Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AS3995

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-10-2004
Datum publicatie
27-01-2005
Zaaknummer
02/02207
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:AZ8511, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ8511
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is professioneel sporter van beroep. Op 3 januari 1999 heeft belanghebbende een verzoek om vrijstelling van belasting voor verhuisgoederen ingediend, en daarbij in het aanvraagformulier aangegeven dat die goederen werden overgebracht in verband met de overbrenging van zijn normale verblijfplaats naar Nederland. Tot de verhuisgoederen behoorden twee personenauto's. Belanghebbende heeft vraag 7c van het aanvraagformulier: 'Is tijdens het verblijf in het buitenland woonruimte in Nederland aangehouden en zo ja, waar?' ontkennend beantwoord. Bij beschikking van 17 februari 1999 heeft de Inspecteur onder nummer 3 een 'vergunning vrijstelling van BPM bij overbrenging' voor de personenauto afgegeven. Met gebruikmaking van de vergunning heeft belanghebbende de personenauto op 18 februari 1999 ter registratie aangegeven bij de douanepost Y.

De vergunning laat - buiten de gevallen van overtreding van de daarin genoemde voorwaarden, hetgeen hier niet aan de orde is - niet toe dat van de vergunninghouder BPM wordt geheven. Wenst de Inspecteur daartoe toch over te gaan, dan zal hij eerst de vergunning moeten intrekken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:30
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20
Algemene wet inzake rijksbelastingen 23
Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 4
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/11.1.13
FutD 2005-0194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/02207

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Douanedistrict P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Douane Z van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder nummer 1 met kenmerk 2 een naheffingsaanslag in de BPM opgelegd ten bedrage van fl. 14.503,= (€ 6.581,20); gelijktijdig met de aanslag is bij voor bezwaar vatbare beschikking een boete van 25% (fl. 3.626,= (€ 1.645,40)) opgelegd. Na daartegen gemaakt bezwaar is de aanslag gehandhaafd; de beschikking waarbij de boete is opgelegd, is vernietigd.

1.2. Belanghebbende is tegen de uitspraak op zijn bezwaarschrift in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 109,=. De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 4 maart 2004 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde, alsmede, de Inspecteur.

1.4. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende een geboorteakte, een uittreksel uit het bevolkingsregister van de gemeente Q in Italië, en een verklaring van A te R (Duitsland) overgelegd. Deze stukken zijn door de Griffier ter kennis van de Inspecteur gebracht. Namens de Inspecteur is ter zitting een pleitnota voorgedragen. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1. Belanghebbende is professioneel sporter van beroep.

Op 18 december 1996 diende hij bij de Inspecteur een verzoek om vrijstelling van BPM in, stellende dat zulks geschiedde ter zake van de overbrenging van zijn normale verblijfplaats van Duitsland naar Nederland. Dit verzoek werd door de Inspecteur afgewezen bij beschikking van 25 februari 1997. Het door belanghebbende daartegen ingediende bezwaarschrift werd niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende berustte daarin.

2.2. Belanghebbende heeft zich op 5 maart 1998 uit de bevolkingsadministratie van de gemeente Y laten uitschrijven. In 1998 was belanghebbende werkzaam bij de sportvereniging S te T (Duitsland). Hij trainde daar en nam deel aan de competitie. Daarnaast nam hij deel aan sporttoernooien in de hele wereld. De werkzaamheden berustten op een mondelinge overeenkomst met B te T. Aan belanghebbende stond een kamer ter beschikking in de woning van B aan het adres Astrasse 1. Op dit adres stond hij vanaf 23 december 1997 ingeschreven in de bevolkingsadministratie van T. Voorts kon hij gebruik maken van het appartement van een collega professioneel sporter aan het adres Am B 2 te T. In Nederland beschikte belanghebbende in 1998 over een gemeubileerd appartement aan het adres Bstraat 1 te Y. Daarnaast stond hem een kamer ter beschikking in de woning van zijn ouders aan het adres Bstraat 2 te Y. Zijn vader woont op laatstgenoemd adres, zijn moeder in Italië.

2.3. Omstreeks eind 1998 heeft belanghebbende zijn werkzaamheden bij vorengenoemde sportvereniging beëindigd. Op 29 december 1998 heeft hij zich uit de bevolkingsadministratie van de T laten uitschrijven. Op 31 december 1998 heeft hij zich in de bevolkingsadministratie van de gemeente Y, op het adres Bstraat 1, laten inschrijven.

2.4. Op 3 januari 1999 heeft belanghebbende een verzoek om vrijstelling van belasting voor verhuisgoederen ingediend, en daarbij in het aanvraagformulier aangegeven dat die goederen werden overgebracht in verband met de overbrenging van zijn normale verblijfplaats naar Nederland. Tot de verhuisgoederen behoorden twee personenauto's, te weten een BMW, type 325 TDS, met Duits kenteken 22 (hierna: de personenauto), en een Mercedes Benz, type 300 TD, met Duits kenteken 33.

Belanghebbende heeft vraag 7c van het aanvraagformulier:

'Is tijdens het verblijf in het buitenland woonruimte in Nederland aangehouden en zo ja, waar?'

ontkennend beantwoord. Bij beschikking van 17 februari 1999 heeft de Inspecteur onder nummer 3 een 'vergunning vrijstelling van BPM bij overbrenging' (hierna: de vergunning) voor de personenauto afgegeven. Met gebruikmaking van de vergunning heeft belanghebbende de personenauto op 18 februari 1999 ter registratie aangegeven bij de douanepost Y.

2.5. Naar aanleiding van een interview met belanghebbende, gepubliceerd in een dagblad van 2 maart 1999, rees bij de Inspecteur twijfel aan de juistheid van de door belanghebbende in zijn verzoek om vrijstelling verstrekte gegevens. Vervolgens is door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, vestiging Y (hierna: de FIOD), een strafrechtelijk onderzoek tegen belanghebbende ingesteld. Dit onderzoek heeft niet tot een strafvervolging geleid.

Wel heeft de Inspecteur uit de bevindingen van de FIOD geconcludeerd dat de vrijstellingsvergunning voor de personenauto ten onrechte is afgegeven. De vergunning is door de Inspecteur niet ingetrokken.

2.6. Op 7 juni 2001 heeft de Inspecteur de onder 1.1 genoemde naheffingsaanslag opgelegd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

I. Kon de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag opleggen, nadat hij bij de vergunning op de voet van artikel 14 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet BPM) juncto artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: het Uitvoeringsbesluit) een vrijstelling van BPM had verleend?

II. Zo vraag I bevestigend moet worden beantwoord: Voldoet belanghebbende aan de voorwaarden voor de in artikel 14 van de Wet BPM juncto artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit geregelde vrijstelling?

Belanghebbende stelt dat hij het aanvraagformulier voor de vrijstellingsvergunning naar eer en geweten heeft ingevuld, dat hij daadwerkelijk zijn normale verblijfplaats van Duitsland naar Nederland heeft overgebracht, dat de vergunning terecht is verkregen en dat daarop niet door naheffing kan worden teruggekomen. Hij beroept zich tevens op het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel.

De Inspecteur stelt dat belanghebbende zijn normale verblijfplaats nimmer in Duitsland heeft gehad, dat hij in het aanvraagformulier onjuiste gegevens heeft vermeld waardoor hij aan de inwilliging van zijn verzoek geen vertrouwen kan ontlenen, en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende is onderbouwd.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de onder 1.4 vermelde stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, kort weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende:

In de sportwereld wordt ervan uitgegaan dat de woonplaats/normale verblijfplaats daar is, waar de trainingsbasis is.

De Inspecteur:

Het komt weinig voor dat aanvankelijk vrijstelling wordt verleend en nadien toch naheffing plaatsvindt. De vergunning is in het onderhavige geval niet van toepassing; van overbrenging in de zin van de vergunning is geen sprake.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In de vergunning is onder meer vermeld:

'Deze vergunning geeft u toestemming de personenauto die hieronder staat gespecificeerd naar Nederland over te brengen onder vrijstelling van BPM'.

Een dergelijke vergunning is ingevolge artikel 4, vierde, juncto artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit aan te merken als een (voor bezwaar vatbare) beschikking in de zin van artikel 23 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

4.2. Aan de vergunning kon belanghebbende het recht ontlenen de personenauto onder vrijstelling van BPM naar Nederland over te brengen.

4.3. De vergunning laat - buiten de gevallen van overtreding van de daarin genoemde voorwaarden, hetgeen hier niet aan de orde is - niet toe dat van de vergunninghouder BPM wordt geheven. Wenst de Inspecteur daartoe toch over te gaan, dan zal hij eerst de vergunning moeten intrekken. De mogelijkheid een eenmaal genomen besluit in te trekken ligt besloten in artikel 3:30 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Ook artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek

(PB EG nr. L 302) opent de mogelijkheid een gunstige beschikking met terugwerkende kracht in te trekken, (onder meer) wanneer deze werd genomen op grond van onjuiste en onvolledige gegevens.

4.4. Vaststaat dat de Inspecteur de vergunning niet heeft ingetrokken, laat staan dat hij zulks heeft gedaan voor de datum waarop de personenauto naar Nederland is overgebracht, namelijk 18 februari 1999.

4.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat vraag I ontkennend moet worden beantwoord en dat de bestreden naheffingsaanslag niet in stand kan blijven.

4.6. Vraag II behoeft geen beantwoording meer.

5. Het griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, welke worden vastgesteld op 2 (aantal punten) x 1,5 (gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) x € 322,= (waarde per punt) = € 966,=.

7. Beslissing

Het Hof:

* verklaart het beroep gegrond,

* vernietigt de bestreden uitspraak en de naheffingsaanslag,

* gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 109,=,

* veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 966,=, en

* wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door A. Bijlsma, voorzitter, P. Fortuin en G.D. van Norden, en voor wat de beslissing betreft in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 5 oktober 2004

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 5 oktober 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.