er in resulteerde, dat hij vernielingen aanbracht in de woning van de vrouw. [kind 3] en [kind 4] zijn daarna niet meer teruggeplaatst bij de vrouw.

Op basis van alle beschikbare informatie was de stichting vervolgens van mening dat het traject terug naar huis niet meer haalbaar was. [kind 1] en [kind 2] werden teruggeplaatst in een KVO-gezin.

Bij verzoekschrift van 5 oktober 2004 verzocht de stichting aan de kinderrechter om de stichting te machtigen de kinderen in een tehuis voor opvoeding en verzorging en aansluitend in een voorziening voor pleegzorg te plaatsen.

Bij beschikking, waarvan beroep, wees de kinderrechter het verzoek van de stichting slechts toe tot plaatsing in een voorziening voor opvoeding en verzorging (en niet aansluitend in een voorziening voor pleegzorg) en alleen voor een korte periode en wel tot uiterlijk 28 januari 2005.

4.4. De kinderrechter kwam tot het oordeel dat het de voorkeur heeft het - voor de detentie van de vrouw ingezette- traject van gefaseerde plaatsing van de kinderen bij haar opnieuw aan te laten vangen.

Met de nodige professionele voorbereiding en begeleiding leek het de kinderrechter niet bij voorbaat uitgesloten dat moeder in staat zou zijn als opvoedster en verzorgster de belangen van de kinderen in voldoende mate te behartigen. Naar het inzicht van de kinderrechter is voldoende aannemelijk gemaakt dat adequate opvang zal worden verzorgd door de huidige partner, de ex-partner en de directe familieleden van de vrouw, voor het geval de vrouw voor kortere dan wel langere tijd niet in staat zal zijn haar taken als opvoedster van de kinderen uit te voeren.

4.5. In het verzoekschrift in hoger beroep voert de stichting aan dat de kinderrechter onvoldoende rekening heeft gehouden met de door de stichting aangedragen, gemotiveerde bezwaren tegen terugplaatsing van de kinderen. De kinderrechter is op onjuiste gronden, op basis van de ter zitting afgelegde verklaringen van de ouders, tot de conclusie gekomen dat terug- plaatsing verantwoord te achten is. De thuissituatie is dermate instabiel, dat terugkeer niet in het belang is van de kinderen. De kinderen worden door de borderline-stoornis van de vrouw ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Deze conclusie was al getrokken door de raad in een onderzoek van 13 april 2004. Ondanks de bevindingen van de raad heeft de stichting geïnvesteerd in het onderzoeken van mogelijkheden voor een terugplaatsing bij de vrouw en de situatie bij haar leek aanvankelijk mogelijkheden te bieden. De voorbereiding van de thuisplaatsing liep echter niet soepel, omdat de kinderen heftig reageerden als ze terug kwamen van een weekend en weerkeerden bij de verschillende pleeggezinnen. De vrouw kreeg een terugval en moest voor tien dagen opgenomen worden in een psychiatrisch ziekenhuis.

4.6.De stichting voert in het verzoekschrift verder aan dat de opneming slechts een incident is in een langdurige reeks van gebeurtenissen die aangeven dat de vrouw niet in staat is om haar leven gestructureerd vorm te geven. Tijdens het traject van thuisplaatsing waren er diverse telefonische contacten met de huidige partner van de vrouw en van de moeder van de vrouw. Daaruit bleek de stichting dat er zorgen waren over de situatie van en bij de moeder. In haar rapport van 28 september 2004 heeft de stichting duidelijk kunnen vaststellen dat de verhouding tussen deze ouders en de onderlinge invloeden van andere leden van het familiesysteem, tezamen met de problematiek van de vrouw het onmogelijk maken om de kinderen in de thuissituatie een veilige opvoedingssituatie te bieden. Daarbij heeft de kinderrechter onvoldoende rekening gehouden met de bij de kinderen levende weerstand tegen thuisplaatsing, met de aandacht en zorgvragende ontwikkeling van de kinderen en met de geboden veiligheid van de pleeggezinnen.

4.7. In haar verweerschrift voert de vrouw aan dat zij op dit moment niet op verantwoorde wijze de noodzakelijke zorg en opvoeding voor de kinderen kan bieden, maar dat zij er vertrouwen in heeft dat deze situatie binnenkort gewijzigd kan worden. Het is de wens van de vrouw dat het ingezette traject van gefaseerde plaatsing van de kinderen opnieuw een aanvang kan nemen zodat zij met de nodige voorbereiding en begeleiding op korte termijn op een verantwoorde wijze de noodzakelijke zorg en opvoeding voor de kinderen kan bieden. De vrouw voert aan dat er geen goede grond aanwezig is voor de machtiging tot langdurige uithuisplaatsing. Bovendien acht zij het niet in het belang van de kinderen als de ouders wellicht voor altijd of vrijwel geheel buiten beeld blijven. Zij stelt dat nadat de bestreden beschikking is gegeven, ten onrechte het traject van gefaseerde terugplaatsing niet is ingezet. Tot slot geeft de vrouw aan dat zij op dit moment in een moeilijke financiële situatie zit. Zij heeft inmiddels een verzoek tot toelating in de schuldsaneringsregeling ingediend en heeft een fulltime baan om de schulden sneller af te lossen.

4.8. In zijn verweerschrift voert de man aan dat hij dan wel de vrouw in de nabije toekomst aan alle vier de kinderen een goede opvoedingssituatie kunnen bieden, waardoor er geen noodzaak bestaat tot een langdurige pleeggezinplaatsing. De man betoogt dat tijdens het gesprek van 8 november 2004 bleek dat de stichting tegen de beschikking van de kinderrechter hoger beroep zou aantekenen en dat de stichting geen navolging heeft gegeven aan de verplichtingen die voortvloeien uit de beschikking. Bij dit gesprek heeft de vrouw aangeven dat in samenspraak met de RIAGG is komen vast te staan dat zij niet aan een borderline-stoornis lijdt. De vrouw heeft te kampen gehad met een onvoorzienbare en uitzonderlijke opeenstapeling van feiten, waardoor haar goede voornemens in het gedrang kwamen. De man is van mening dat de vrouw over enige tijd de zorg voor de kinderen beter dan ooit zal aankunnen. De man heeft inmiddels alle hulp gezocht om een einde te maken aan zijn eigen problemen. De man is bereid om alles in het werk te stellen om de thuiskomst van de kinderen te realiseren. Een plaatsing van de kinderen bij de man behoort tot de mogelijkheden. Hij voert aan dat hij zich in dat opzicht in het verleden reeds heeft bewezen. Tot slot voert de man aan dat hij het onwenselijk vindt dat [kind 1] alleen is geplaatst. In de tijd dat de kinderen bij hem verbleven is hem duidelijk geworden dat [kind 1] veel behoefte heeft aan contact met zijn broertjes. De man is ongerust over het welbevinden van [kind 1].

4.9. Bij brief van 4 januari 2005 meldt het Bureau Jeugdzorg, dat op 15 december 2004 een gesprek met de vrouw heeft plaatsgevonden, dat zij mededeelde dat er allerlei moeilijkheden op haar weg waren gekomen, vooral van financiële aard, dat zij hierdoor genoodzaakt was de huur van haar woning op te zeggen en dat zij thans bij haar ouders was ingetrokken. Ze had niet de mogelijkheden om zelf voor de kinderen te zorgen en stemde in met het advies van Rubicon Jeugdzorg om akkoord te gaan met een langer durende pleeggezinplaatsing van bijvoorbeeld 2 jaar.

Van dit standpunt is de vrouw ter zitting teruggekomen, zij berichtte dat zij zelfstandige huisvesting had en dat zij uitzag naar een terugplaatsing van de kinderen bij haar. Ook de man zag hiertoe mogelijkheden. Als een en ander bij de vrouw niet gerealiseerd kan worden, wenst hij voor de kinderen te zorgen.

Ter zitting is van de zijde van de stichting nog naar voren gebracht, dat een dag eerder op 11 januari 2005 de kinderrechter heeft beslist op een verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing, die op 28 januari 2005 afloopt.

Verlenging van de machtiging is door de kinderrechter verleend tot aan het tijdstip, waarop de ondertoezichtstelling afloopt, dus feitelijk voor de duur van drie maanden. Blijkens de mondelinge toelichting van de stichting heeft de kinderrechter de machtiging wel verlengd, maar wacht hij het oordeel van het hof af of op korte termijn een terugplaatsing bij de vrouw dient te geschieden dan wel of gewerkt moet worden naar een langer durende pleeggezinplaatsing van de kinderen.

4.10. Het hof overweegt als volgt.

In de onderhavige zaak gaat het om jonge tot zeer jonge kinderen.

Doelstelling van een ondertoezichtstelling met gelijktijdige uithuisplaatsing van kinderen van die leeftijd dient naar het oordeel van het hof te zijn, dat binnen betrekkelijk korte tijd na de uitspraak betreffende ondertoezichtstelling en uithuis- plaatsing serieus door de stichting wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn om de kinderen met de door de stichting georganiseerde hulp terug te plaatsen bij de ouder(s) met gezag. Daartoe dienen de betreffende ouders ook zo optimaal mogelijk te worden voorbereid en dient ook actief te worden gewerkt aan een situatie, waarbinnen die kans van slagen zo groot mogelijk is.

Indien aan de ouder(s) met gezag een dergelijke kans is geboden en de terugplaatsing mislukt, dan betekent zulks behalve voor de desbetreffende ouder(s) een enorme terugslag voor de kinderen. In de regel levert dit grote gevoelens van onveiligheid op bij de kinderen en stagneert hun uitgroei. Terugplaatsing in hetzelfde pleeggezin is meestal niet mogelijk, zodat de kinderen in korte tijd te maken krijgen met drie soorten milieus, waarin zij verkeren en die opeenvolgende veranderingen zijn nogal eens funest voor de mogelijkheden van een kind zich veilig te hechten en zich behoorlijk te ontwikkelen.

4.11. In de onderhavige zaak heeft de vrouw naar het oordeel van het hof een kans als hiervoor bedoeld gekregen en heeft zij die niet aangegrepen. Voor de stichting was niet te voorzien, dat de vrouw geen gevolg had gegeven aan een taakstraf en gedetineerd zou raken. Bij de uitvoering van het voorgenomen plan waren de twee oudste kinderen inmiddels al terug- geplaatst bij de vrouw. Uit de brieven van de pleegouders van 5 en 6 november 2004, die zijn gevoegd bij de brief van 4 januari 2005 van de stichting, blijkt voldoende welke impact de mislukte gang van zaken heeft gehad op [kind 1] en [kind 2] en zijdelings op [kind 3] en [kind 4].

Naar het oordeel van het hof vereist het belang van de kinderen en hebben zij daar ook recht op, dat zij gedurende een langer durende periode in een pleeggezin kunnen en mogen verblijven, waardoor zij in een rustige, veilige en stabiele opvoedingssituatie verkeren.

Het hof sluit daarbij niet uit en in ieder geval is daartoe nader onderzoek noodzakelijk, dat zulks zal geschieden in het kader van een verzoek tot het treffen van een verderstrekkende maatregel. Anders dan de kinderrechter in de bestreden beschikking is het hof in ieder geval van oordeel, dat thans niet op korte termijn toegewerkt dient te worden aan een terugplaatsing bij de vrouw. Terecht heeft de man, die niet belast is met het ouderlijk gezag en zelfs de kinderen niet heeft erkend, in dit verband ter zitting opgemerkt, dat de focus niet op hem gericht is en dat een plaatsing van de kinderen bij hem door de stichting noch voorbereid noch onderzocht is. Daaraan doet niet af, dat de man tijdens de detentie van de vrouw gedurende een periode van zes weken voor de kinderen feitelijk heeft gezorgd.

Het hof wil overigens niet onvermeld laten, dat het bepaald waardering heeft voor de inzet van zowel de vrouw als de man om voor de kinderen te willen zorgen.

Ook in de komende tijd zullen zij - daar gaat het hof vanuit - hun rol als moeder en als vader, ook al is dat niet als verzorgende ouder, op goede wijze kunnen invullen in het belang van de kinderen.

4.12. Tenslotte merkt het hof nog op, dat de kinderrechter in de bestreden beschikking heeft overwogen dat het met de nodige professionele voorbereiding en begeleiding niet bij voorbaat uitgesloten lijkt, dat de vrouw in staat zal zijn als opvoedster en verzorgster de belangen van de kinderen in voldoende mate te behartigen. Ook de kinderrechter is kennelijk van oordeel, dat de kans op succes bij een tweede poging klein is, waardoor het belang van de kinderen -naar het inzicht van het hof- te weinig beschermd wordt.

Het hof overweegt daarbij nog, dat blijkens de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming van 13 april 2004 de visie van diverse hulpverleners is, dat de vrouw niet alleen een specifieke persoonlijke problematiek kent, waardoor het haarzelf niet lukt om op een verantwoorde manier de kinderen op te voeden, maar dat zij door eigen toedoen ook te weinig profiteert van de hulpverlening van bij- voorbeeld de Psychiatrisch Intensieve Thuiszorg en de Riagg. Ook heeft het hof uit de stukken en met name ook uit de brief van de stichting van 4 januari 2005 niet de overtuiging gekregen, dat de vrouw bij onverhoopt disfunctioneren zodanig kan terugvallen op haar familie, vriend, alsmede op de man, dat de belangen van de kinderen voldoende gewaarborgd zijn.

Bij dergelijke omstandigheden en gelet op het tijdsverloop is het hof van oordeel, dat het recht van de vrouw om haar kinderen in het eigen gezin op te voeden dient te wijken voor het recht van kinderen bij een voorlopig ongestoorde opvoedingssitiuatie in een vertrouwd pleeggezin.

4.13. Aangezien de machtiging uit de bestreden beschikkingen inmiddels reeds is verlengd tot de expiratietermijn van de ondertoezichtstelling, zal het hof de beschikkingen waarvan beroep bekrachtigen, echter met verbetering van gronden.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen van de kinderrechter te Roermond van 22 oktober 2004 behoudens voor wat betreft de aangewezen voorziening;

verleent machtiging voor plaatsing van de in die beschikkingen telkens genoemde minderjarigen in een voorziening voor opvoeding en verzorging, gevolgd door plaatsing in een voorziening voor pleegzorg.

Verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Smeenk-van der Weijden en Spliet en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 19 januari 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.