Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AS3443

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-01-2005
Datum publicatie
20-01-2005
Zaaknummer
r200400731
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderbewindstelling ex art. 1:431 BW. Schadeplichtigheid bewindvoerder.

De bewindvoerder heeft, zonder toestemming van de betrokkene of zonder vervangende machtiging van de kantonrechter een levensverzekering voor de betrokkene afgesloten. Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden (het geringe inkomen van betrokkene, de tijdelijkheid van de onderbewindstelling, namelijk ten behoeve van de sanering van zijn schulden) het afsluiten van de levensverzekering niet als een gewone beheersdaad kan worden aangemerkt zodat toestemming dan wel machtiging vereist was. De bewindvoerder is aansprakelijk voor de geleden schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2005, 83
NJF 2005, 210
FJR 2005, 64

Uitspraak

R200400731

18 januari 2005

Rekestenkamer

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[Naam appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. M.J.C. Zuurbier,

t e g e n

[Naam geintimeerde],

domicilie houdende bij adviesburo B & F te Grave,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geintimeerde].

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Boxmeer, van 15 juni 2004, waarvan de inhoud bij hen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 10 september 2004, heeft [appellant] verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voorzover daarbij is afgewezen het verzoek van [appellant] tot veroordeling van [geintimeerde] tot vergoeding van de door [appellant] geleden schade en opnieuw rechtdoende alsnog [geintimeerde] - uitvoerbaar bij voorraad - te veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag van E. 830,42, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, zulks met veroordeling van [geintimeerde] in de kosten van de procedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

2.2. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van deze zaak in eerste aanleg van 3 februari 2004.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 december 2004. Bij die gelegenheid zijn [appellant] en zijn raadsvrouwe, alsmede [geintimeerde] gehoord.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst hiervoor naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

Bij beschikking van de kantonrechter te Nijmegen d.d. 29 november 1999 is de onderbewindstelling als bedoeld in art. 1:431 e.v. BW uitgesproken over alle goederen die (zullen) toebehoren aan [appellant]. [geintimeerde] is tot bewindvoerder benoemd. De onderbewindstelling was aangevraagd door [appellant] zelf in verband met een door hem te sluiten krediet- overeenkomst met de GKB in Nijmegen ter grootte van f. 2.741,02 (plus rente) ter sanering van zijn toen bestaande schulden, welke lening door hem zou moeten worden terugbetaald in drie jaar. Door de GKB was de onderhavige onder- bewindstelling als voorwaarde gesteld voor het verstrekken van de bedoelde lening, zulks tot aan het moment dat de lening zou zijn afgelost. De kredietovereenkomst is gesloten op 23 maart 2000.

4.2. Op 19 november 2001 heeft [geintimeerde] ten behoeve van [appellant] een "Meerkeuzeplanverzekering" afgesloten bij Delta Lloyd levensverzekering N.V. De verzekering voorzag in een uitkering aan [appellant] op 28 november 2014 (bij het bereiken van zijn 65-jarige leeftijd) of in een uitkering na het overlijden van [appellant] vóór 28 november 2014. De overeengekomen premie bedroeg f. 200,- per maand (omgerekend E. 90,76 per maand, later verlaagd tot E. 50,- per maand).

4.3. [Appellant] heeft zich op 12 november 2003 tot de kantonrechter te Boxmeer gewend met het verzoek om de onder- bewindstelling op te heffen, te bepalen dat de bewindvoerder rekening en verantwoording dient af te leggen, alsmede de bewindvoerder te veroordelen de voormelde Meerkeuzeplanverzekering op te heffen en de schade te vergoeden die [appellant] heeft geleden doordat de bewindvoerder zonder zijn toestemming en medeweten de voormelde verzekering bij Delta Lloyd heeft afgesloten.

4.4. De kantonrechter heeft de onderbewindstelling met ingang van 1 juli 2004 opgeheven en bepaald dat de bewindvoerder uiterlijk op 30 juli 2004 eindrekening en verantwoording diende af te leggen aan de rechthebbende. Voor het overige is het verzoek van [appellant] afgewezen.

4.5. [Appellant] komt in hoger beroep op tegen de afwijzing van zijn verzoek om [geintimeerde] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding.

De aangevoerde grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.6. [Appellant] stelt zich op het standpunt dat [geintimeerde] zijn taak als bewindvoerder niet naar behoren heeft verricht. Hij heeft in dit verband naar voren gebracht dat het afsluiten van de Meerkeuzeplanverzekering geen verantwoorde beheersdaad was, dit gelet op de omstandigheden in de onderhavige zaak, waaronder met name zijn geringe inkomen, welk inkomen nauwelijks genoeg was om de reeds lopende vaste lasten te betalen. Volgens [appellant] kan het afsluiten van de bedoelde verzekering niet als een gewone beheersdaad worden aangemerkt zodat het afsluiten slechts met zijn toestemming (of met machtiging van de kantonrechter) had mogen plaatsvinden.

4.7. [Geintimeerde] heeft dit standpunt bestreden. Hij stelt zich op het standpunt dat onder het "gewone beheer" van de onder bewind staande goederen ook moet worden begrepen het zorgen voor een financiële voorziening voor de toekomst, het creëren van een "appeltje voor de dorst". Volgens [geintimeerde] kon hij deze verzekering afsluiten zonder voorafgaande toestemming van [appellant].

4.8. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Ingevolge art. 1:441 lid 2 BW behoeft de bewindvoerder de toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter voor het (onder meer) beschikken en aangaan van overeen- komsten tot beschikking over een onder bewind staand goed, tenzij de handeling als een gewone beheersdaad kan worden beschouwd of krachtens rechterlijk bevel geschiedt.

4.9. Of het afsluiten van een verzekering als de onderhavige als een gewone beheersdaad kan worden aangemerkt hangt naar het oordeel van het hof af van de omstandigheden van het geval. Daarbij dient als maatstaf te gelden of een redelijk bekwaam en redelijk handelend bewindvoerder onder de gegeven omstandigheden het afsluiten van de desbetreffende verzekering als een gewone beheersdaad mocht aanmerken.

4.10. Naar het oordeel van het hof dient deze vraag in de onderhavige zaak ontkennend te worden beantwoord, waarbij met name de volgende omstandigheden van belang zijn:

- de onderbewindstelling was door [appellant] zelf aangevraagd met het oog op het verkrijgen van een lening ad f. 2.741,02 bij de GKB ten behoeve van de sanering van zijn schulden, zulks met een looptijd van 3 jaar. Weliswaar heeft [geintimeerde] -terecht- aangevoerd dat aan de onderbewindstelling geen tijdslimiet was verbonden, maar gegeven de achtergrond van de lening, die bij [geintimeerde] bekend was, had deze rekening moeten houden met de reële mogelijkheid dat de onder- bewindstelling na 3 jaar zou worden beëindigd;

- het inkomen van [appellant], een WAO-uitkering van E. 863,- netto per maand, was zodanig gering dat hij -na betaling van zijn vaste lasten- een huishoudgeld van E. 70,- per week overhield. Zijn inkomen was ontoereikend om de bewindvoerders- kosten te betalen; die kosten werden betaald door de gemeente als kosten van bijzondere bijstand. Een extra maandlast van E. 90,76 als gevolg van de afgesloten verzekering moet dan ook als onevenredig hoog worden aangemerkt;

- het belang dat [appellant] bij de onderhavige verzekering had was in zoverre gering, dat hij geen nabestaanden heeft, hetgeen aan [geintimeerde] bekend was, terwijl een terugval in inkomen bij het bereiken van zijn 65-jarige leeftijd niet viel te verwachten, gelet op het minimale inkomen dat [appellant] geniet en -naar verwachting- tot zijn 65-jarige leeftijd zal genieten. Hij heeft immers al sinds 1977 een WAO-uitkering ter hoogte van de bijstandsnorm zonder uitzicht op wijziging van die situatie.

Naar het oordeel van het hof mocht [geintimeerde] onder de hiervoor voormelde omstandigheden het afsluiten van de Meerkeuzeplanverzekering in redelijkheid niet als een gewone beheersdaad aanmerken, zodat daarvoor voorafgaande toestemming dan wel een machtiging van de kantonrechter vereist was. Dit betekent dat [geintimeerde] in de zorg van een goed bewindvoerder is tekort geschoten, welke tekortkoming hem, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, valt toe te rekenen. Ingevolge art. 1:444 BW is hij dan ook aansprakelijk voor de schade die [appellant] heeft geleden.

4.11. [Appellant] stelt dat zijn schade E. 830,42 bedraagt, namelijk het verschil tussen de door hem betaalde premies

(E. 2.496,72) en de door hem inmiddels (na beëindiging van de verzekering) ontvangen afkoopsom van E. 1.666,30.

4.12. Omtrent de gestelde schade is het hof van oordeel dat van [appellant] in redelijkheid niet gevergd kon worden dat hij na de beëindiging van de onderbewindstelling de Meerkeuzeplanverzekering zou continueren (al dan niet premievrij gemaakt). Zoals hierboven reeds is overwogen was het belang dat hij bij de bedoelde verzekering had slechts gering en daarbij komt dat door hem onweersproken is gesteld dat hij tijdens de duur van de onderbewindstelling "achterstanden" had opgelopen, in die zin dat hij niet in staat is geweest om kleding te kopen of iets aan te schaffen ten behoeve van zijn hobby's.

4.13. De berekening van het schadebedrag is door [geintimeerde] op zichzelf niet weersproken, zodat het in hoger beroep gewijzigde verzoek van [appellant] toewijsbaar is.

4.14. [Geintimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, aangezien hij in hoger beroep in het ongelijk is gesteld. Voor wat betreft de kosten van de eerste aanleg ziet het hof geen aanleiding voor een kosten-veroordeling aangezien in eerste aanleg meer aan de orde was dan de kwestie van de schadevergoeding en gelet op hetgeen overigens door de kantonrechter omtrent de verzoeken van [appellant] is beslist.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter Boxmeer d.d. 15 juni 2004 voorzover deze betrekking heeft op de verzochte schadevergoeding wegens het afsluiten door [geintimeerde] van de Meerkeuzeplanverzekering bij Delta Lloyd levensverzekering N.V. en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geintimeerde] om aan [appellant] terzake van schadevergoeding een bedrag te betalen van E. 830,42 (achthonderd en dertig euro en 42 eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 28 juni 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geintimeerde] in de kosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [appellant] worden begroot op E. 241,- voor verschotten en op E. 1.264,- voor salaris procureur, op de voet van het bepaalde in art. 243 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Etten, Van Soest-van Dijkhuizen en Katerberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 januari 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.