Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AS6289

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-10-2004
Datum publicatie
17-02-2005
Zaaknummer
C0201041/MA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Scheiding gezamelijk huishouden. Een ander geschilpunt tussen partijen betreft de eigendom van de pony's.

[geïntimeerde] stelt dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de pony's omdat Kinnity (de moeder van de twee veulens) door hen beiden met gezamenlijk geld is gekocht, namelijk met de verkoopopbrengst van een tweetal paarden die partijen voordien in eigendom hadden. [appellant] stelt dat Kinnity aan hem is geleverd en door hem is betaald met privé-geld. De rechtbank heeft [geïntimeerde] in het gelijk gesteld en daarbij mede betekenis toegekend aan het feit dat op het stamboekdocument van Kinnity (aanvankelijk) beide partijen als eigenaar stonden vermeld. Het hof ziet aanleiding om, naar analogie van hetgeen in artikel 1:131 BW omtrent de huwelijkse situatie is bepaald, uit te gaan van het vermoeden dat Kinnity (en daarmee ook haar nakomelingen) gezamenlijk eigendom van partijen is. Partijen hadden immers een gezamenlijke financiële huishouding, een gezamenlijke hobby (paarden) en zijn Kinnity gezamenlijk gaan halen. [appellant] mag echter bewijzen dat Kinnity (en haar nakomelingen) wél zijn privé-eigendom is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. EH

rolnr. C0201041/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

negende kamer, van 12 oktober 2004,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaatsnaam],

appellant bij exploot van dagvaarding van

12 augustus 2002,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. N.J.W.M. de Leeuw,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaatsnaam],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. M.C.W. van der Zanden,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 16 mei 2002 tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie en eiser in reconventie.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg (zaaknr. 61311/HA ZA 001163)

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] 10 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en primair tot terugverwijzing naar de rechtbank en subsidiair tot toewijzing van

zijn vorderingen, zoals omschreven in zijn memorie van grieven.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk bepleit. Zij hebben bij akte op elkaars pleitnota gereageerd.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. Partijen hebben een relatie gehad en zij hebben van 1991 tot eind 1999 samengewoond. Op 16 april 1993 hebben zij op beider naam een woning gekocht aan de [adres] te [plaatsnaam]. De aankoop van de woning is grotendeels gefinancierd met een spaarhypotheek op beider naam. [appellant] heeft met een bedrag van ƒ. 10.833,37 uit eigen middelen bijgedragen aan de aankoop van de woning.

In 1994 is naast de woning een paardenstal gebouwd.

In 1996 is door partijen dan wel door [appellant] alleen een pony gekocht, een merrie met de naam Kinnity. Tijdens de samenwoning van partijen is uit Kinnity een veulen geboren, genaamd Dustin. Op het moment van het verbreken van de samenwoning van partijen was Kinnity opnieuw drachtig.

Na het uiteengaan van partijen is [appellant] in de gemeenschappelijke woning blijven wonen. De pony's zijn bij hem gebleven.

4.1.2. Tussen partijen zijn geschillen ontstaan over de financiële afwikkeling van hun samenleving. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat [appellant] aan haar de helft van de waarde van de gezamenlijke woning en van de spaarpolis, verminderd met de hypotheekschuld, dient te betalen, alsmede de helft van de waarde van de pony's, welke waarde door haar wordt geschat op. 14.000,-.

[appellant] stelt zich primair op het standpunt dat alle lasten met betrekking tot de gezamenlijke woning door hem zijn betaald, zodat de woning, de spaarpolis en de hypotheekschuld zonder enige verrekening aan hem dienen te worden toegescheiden. Subsidiair stelt hij, voor het geval wél een afrekening met [geïntimeerde] dient plaats te vinden, dat alle ter zake van de woning door hem betaalde bedragen verrekend dienen te worden.

Voor wat betreft de paarden stelt hij zich primair op het standpunt dat deze zijn eigendom zijn; subsidiair stelt hij dat hij zonder verrekening aanspraak kan maken op toedeling van de paarden omdat hij alle onderhoudskosten heeft betaald; meer subsidiair vordert hij de betaling door [geïntimeerde] van een bedrag van. 10.000,-, zijnde de helft van de beweerdelijk door hem betaalde onderhoudskosten voor de paarden.

[appellant] vorderde in eerste aanleg tevens de afgifte van een klokje en een PC.

4.1.3. De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep in conventie de woning, de hypotheekschuld en de spaarpolis toebedeeld aan [appellant] onder de verplichting om aan [geïntimeerde] € 32.433,62 te betalen met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2000. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de pony's gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn en deze toebedeeld aan [appellant], onder de verplichting om aan [geïntimeerde] € 3.176,46 te betalen met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2000. De rechtbank heeft voorts [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

In reconventie heeft de rechtbank aan [geïntimeerde] een bewijsopdracht gegeven met betrekking tot de PC en iedere verdere beslissing aangehouden.

4.1.4. Het hoger beroep richt zich tegen de hiervoor weergegeven beslissingen in conventie.

4.2. Partijen zijn het er, blijkens de inhoud van de stukken, over eens dat de woning [adres] te [plaatsnaam] met aanhorigheden, de hypotheekschuld en de daaraan gekoppelde spaarpolis, gemeenschappelijk eigen-

dom van partijen zijn. Zij zijn het er voorts over eens dat voor de verdeling uitgegaan dient te worden van de volgende bedragen:

- waarde van de woning met aanhorigheden: ƒ. 370.000,-

- waarde van de spaarpolis: ƒ. 18.781,94

- hypotheekschuld ƒ. 235.000,-.

Partijen zijn het er verder over eens dat de woning, de spaarpolis en de hypotheekschuld aan [appellant] toebedeeld dienen te worden.

4.3. [appellant] stelt zich primair op het standpunt dat die toedeling aan hem zonder verrekening dient plaats te vinden omdat alle eigenaarlasten met betrekking tot de woning door hem zijn betaald. Subsidiair stelt hij dat er verrekening dient plaats te vinden met de door hem gedane investeringen en betaalde eigenaarlasten.

De rechtbank heeft zowel het primaire als het subsidiaire standpunt van [appellant] verworpen, met dien verstande dat de rechtbank heeft aanvaard dat een bedrag van ƒ.10.833,37, zijnde het door [appellant] bij de aankoop van de woning betaalde bedrag, wordt verrekend.

De grieven 1, 2 en 7 zijn gericht tegen dit oordeel van de rechtbank.

4.4. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

In zijn antwoordconclusie na comparitie heeft [appellant] een specificatie gegeven van de eigenaarlasten die door hem volledig zijn betaald en waarvan hij verrekening wenst. Het gaat blijkens die specificatie om:

- hypotheekrente,

- premie spaarpolis,

- verzekeringpremie,

- gemeentelijke belastingen,

- waterschap- en zuiveringschaplasten,

- taxatiekosten en legeskosten.

Het hof is van oordeel dat deze kosten, met uitzondering van de premie spaarpolis, aangemerkt moeten worden als huishoudelijke kosten.

4.5. Ten aanzien van huishoudelijke kosten geldt, in samenlevingsrelaties als de onderhavige, dat beide partners in beginsel naar evenredigheid van hun inkomens in die kosten dienen bij te dragen, dit naar analogie met het bepaalde in artikel 1:84 BW.

Er is geen reden om in deze zaak van dit uitgangspunt af te wijken, temeer nu partijen zelf ook dit uitgangspunt hebben gehanteerd. [appellant] heeft vanaf het begin van de samenleving een beduidend hoger inkomen gehad dan [geïntimeerde] en tussen partijen was afgesproken dat [geïntimeerde] een bedrag van ƒ. 500,- per maand en [appellant] een bedrag van ƒ. 1.500,- per maand op een en/of rekening zou storten. Van die rekening werden de dagelijkse lasten betaald. [appellant] betaalde verder van een eigen rekening de eigenaarlasten van de woning.

4.6. Tijdens de samenwoning is [geïntimeerde] minder gaan werken. Eerst werd het aantal uren per week verlaagd naar 20 uur, en later naar 12 uur. Over de achtergrond van deze vermindering van werktijd verschillen partijen van mening, maar naar het oordeel van het hof kan die kwestie in het midden blijven. Relevant is slechts dat [appellant] heeft geaccepteerd dat [geïntimeerde] minder ging werken en dat [geïntimeerde] daardoor minder kon bijdragen in de huishoudelijke kosten.

Uit hetgeen door partijen bij gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg is verklaard concludeert het hof dat [geïntimeerde] naar vermogen heeft bijgedragen in de huishoudelijke kosten.

4.7. Het hof verwerpt het standpunt van [appellant] dat [geïntimeerde] ongerechtvaardigd is verrijkt als gevolg van de hiervoor bedoelde betaling van de eigenaarlasten van de gezamenlijke woning. Deze stelling houdt alleen al geen stand omdat er -zoals uit het voorgaande blijkt- een redelijke grond aanwezig was voor de betaling door [appellant] van de eigenaarlasten van de woning.

4.8. Het voorgaande betekent dat er geen grond bestaat voor het toedelen aan [appellant] van de gezamenlijke woning, de spaarpolis en de hypotheek zonder dat er enige verrekening hoeft plaats te vinden en evenmin voor toewijzing van zijn vordering tot van verrekening van betaalde eigenaarlasten.

4.9. Dit laatste ligt anders ten aanzien van door [appellant] gedane betalingen die kunnen worden aangemerkt als investeringen (uit privé-middelen) in gemeenschappelijk vermogen. Dit geldt voor de volgende betalingen van [appellant]:

a. het bedrag van ƒ. 10.833,37 dat door hem bij de aankoop van de woning is geïnvesteerd (partijen zijn het erover eens dat op dit punt verrekening dient plaats te vinden);

b. de premiebetalingen voor de spaarpolis (hieromtrent verschillen partijen van mening);

c. de bouwkosten van de stal (hieromtrent verschillen partijen eveneens van mening).

4.10. Omtrent de hiervoor onder b. genoemde betalingen

(de premiebetalingen voor de spaarpolis) overweegt het

hof het volgende.

Het hof verwerpt het standpunt van [geïntimeerde] dat ook deze premiebetalingen als huishoudelijke kosten moeten worden aangemerkt. Voorzover deze betalingen betrekking hebben op spaargeld leiden zij immers tot vermogensvorming, welk vermogen in de (beperkte) gemeenschap van partijen valt.

De maandelijkse verplichting tot premiebetaling ter zake van een dergelijke spaarpolis moet worden aangemerkt als een gemeenschapschuld. Nu deze gemeenschapschuld door [appellant] uit privé-middelen is voldaan dient verrekening plaats te vinden, zulks naar analogie van artikel 1:95 BW en in het licht van de redelijkheid en billijkheid die partijen als deelgenoten in de (beperkte) gemeenschap jegens elkaar in acht dienen te nemen.

4.11. Uit de door partijen verstrekte gegevens kan het hof niet afleiden wat de hoogte van de maandelijks door [appellant] betaalde spaarpremie is. Er worden wel maandbedragen genoemd, maar daarin is mogelijk een verzekeringsdeel opgenomen. Naar het hof bekend is, wordt in de regel een deel van de premie aangewend voor vermogensvorming (waaruit te zijner tijd de hypotheekschuld wordt afgelost) en een ander deel voor de bekostiging van de levensverzekering (een sommenverzekering die tot uitkering komt bij overlijden van een van der verzekerden en dient voor inlossing van de hypotheekschuld). Laatstgenoemde gedeelte van de premie is aan te merken als een post huishoudkosten (verteerde gelden die de belangen van beide partijen hebben gediend) en leent zich niet voor verrekening.

[appellant] dient op dit punt nader inlichtingen te verschaffen, onderbouwd met bewijsstukken. Hij zal dit kunnen doen bij memorie na enquête. [geïntimeerde] zal in de gelegenheid worden gesteld op die gegevens te reageren.

4.12. Omtrent de in 4.9. onder c. genoemde betalingen

(de bouwkosten van de stal) overweegt het hof het volgende.

Partijen zijn het erover eens dat in 1996 bij het huis

een paardenstal is gebouwd. Volgens [appellant] hebben de

bouwkosten (tekenkosten, legeskosten en materiaalkosten) in totaal ƒ. 50.618,- bedragen en volgens hem zijn deze kosten tot een bedrag van ƒ. 10.618,- rechtstreeks door hem betaald en tot een bedrag van ƒ. 40.000,- door middel van een lening van zijn vader. Volgens [appellant] is die lening door hem uit eigen middelen afgelost, te weten

ƒ. 11.500,- door een aflossing van ƒ. 500,- per maand

en het restant ad ƒ. 28.500,- uit een schenking van zijn stiefmoeder.

4.13. [geïntimeerde] heeft allereerst, bij gebrek aan wetenschap, betwist dat de bouwkosten van de stal. 50.618,- hebben bedragen. Het hof acht die betwisting ontoereikend, gelet op de gespecificeerde opgave van de kosten door [appellant] en gelet op de door hem overgelegde en gedeponeerde bewijsstukken.

Het hof gaat er dan ook van uit dat de bouwkosten van de stal ƒ. 50.618,- hebben bedragen.

4.14. [geïntimeerde] heeft voorts, eveneens bij gebrek aan wetenschap, betwist dat het bedrag van ƒ. 40.000,- dat partijen in 1994 van de vader van [appellant] hebben geleend, aan de bouw van de stal is besteed.

Ook deze betwisting acht het hof ontoereikend, nu door [geïntimeerde] op geen enkele wijze is aangegeven waaraan het geleende geld dan wél zou zijn besteed en evenmin hoe

de bouw van de stal is bekostigd, anders dan met behulp van het geleende geld.

4.15. Op grond van het voorgaande gaat het hof ervan uit dat [appellant] in ieder geval ƒ. 10.618,- uit privé-middelen heeft geïnvesteerd in de (gemeenschappelijke) stal. Of ook de overige bouwkosten (tot een bedrag van ƒ. 40.000,-) door hem met privé-middelen zijn bekostigd, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de lening van ƒ. 40.000,- is afgelost uit privé-middelen van [appellant] (standpunt [appellant]) dan wel uit gezamenlijke middelen (standpunt [geïntimeerde]). [geïntimeerde] stelt dat de maandelijkse aflossing op de lening van ƒ. 40.000,-, ten bedrage van ƒ. 500,- per maand niet door [appellant] privé maar uit gezamelijke middelen is betaald en zij betwist dat het restant van de lening ten bedrage van ƒ. 28.500,- door [appellant] uit een schenking van zijn stiefmoeder zou zijn betaald. Volgens [geïntimeerde] is het restant van de lening door de vader van [appellant] kwijtgescholden.

De bewijslast ter zake ligt, ingevolge artikel 150 Rv. bij [appellant]. Hij heeft aangeboden zijn standpunt te bewijzen

en het hof zal hem daartoe in de gelegenheid stellen.

4.16. Een ander geschilpunt tussen partijen betreft de eigendom van de pony's.

[geïntimeerde] stelt dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de pony's omdat Kinnity (de moeder van de twee veulens die respectievelijk tijdens en korte tijd na de samenwoning van partijen zijn geboren) door hen beiden met gezamenlijk geld is gekocht, namelijk met de verkoopopbrengst van een tweetal paarden die partijen voordien in eigendom hadden.

[appellant] stelt dat Kinnity aan hem is geleverd en door hem is betaald met privé-geld. De rechtbank heeft [geïntimeerde] in het gelijk gesteld en daarbij mede betekenis toegekend aan het feit dat op het stamboekdocument van Kinnity (aanvankelijk) beide partijen als eigenaar stonden vermeld.

De grieven 3,4 en 8 hebben betrekking op dit oordeel van de rechtbank.

4.17. Het hof ziet aanleiding om, naar analogie van hetgeen in artikel 1:131 BW omtrent de huwelijkse situatie is bepaald, uit te gaan van het vermoeden dat Kinnity (en daarmee ook haar nakomelingen) gezamenlijk eigendom van partijen is. Partijen hadden immers een gezamenlijke financiële huishouding, een gezamenlijke hobby (paarden) en zijn Kinnity gezamenlijk gaan halen.

[appellant] mag echter bewijzen dat Kinnity (en haar nakomelingen) wél zijn privé-eigendom is. Hij heeft bewijs van deze stelling aangeboden en het hof zal hem in de gelegenheid stellen dat bewijs te leveren.

4.18. Grief 5 heeft betrekking op de waarde van de pony's.

Deze grief hoeft uitsluitend te worden beoordeeld als vast komt te staan dat de pony's gemeenschappelijk eigendom zijn. Indien dit het geval is, dient te zijner tijd taxatie door een of meer deskundig(n) plaats te vinden.

Om een efficiënte procesgang te bevorderen verzoekt het hof partijen om in de memories na enquete op te geven of zij een taxatie door één dan wel meer deskundige(n) wenselijk achten. Zij dienen verder suggesties te doen ten aanzien van de persoon of de personen van de deskundige(n) en omtrent de vraagstelling.

4.19. Grief 6 heeft betrekking op de onderhoudskosten van de pony's. Ook deze grief is slechts van belang voor het geval vast komt te staan dat de pony's gemeenschappelijk eigendom zijn.

Voor dat geval overweegt het hof nu reeds dat deze onderhoudskosten als huishoudelijke kosten aangemerkt moeten worden. Hetgeen hiervoor onder 4.5. en verder is overwogen is van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent dat er voor verrekening van de onderhoudskosten geen

grond bestaat.

4.20. Het hof houdt de beslissing op de grieven 9 en 10, die betrekking hebben op respectievelijk de wettelijke rente en de proceskosten, aan tot het eindarrest in deze zaak.

5. De uitspraak

Het hof:

laat [appellant] toe te bewijzen

a. dat het door partijen in 1994 van zijn vader geleende bedrag, groot ƒ. 40.000,-, door hem uit zijn privé-middelen is terugbetaald, te weten een totaal bedrag van ƒ. 11.500,- door een maandelijkse aflossing van

ƒ. 500,- uit privé-middelen en het restant ad

ƒ. 28.500,- uit een schenking van zijn stiefmoeder;

b. dat de in 1996 gekochte pony Kinnity (en daarmee ook haar nakomelingen) zijn eigendom is;

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. N.J.M. van Etten als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 26 oktober 2004 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op woensdagen en vrijdagen in de maanden november en december 2004;

bepaalt dat de procureur van [appellant] bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de procureur van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

bepaalt dat partijen zich na de enquête bij memorie respectievelijk antwoordmemorie na enquête dienen uit te laten omtrent hetgeen hiervoor onder 4.11. en 4.18 is bepaald.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Drijkoningen

en Den Hartog Jager en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 12 oktober 2004.