Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AS2652

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-01-2005
Datum publicatie
14-01-2005
Zaaknummer
R200400586
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

- Gezag: Het hof concludeert dat tussen partijen geen enkele communicatie mogelijk is en dat ook niet in de toekomst te verwachten is dat partijen als ouders van [de minderjarige dochter] met elkaar kunnen communiceren. Er is een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige doschter] klem of verloren zal raken tussen de ouders.

- Omgang: Gelet op de zeer belastende voorgeschiedenis (de strafrechtelijke veroordeling van de man wegens een jegens de vrouw gepleegd strafbaar feit) en gelet op het feit dat de man tot op heden geen enkel contact met zijn dochter heeft gehad, acht het hof een onderzoek door de raad naar de geschiktheid van de man om omgang met zijn dochter te hebben op zijn plaats (waarbij ook van belang is te onderzoeken in hoeverre de man in staat is een regelmatige omgang ook met zijn andere kinderen te onderhouden). Het hof acht het aangewezen een dergelijk onderzoek nú te doen, omdat naarmate de tijd verstrijkt [de minderjarige dochter] - die haar vader thans geheel niet kent- steeds ouder wordt en omgang steeds moeilijker te realiseren zal zijn.

- Voortgezet gebruik echtelijke woning: Het hof is van oordeel dat de feitelijke situatie inmiddels dermate is veranderd -de geboorte van [de minderjarige dochter], de bedreigingen en stalking van de vrouw, het feit dat de man hiervoor is veroordeeld, het feit dat de andere woning is verkocht- dat de man misbruik maakt van zijn recht uit artikel 9 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden, hoe dit ook moet worden uitgelegd, door de nakoming daarvan af te dwingen. Daarbij acht het hof het van belang dat de vrouw met [de minderjarige dochter] in de echtelijke woning woont, welke woning de vrouw bovendien in eigendom toebehoort. Voor het hof staat het buiten kijf dat in de gegeven omstandigheden samenwonen van partijen in deze woning onmogelijk is.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2005/40
JIN 2005/102

Uitspraak

13 januari 2005

Rekestenkamer

Rekestnummer R200400586

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[naam appellant],

wonende te [naam woonplaats],

appellant,

de man,

procureur mr. J. van Zinnicq Bergmann,

t e g e n

[naam geintimeerde],

wonende te [naam woonplaats],

geïntimeerde,

de vrouw,

procureur mr. J.E. Benner.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Breda van 27 april 2004, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 22 juli 2004, heeft de man het hof verzocht:

- voormelde beschikking te vernietigen en alsnog het verzoek tot het uitspreken van de echtscheiding af te wijzen, alsmede af te wijzen de beslissing dat het gezag over de minderjarige [naam minderjarige dochter], geboren te [geboorteplaats] op 24 augustus 2003, alleen aan de vrouw toekomt, en -voor zoveel nodig- te bepalen dat het gezag -indien de echtscheiding mocht worden uitgesproken- aan beide partijen toekomt,

- voorts af te wijzen de vordering van de vrouw dat zij jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning gelegen aan de [adres], te [postcode] Breda (en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken) voort te zetten gedurende zes maanden na inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand,

- en voorts te beslissen -dit geheel subsidiair- voor het geval het hof de echtscheiding mocht uitspreken c.q. de bestreden beschikking voor wat dit betreft mocht bekrachtigen, te bepalen dat de man gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, staande en gelegen aan de [adres] te Breda, gedurende een periode van twee jaar na de echtscheiding, conform de tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden;

- bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de vrouw aan de man dient te betalen een bedrag van E. 1.000,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, dit als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de man;

- bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de vrouw aan de man dient te betalen, onder vernietiging van de tussen partijen gesloten overeenkomst d.d. 20 juni 2003:

- een vergoeding voor de door de man verrichte arbeid aan de huizen aan de [adres] en de [A.-straat] te Breda, alsmede voor de door hem betaalde materiaalkosten;

- een bedrag van E. 38.000,- dat op de rekening van de vrouw staat, maar eigendom is van de man;

- een bedrag van E. 5.000,- zijnde het bedrag de man aan de vrouw heeft betaald voor de hardtop en wielen van de Porsche-personenauto;

- bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de vrouw aan de man dient terug te geven een ijskast, diepvriezer, zonnebank, vloerkleed en eettafel, althans de verdeling te bevelen van de gemeenschappelijke bezittingen van partijen met de benoeming van een notaris en onzijdige personen;

- kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 24 augustus 2004, heeft de vrouw verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn appèl en zijn verzoeken, althans zijn appèl en zijn verzoeken als ongegrond en onbewezen af te wijzen met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

2.3. Bij aanvullend beroepschrift, ingekomen ter griffie op 2 november 2004, heeft de man verzocht een omgangsregeling vast te stellen van om de week een weekend, alsmede de helft van de vakanties, in onderling overleg te bepalen.

2.4. Bij verweerschrift op het aanvullend beroepschrift, ingekomen ter griffie op 16 november 2004, heeft de vrouw verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn aanvullend verzoek, althans zijn aanvullend verzoek af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

2.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 november 2004. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun raadslieden gehoord, alsmede de vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).

2.6. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het eerste verweerschrift;

- het faxbericht met bijlagen van 15 november 2004 van de advocaat van de vrouw;

- het faxbericht met bijlage van 24 november 2004 van de advocaat van de vrouw.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 31 december 2002 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen is op 24 augustus 2003 te Breda de minderjarige [minderjarige dochter] hierna: [naam minderjarige dochter]) geboren.

4.2. Bij de bestreden beschikking is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is bepaald dat het gezag over [naam minderjarige dochter] voortaan aan de vrouw alleen toekomt. Voorts is bepaald dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning gelegen aan de [adres] te Breda en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

4.3. De man heeft hoger beroep ingesteld van de echtscheiding, de beslissing betreffende het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en van de gezagsbeslissing. Daarnaast heeft hij zelfstandige verzoeken ingediend aangaande het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, een omgangsregeling met [naam minderjarige dochter], de partneralimentatie en de boedelverdeling.

Rechtsmacht Nederlandse rechter

4.4. De vrouw bezit de Nederlandse nationaliteit. De man bezit de Israëlische en de Amerikaanse nationaliteit. Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg hadden beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland. De vrouw verblijft thans (nog steeds) in Nederland en het kind verblijft bij haar. De man heeft thans geen vaste woon- of verblijfplaats, maar wordt door het hof verondersteld in Nederland te verblijven (ter terechtzitting in hoger beroep heeft de man een voorlopige verblijfsvergunning bestemd voor Nederland getoond).

Ten aanzien van de rechtsmacht oordeelt het hof als volgt:

- Op grond van artikel artikel 2 lid 1 sub a van de EG-Verordening nr. 1347/2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen (hierna: Brussel II) is de Nederlandse rechter bevoegd om over het verzoek tot echtscheiding te oordelen, omdat de gewone verblijfplaats van beide partijen in Nederland is;

- Op grond van artikel 3 lid 1 Brussel II heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht ten aanzien van het gezag en de omgang, nu [naam minderjarige dochter] gewoonlijk in Nederland verblijft;

- Op grond van artikel 2 van de EG-verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-verordening/Brussel I) is de Nederlandse rechter bevoegd om over de partneralimentatie te oordelen, nu beide partijen in Nederland hun woonplaats hebben;

- Op grond van artikel 4 lid 3 Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht ten aanzien van de boedelverdeling en voorts ten aanzien van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen (artikel 4 lid 3 sub a Rv).

Toepasselijk recht

4.5. Ten aanzien van toepasselijk recht oordeelt het hof als volgt:

- Nu partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben en een gemeenschappelijk nationaal recht ontbreekt, dient op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht te worden toegepast (artikel 1 lid 1 sub b van de Wet Conflictenrecht Echtscheiding);

- In verband met het bepaalde in artikel 2 van het Haags Kinderbeschermings-verdrag 1961 dient Nederlands recht te worden toegepast op de gezagsvoorziening en de eventueel te bepalen omgangsregeling;

- Ingevolge het bepaalde in artikel 8 van het Haags Alimentatieverdrag 1973 is op het alimentatieverzoek Nederlands recht van toepassing;

- Op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 van het Haags Huwelijks-vermogensverdrag 1978 is ten aanzien van de boedelverdeling Nederlands recht als het recht van de staat van het eerste huwelijksdomicilie van toepassing, nu niet is gesteld of gebleken dat partijen een rechtsgeldige rechtskeuze hebben uitgebracht;

- Op het verzoek tot toekenning van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning wordt Nederlands recht toegepast omdat de echtelijke woning in Nederland is gelegen.

Ontvankelijkheid

4.6. De vrouw stelt dat de man ten aanzien van zijn zelfstandige verzoeken niet- ontvankelijk dient te worden verklaard. De man is in eerste aanleg niet ter zitting verschenen en heeft hiermee afstand gedaan van zijn zelfstandige verzoeken, aldus de vrouw. Volgens haar heeft de rechtbank terecht bepaald dat de man zijn verweer niet langer handhaaft en geen belang heeft bij diens verzoeken. Het hof is anders dan de vrouw van oordeel dat de man in hoger beroep in de echtscheidingsprocedure de gelegenheid heeft zijn standpunt te herzien en tevens nieuwe zelfstandige verzoeken terzake van nevenvoorzieningen te doen en acht de man derhalve ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

Echtscheiding

4.7. De man heeft zich in het beroepschrift tegen de echtscheiding verzet omdat hij van mening is dat een verzoening nog steeds tot de mogelijkheden behoort. Ter terechtzitting heeft de man zijn verzet tegen de echtscheiding echter ingetrokken. Het hof begrijpt hieruit dat de man zijn grief in deze niet langer handhaaft, zodat de man ten aanzien van zijn hoger beroep tegen de echtscheiding

niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Gezag

4.8. De man is van mening dat er geen enkele reden aanwezig is om uitsluitend de vrouw het gezag over [naam minder- jarige dochter] uit te laten oefenen. De vrouw voert aan dat de man haar vanaf maart 2003 heeft bedreigd en gestalkt, waarvoor zij naar een blijf-van-mijn-lijf-huis is gevlucht terwijl zij vijf maanden zwanger was, en dat hij haar personenauto heeft meegenomen. De man is op 6 juli 2004 veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voor- waardelijk, met een proeftijd van 2 jaar ter zake van bedreiging van de vrouw met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. Daarnaast is de man veroordeeld tot betaling van een civiele vordering van E. 419,- ter zake van vergoeding van de door de vrouw geleden schade als gevolg van de bedreigingen. De man stelt dat hij in hoger beroep is gegaan van deze veroordeling. De vrouw voert voorts aan dat de man de periode na de geboorte van [naam minderjarige dochter] (24 augustus 2003) tot het moment dat hij is opgepakt (20 maart 2004) geen enkele interesse in [naam minder- jarige dochter] heeft getoond en dit ook thans niet doet. De man heeft [naam minderjarige dochter] nog nooit gezien. Voorts is de relatie tussen de man en de vrouw, gelet op voornoemde bedreigingen en stalking, dusdanig verstoord dat de vrouw gezamenlijk gezag niet in het belang van [naam minderjarige dochter] acht. Daarnaast is de vrouw van mening dat de man niet in staat is om de verantwoording over [naam minderjarige dochter] te nemen. De man heeft volgens de vrouw meerdere kinderen in Nederland en één in Italië bij verschillende vrouwen. Met deze kinderen en moeders heeft hij volgens haar niet of nauwelijks contact. De man is vier weken geleden vrijgekomen en stelt dat hij [naam minderjarige dochter] voor het eerst twee weken geleden in het voorbijgaan heeft gezien. Hij is bereid zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van haar te nemen. Hij stelt wél contact te hebben met twee andere dochters van respectievelijk 6 en 7 jaar, de één op basis van een omgangsregeling en de ander op vrijwillige basis.

De raad heeft ter zitting aangevoerd geen opening te zien om de communicatie tussen de ouders op gang te brengen. Gelet op het verleden is het volgens de raad voorts zeer problematisch voor de moeder om gezamenlijk het gezag uit te oefenen.

Uit hetgeen tussen partijen is voorgevallen en uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen concludeert het hof dat tussen partijen geen enkele communicatie mogelijk is en dat ook niet in de toekomst te verwachten is dat partijen als ouders van [naam minderjarige dochter] met elkaar kunnen communiceren. Er is een onaanvaardbaar risico dat [naam minderjarige dochter] klem of verloren zal raken tussen de ouders. Gezamenlijk gezag acht het hof onder deze omstandigheden derhalve niet in het belang van [naam minderjarige dochter]. Het hof zal het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag afwijzen.

Omgang

4.9. De man wenst voorts een omgangsregeling met [naam minderjarige dochter], in het begin wellicht begeleid. De vrouw is van mening dat er op geen enkele wijze contact tussen de man en [naam minderjarige dochter] moet bestaan. [naam minderjarige dochter] weet niet wie haar vader is. De vrouw is niet in staat om met de man te communiceren, gelet op hetgeen tussen partijen is voorgevallen. Zij wijst er voorts op dat de man diverse strafrechtelijke procedures heeft lopen, geen vaste verblijfsvergunning en geen vaste woon- en/of verblijfplaats heeft en niet over financiële middelen beschikt om [naam minderjarige dochter] te verzorgen. Tevens vreest de vrouw dat de man [naam minderjarige dochter] na omgang niet zal terugbrengen.

Het hof oordeelt als volgt.

Uitgangspunt is dat een kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar hebben, tenzij sprake is van een ontzeggingsgrond als bedoeld in artikel 1:377a BW. Gelet op de zeer belastende voorgeschiedenis (de strafrechtelijke veroordeling van de man wegens een jegens de vrouw gepleegd strafbaar feit) en gelet op het feit dat de man tot op heden geen enkel contact met zijn dochter heeft gehad, acht het hof een onderzoek door de raad naar de geschiktheid van de man om omgang met zijn dochter te hebben op zijn plaats (waarbij ook van belang is te onderzoeken in hoeverre de man in staat is een regelmatige omgang ook met zijn andere kinderen te onderhouden). Het hof acht het aangewezen een dergelijk onderzoek nú te doen, omdat naarmate de tijd verstrijkt [naam minderjarige dochter] - die haar vader thans geheel niet kent - steeds ouder wordt en omgang steeds moeilijker te realiseren zal zijn. Indien de raad tot de conclusie komt dat de man geschikt is om omgang met [naam minderjarige dochter] te hebben, denkt het hof aan een instelling als Stichting Kompaan om de omgang te begeleiden en structuur te geven en daar plaats te laten vinden, nu de man geen vaste woon- en/of verblijfplaats heeft. Voor wat betreft de omgang zal het hof de behandeling van de zaak derhalve aanhouden, teneinde de raad in de gelegenheid te stellen voornoemd onderzoek uit te voeren.

Voortgezet gebruik echtelijke woning

4.10. De man is van mening dat hij, conform het bepaalde in artikel 9 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden, gerechtigd is om alleen gedurende twee jaar na de echtscheiding het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] voort te zetten. De bepaling is op verzoek van de man in de huwelijkse voorwaarden opgenomen.

De vrouw voert aan dat zij deze bepaling in de huwelijkse voorwaarde blind van liefde heeft ondertekend. Volgens haar was de bedoeling van de bepaling dat zij de man, indien het tot echtscheiding zou komen, nog maximaal twee jaar bij haar zou laten inwonen. De man stelt dat hij de bepaling zo heeft laten opnemen omdat de vrouw destijds twee huizen in haar bezit had en hij niet het risico wilde lopen om dakloos te worden. De vrouw stelt dat zij de tweede woning aan de [A.-straat] reeds in oktober 2003 met verlies heeft verkocht en dat zij de woning een half jaar daarvoor al verhuurde, omdat zij met haar salaris niet in staat was om twee woningen te financieren. Nu de relatie tussen partijen ernstig verstoord is en de man, vóór zijn detentie, veelvuldig ongewenst in of bij de woning verscheen, stelt de vrouw recht en belang te hebben bij het voortgezet gebruik van de woning. Bovendien heeft zij geen andere woonruimte beschikbaar waar zij met [naam minderjarige dochter] kan wonen. De man komt géén beroep toe op de genoemde bepaling van de huwelijkse voorwaarden, gelet op de meegenoemde gebeurtenissen, aldus de vrouw. Het hof vat dit verweer van de vrouw op als een beroep op misbruik van recht door de man.

Het hof is van oordeel dat de feitelijke situatie inmiddels dermate is veranderd -de geboorte van [naam minderjarige dochter], de bedreigingen en stalking van de vrouw, het feit dat de man hiervoor is veroordeeld, het feit dat de andere woning aan de Zandbergdwarsstraat reeds in oktober 2003 is verkocht- dat de man misbruik maakt van zijn recht uit artikel 9 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden, hoe dit ook moet worden uitgelegd, door de nakoming daarvan af te dwingen. Daarbij acht het hof het van belang dat de vrouw met [naam minderjarige dochter] in de woning aan de [adres] woont, welke woning de vrouw bovendien in eigendom toebehoort. Voor het hof staat het buiten kijf dat in de gegeven omstandigheden samenwonen van partijen in deze woning onmogelijk is. Het hof zal derhalve de verzoeken van de man op dit punt afwijzen en de bestreden beschikking voor wat betreft de bepaling over het voorgezet gebruik van echtelijke woning (en de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken) door de vrouw bekrachtigen.

Boedelverdeling

4.11. Partijen hebben op 20 juni 2003 ten overstaan van een notaris een overeenkomst getekend ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. De man betwist de geldigheid van de overeenkomst omdat hij deze onder dwang van de vrouw zou hebben moeten ondertekenen. Hij wenst de overeenkomst te vernietigen en een bedrag van E. 38.000,- te ontvangen van de vrouw, zijnde het bedrag dat de man op de rekening van de vrouw heeft gestort en dat zijn eigen geld betreft, aldus de man. Tevens wenst hij een bedrag van

E. 5.000,- te ontvangen voor onderdelen van een personenauto die hij zou hebben betaald, alsmede een vergoeding voor de door de man verrichte arbeid aan de twee huizen van de vrouw (het huis aan de [adres] en het huis aan de [A.-straat). Hij biedt uitdrukkelijk bewijs aan van zijn stellingen, in het bijzonder door het horen van getuigen.

De vrouw stelt dat geenszins sprake is geweest van dwang, de man heeft tussentijds de overeenkomst zelf nog aangepast. Volgens haar is de overeenkomst geldig tot stand gekomen. De vrouw betwist voorts de vorderingen van E. 38.000,- en E. 5.000,- en de door de man verzochte renovatievergoeding.

Het hof begrijpt dat de man met dwang heeft bedoeld te stellen misbruik van omstandigheden. De man heeft zijn stelling evenwel ook in hoger beroep in het geheel niet feitelijk onderbouwd. Aan het bewijsaanbod van de man komt het hof dan ook niet toe. Nog daargelaten of de man enig recht heeft op een vergoeding voor de renovatie van de twee huizen of de andere bedragen van de vrouw zou moeten ontvangen, heeft hij deze vergoeding/bedragen op geen enkele wijze nader geconcretiseerd. Het hof zal de verzoeken van de man tot vernietiging van de overeenkomst en tot toekenning van de diverse geldbedragen aan hem afwijzen.

4.12. Volgens de man heeft de vrouw nog in haar bezit een combi-koelkast/diep-vries, vloerkleed, zonnebank en eettafel, welke goederen eigendom zijn van de man. De vrouw erkent dat zij de combi-koelkast/diepvries en eettafel in haar bezit heeft en stelt dat zij reeds in eerste aanleg heeft aangegeven dat de man deze goederen kan ophalen. Zij stelt voorts dat de zonnebank van haar is en dat het vloerkleed is verkocht aan de nieuwe eigenaar van de woning aan de Zandbergdwarsstraat. Nu de man niet heeft aangetoond dat de zonnebank hem in eigendom toebehoort, het vloerkleed reeds is doorverkocht waardoor de vrouw niet (meer) in staat is om het kleed terug te geven, en de man de overige goederen bij de vrouw kan ophalen, is het hof van oordeel dat de verzoeken van de man op dit punt dienen te worden afgewezen. Het hof ziet voorts om dezelfde reden geen aanleiding om de verdeling te bevelen van de gemeenschappelijke bezittingen van partijen (met de benoeming van een notaris en onzijdige personen).

Partneralimentatie

4.13. De man stelt dat de vrouw aan hem dient te betalen een bedrag van E. 1.000,- als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud. De man stelt dat de vrouw hem sinds het huwelijk heeft onderhouden en dat hij van de vrouw afhankelijk is voor zijn levensonderhoud.

De vrouw betwist de behoefte van de man. Volgens haar dient de man in staat te worden geacht in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.

Voorts voert de vrouw aan dat zij niet over voldoende draagkracht beschikt om enige bijdrage in het levensonderhoud van de man te voldoen.

Nog daargelaten of de man behoefte heeft aan alimentatie, concludeert het hof dat de vrouw geen draagkracht heeft om enige bijdrage in het levensonderhoud van de man te betalen. Voor de bepaling van de financiële situatie van de vrouw is het hof uitgegaan van het bruto jaarsalaris zoals vermeld op de door de vrouw overgelegde jaaropgave 2003 (E. 31.663,-), een eigenwoningforfait van E. 810,- per jaar (0,85 % van de door de vrouw aangetoonde WOZ-waarde van de woning van E. 95.293,-) een hypotheekrente van E. 792,98 per maand (niet betwist), het forfait eigenaarslasten ad E. 95,- per maand, de op de vrouw van toepassing zijnde heffingskortingen, het normbedrag Wwb exclusief de woonkostencomponent voor een eenoudergezin (inclusief de maximale toeslag), premie ziektekosten van

E. 211,- per maand (niet betwist), een premie levensverzekering van E. 121,- per maand (niet betwist) en kosten aan kinderopvang van E. 360,75 per maand (niet betwist).

5. De beslissing

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de echtscheiding;

bekrachtigt de tussen partijen gewezen beschikking van de rechtbank te Breda van 27 april 2004 voor wat betreft het gezag, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning (en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken) en de proceskosten;

wijst af de verzoeken van de man in hoger beroep met betrekking tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, de partneralimentatie, de vernietiging van de overeenkomst d.d. 20 juni 2003 en de boedelverdeling c.a.;

verzoekt de raad om de geschiktheid van de man om omgang met zijn dochter te hebben, te onderzoeken. Indien de raad tot de conclusie komt dat de man geschikt is om omgang met [naam minderjarige dochter] te hebben, verzoekt het hof de raad voorts een instelling als Stichting Kompaan in te schakelen om de omgang te begeleiden;

verzoekt de raad het hof tijdig, in ieder geval vóór 31 mei 2005, door middel van een rapport te berichten omtrent het verloop van een en ander, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van het rapport aan de raadslieden van partijen;

verzoekt partijen binnen twee weken na ontvangst van voornoemd rapport van de raad hun standpunten aan het hof kenbaar te maken. Partijen dienen daarbij aan te geven of zij een verdere mondelinge behandeling gewenst achten;

houdt de beslissing inzake de omgang en de proceskosten in hoger beroep aan tot 31 mei 2005 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Van Teeffelen en Van der Velden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 13 januari 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.