Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AR7207

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-10-2004
Datum publicatie
08-12-2004
Zaaknummer
02/02581
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ingevolge de jurisprudentie inzake goed koopmansgebruik heeft de belanghebbende de mogelijkheid ten laste van haar winst ter zake van toekomstige uitgaven op basis van de feiten en omstandigheden ultimo 1999 een passiefpost op te nemen, indien die uitgaven hun oorsprong vinden in feiten en omstandigheden, die zich in de periode voorafgaande aan de balansdatum hebben voorgedaan en ook overigens aan die periode kunnen worden toegerekend, en ter zake waarvan een redelijke mate van zekerheid bestaat dat zij zich zullen voordoen (onder meer arrest van de Hoge Raad der Nederlanden, nummer 33 417, onder meer gepubliceerd in BNB 1998/409). Voor zover deze passiefpost in latere jaren te hoog of te laag blijkt te zijn dient de passiefpost op dat latere moment aan de winst te worden toegevoegd respectievelijk dient de passiefpost voor het meerdere ten laste van de winst te worden gebracht. Aldus had de belanghebbende moeten komen tot een vaststelling van haar belastbaar inkomen, haar premieinkomen voor de WAZ en haar vermogen en had zij aan haar aangifteverplichtingen kunnen voldoen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 9
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/8.1.4
FutD 2004-2269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/02581

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de in één geschrift vervatte uitspraken van het hoofd van de eenheid Ondernemingen B van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/ZZ van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van de belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op de bezwaarschriften betreffende na te melden aanslagen en de gelijktijdig daarmee bij beschikkingen opgelegde boete ex artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan de belanghebbende zijn voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekering opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 174.142,= en een aanslag in de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ) naar een premieinkomen van fl. 52.903,=. Voorts is aan de belanghebbende voor het jaar 2000 een aanslag in de vermogensbelasting opgelegd naar een vermogen van fl. 1.000.000,=. Tegelijkertijd met deze aanslagen heeft de Inspecteur op grond van artikel 67a van de AWR bij voor bezwaar vatbare beschikkingen een boete opgelegd van fl. 250,=. Deze aanslagen en deze beschikkingen zijn, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. De belanghebbende is tegen die uitspraken bij één beroepschrift in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van de belanghebbende een griffierecht geheven van € 29,=. De Inspecteur heeft bij drie verweerschriften het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft voor wat betreft de belasting met gesloten deuren en voor wat betreft de boeten in het openbaar plaatsgehad op 27 juni 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de belanghebbende, vergezeld van haar gemachtigde mr. G, verbonden aan L te C, alsmede, namens de Inspecteur, mr. P, verbonden aan vorengenoemd onderdeel van de rijksbelastingdienst.

1.4. De belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. De Inspecteur heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota doen toekomen aan het Hof en (door tussenkomst van de Griffier) aan de wederpartij. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. De belanghebbende exploiteert een tuinbouwbedrijf, waarbij asperges en rabarber worden geteeld. Zij maakt gebruik van een groot aantal tijdelijke werknemers.

2.2. In de jaren 1996, 1997 en 1998 heeft de belanghebbende een omzet gerealiseerd van respectievelijk fl. 460.000,=, fl. 442.000,= en fl. 658.000,=. De resultaten over deze jaren bedroegen respectievelijk fl. 11.000,= (positief), fl. 23.000,= (negatief) en fl. 82.000,= (positief). Het door de belanghebbende in die jaren aangegeven vermogen voor de vermogensbelasting bedroeg:

1 januari 1996 fl. 222.337,=

1 januari 1997 fl. 228.673,=

1 januari 1998 fl. 394.437,=

1 januari 1999 fl. 499.177,=

2.3. Op 12 februari 2000 is aan de belanghebbende een aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999, WAZ en vermogensbelasting 2000 uitgereikt. Voor het inleveren van dit biljet is uitstel verleend tot 1 maart 2001.

2.4. Omdat de belanghebbende het aangiftebiljet niet binnen de door de Inspecteur gestelde termijn heeft teruggestuurd, is er op 9 maart 2001 een aanmaning tot het doen van aangifte verstuurd. Hierop is geen reactie van de zijde van de belanghebbende gekomen.

2.5. Op 7 september 2001 is er een 'aankondiging op te leggen aanslag' aan de belanghebbende gestuurd. Hierin is verzocht het aangiftebiljet alsnog vóór 24 september 2001 in te dienen en is de belanghebbende gewezen op de zogenoemde 'omkering van bewijslast' als bedoeld in artikel 25, zesde lid, van de AWR.

2.6. Op 24 september 2001 is er bij de Belastingdienst B een faxbericht binnengekomen van Adviesburo V waarin wordt verzocht nogmaals uitstel te verlenen, nu tot 10 oktober 2001.

2.7. Op 26 september 2001 heeft de Inspecteur een brief gestuurd waarin wordt vermeld dat geen uitstel voor het indienen van de aangifte meer wordt verleend.

2.8. De Inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 ambtshalve vastgesteld naar een belastbaar inkomen van fl. 174.142,=. Bij het opleggen van deze aanslag is de Inspecteur ervan uitgegaan dat de omzetstijging - die zich in de jaren 1997 en 1998 heeft voorgedaan - zich ook in 1999 heeft doorgezet. Hij heeft ambtshalve een bedrag van fl. 250.000,= aan winst uit onderneming in aanmerking genomen. Voorts heeft hij bij het vaststellen van deze aanslag rekening gehouden met inkomsten van het LISV (ten bedrage van fl. 5.679,=) en te verrekenen verliezen uit voorgaande jaren (ten bedrage van fl. 81.537,=). Het belastbaar inkomen heeft hij aldus berekend op: fl. 250.000,= + fl. 5.679,= - fl. 81.537,= = fl. 174.142,=. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur rekening gehouden met een belastingvrije som van fl. 8.799,=. Bij het premiedeel van de aanslag heeft de Inspecteur een bedrag van premies volksverzekeringen berekend van fl. 14.235,= op basis van een premieinkomen van fl. 48.175,=.

2.9. De Inspecteur heeft per abuis de aanslag WAZ berekend naar een, gelet op (de samenstelling van) het belastbaar inkomen te laag, premieinkomen van fl. 52.903,=. Voorts heeft hij een bedrag van fl. 29.000,= in aanmerking genomen als inkomsten waarvoor de belanghebbende voor de WAO verzekerd zou zijn.

2.10. Bij het ambtshalve vaststellen van de aanslag vermogensbelasting 2000 is de Inspecteur uitgegaan van de stijgende lijn die het vermogen in de jaren 1996 tot en met 1999 laat zien. Hij heeft ambtshalve het vermogen vastgesteld op fl. 1.000.000,= en hij heeft een belastingvrije som in aanmerking genomen van fl. 200.000,=.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Dient ingevolge artikel 27e, aanhef, onderdeel a van de AWR het beroep in beginsel ongegrond te worden verklaard, en rust op de belanghebbende de bewijslast te doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn?

II. Dient ingevolge artikel 27e, aanhef, onderdeel b juncto artikel 47 van de AWR het beroep in beginsel ongegrond te worden verklaard, en rust op de belanghebbende de bewijslast te doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn?

III. Indien vraag I of II bevestigend moet worden beantwoord: Heeft de belanghebbende voldaan aan de op haar rustende bewijslast te doen blijken - dat wil zeggen overtuigend aangetoond - dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn?

IV. Indien vraag I of II bevestigend en vraag III ontkennend moeten worden beantwoord: Is de aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 1999 terecht opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 174.142,=?

V. Indien vraag I of II bevestigend en vraag III ontkennend moeten worden beantwoord: Is de aanslag WAZ 1999 terecht opgelegd naar een premieinkomen van fl. 52.903,=?

VI. Indien vraag I of II bevestigend en vraag III ontkennend moeten worden beantwoord: Is de aanslag vermogensbelasting 2000 terecht opgelegd naar een vermogen van fl. 800.000,=?

VII. Indien vraag I of II bevestigend en vraag III ontkennend moeten worden beantwoord: Is op de voet van artikel 67a van de AWR aan de belanghebbende terecht een boete van fl. 250,= per aanslag opgelegd wegens het niet doen van aangifte?

VIII. Indien vragen I en II ontkennend moeten worden beantwoord: Heeft de Inspecteur voldaan aan de op hem rustende bewijslast, dat de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999, WAZ 1999 en vermogensbelasting 2000 tot de juiste hoogte zijn vastgesteld en dat de boeten terecht zijn opgelegd?

IX. Dienen de uitspraken op bezwaar te worden vernietigd op grond van strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en op grond van het feit, dat de Inspecteur nagelaten heeft, zoals de belanghebbende stelt, een beslissing te nemen op het verzoek om nader uitstel te verlenen voor het doen van aangifte?

De belanghebbende is van oordeel dat de vragen I tot en met VIII ontkennend en vraag IX bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de onder 1.4 vermelde stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. De belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en tot vernietiging van de bestreden uitspraken.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1. Bij de beoordeling van het geschil dient te worden vooropgesteld dat het Hof van oordeel is, dat de Inspecteur de belanghebbende niet niet-ontvankelijk in haar bezwaar heeft verklaard, maar dat de Inspecteur in het dictum het bezwaar heeft afgewezen en de aanslagen, alsmede de boetebeschikkingen, heeft gehandhaafd. De derde volzin van de 'beoordeling van het bezwaar' in de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar beschouwt het Hof als een kennelijke verschrijving van de Inspecteur.

Vraag I

4.2. De belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij voor het onderhavige jaar geen aangifte kon doen aangezien het in de aangifte op te nemen bedrag van de in dat jaar behaalde winst uit onderneming niet kon worden bepaald in verband met de onzekerheden omtrent de te betalen loonbelasting ter zake van aan haar tijdelijke werknemers betaald loon. Zij wijst op de omstandigheid dat zij voor tijdelijke werknemers uit Polen en Turkije tewerkstellingsvergunningen heeft aangevraagd en stelt dat zij, zolang deze vergunningen niet waren afgegeven en over het afgeven van deze vergunningen nog procedures liepen bij de rechtbank 's-Gravenhage, haar winst uit onderneming niet definitief kon berekenen.

4.3. Ingevolge artikel 9 van de AWR was de belanghebbende, nadat zij op de voet van artikel 8 van de AWR door de Inspecteur was uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden binnen een door de Inspecteur gestelde termijn - welke door hem kan worden verlengd en ook daadwerkelijk is verlengd - aangifte te doen.

4.4. De stelling van de belanghebbende dat de behaalde winst uit onderneming niet kon worden bepaald in verband met de onzekerheden omtrent de te betalen loonbelasting, doet aan deze verplichting tot het doen van aangifte niet af. Goed koopmansgebruik, aan de hand waarvan de in een kalenderjaar genoten winst wordt bepaald (artikel 9 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964), schrijft in dit soort gevallen immers voor bij de bepaling van de winst uit onderneming door middel van een schatting rekening te houden met de onzekerheden omtrent de na 31 december 1999 te betalen loonbelasting. Ingevolge de jurisprudentie inzake goed koopmansgebruik heeft de belanghebbende de mogelijkheid ten laste van haar winst ter zake van toekomstige uitgaven op basis van de feiten en omstandigheden ultimo 1999 een passiefpost op te nemen, indien die uitgaven hun oorsprong vinden in feiten en omstandigheden, die zich in de periode voorafgaande aan de balansdatum hebben voorgedaan en ook overigens aan die periode kunnen worden toegerekend, en ter zake waarvan een redelijke mate van zekerheid bestaat dat zij zich zullen voordoen (onder meer arrest van de Hoge Raad der Nederlanden, nummer 33 417, onder meer gepubliceerd in BNB 1998/409). Voor zover deze passiefpost in latere jaren te hoog of te laag blijkt te zijn dient de passiefpost op dat latere moment aan de winst te worden toegevoegd respectievelijk dient de passiefpost voor het meerdere ten laste van de winst te worden gebracht. Aldus had de belanghebbende moeten komen tot een vaststelling van haar belastbaar inkomen, haar premieinkomen voor de WAZ en haar vermogen en had zij aan haar aangifteverplichtingen kunnen voldoen.

4.5. Nu vaststaat dat de belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan, vloeit uit artikel 27e van de AWR voort dat het Hof het beroep van de belanghebbende ongegrond verklaart, tenzij is gebleken - dat wil zeggen overtuigend is aangetoond - dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

4.6. Voor zover de belanghebbende in haar aanvulling van 6 augustus 2002 op het beroepschrift (vierde alinea van het laatste blad) het aanbod doet alsnog aangifte te doen met als doel de sanctie van artikel 27e van de AWR af te wenden, wordt dit aanbod tevergeefs gedaan. De sanctie van artikel 27e van de AWR kan immers niet aan haar doel beantwoorden, indien het een belastingplichtige vrij zou staan zich aan die sanctie te onttrekken door pas in beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur alsnog aangifte te doen. (In dit verband wijst het Hof op de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 14 juni 1989, nummer 25 349, onder meer gepubliceerd in BNB 1989/246, van 7 juni 1995, nummer 29 246, onder meer gepubliceerd in BNB 1995/231, van 23 december 1998, nummer 33 960, onder meer gepubliceerd in BNB 1999/78 en van 25 januari 2002, nummer 36 063, onder meer gepubliceerd in BNB 2002/136.)

4.7. Vraag I moet bevestigend worden beantwoord.

Vraag II

4.8. De Inspecteur heeft gesteld dat de belanghebbende niet heeft voldaan aan haar verplichting tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen als bedoeld in artikel 47, eerste lid, aanhef, onderdeel a, van de AWR.

4.9. Uit de door de Inspecteur overgelegde brieven aan de belanghebbende blijkt slechts, dat de Inspecteur verzocht om een (nadere) motivering van het bezwaarschrift en dat hij de belanghebbende alsnog in de gelegenheid heeft gesteld de aangiften in te zenden. Mitsdien heeft de Inspecteur geen gegevens en inlichtingen gevraagd. Hieruit volgt, dat er derhalve ook geen sprake van is, dat de belanghebbende niet aan haar verplichting ingevolge artikel 47, eerste lid, aanhef, onderdeel a, van de AWR zou hebben voldaan.

4.10. Vraag II dient ontkennend te worden beantwoord.

Vraag III

4.11. Het Hof is van oordeel dat met hetgeen de belanghebbende heeft aangevoerd, met name dat de Inspecteur wel nader uitstel voor het verlenen van de aangifte had moeten verlenen en dat de uitspraak wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel moet worden vernietigd, zij niet op overtuigende wijze heeft aangetoond dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

4.12. Vraag III dient ontkennend te worden beantwoord.

Vraag IV

4.13. Het Hof zal voorts beoordelen of de aan de belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen niet naar willekeur is vastgesteld en berust op een redelijke schatting. (In dit verband wijst het Hof op de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 22 februari 1989, nummer 25 424 , onder meer gepubliceerd in BNB 1989/145, van 4 juli 1989, nummer 25 846, onder meer gepubliceerd in BNB 1989/258, van 29 september 1993, nummer 28 400, onder meer gepubliceerd in BNB 1993/330, van 21 augustus 1996, nummer 29 457, onder meer gepubliceerd in BNB 1997/1, van 14 maart 2003, nummer 37 797, onder meer gepubliceerd in BNB 2003/198 en van 28 maart 2003, nummer 38 039, onder meer gepubliceerd in BNB 2003/203.)

4.14. Gelet op de onder punt 2.8 opgenomen feiten met betrekking tot de wijze waarop de Inspecteur het belastbare inkomen en het premieinkomen voor de volksverzekeringen heeft vastgesteld is het Hof van oordeel dat de hoogte van de aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen redelijk en niet willekeurig is berekend.

4.15. Vraag IV moet bevestigend worden beantwoord.

Vraag V

4.16. Het premieinkomen voor de WAZ is vastgesteld op fl. 52.903,=. Gelet op het hiervóór in 4.14 vermelde oordeel omtrent het belastbare inkomen, is het Hof van oordeel dat de aanslag WAZ eerder te laag dan te hoog is vastgesteld.

4.17. Vraag V moet bevestigend worden beantwoord.

Vraag VI

4.18. Met betrekking tot het door de Inspecteur vastgestelde vermogen is het Hof van oordeel, gelet op het vermogen per 1 januari 1999 en de jaren daarvóór, dat dit vermogen tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Dientengevolge dient het Hof zelf in goede justitie het vermogen vast te stellen. In goede justitie stelt het Hof het vermogen vast op fl. 650.000,= (onder toepassing van tariefgroep I).

4.19. Vraag VI dient ontkennend te worden beantwoord.

Vraag VII

4.20. Gelet op het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 27 juni 2001, nummer 35 889, onder meer gepubliceerd in BNB 2002/27, en artikel 27e, laatste volzin, van de AWR volgt uit het feit dat de belanghebbende geen aangiften heeft gedaan en het overwogene daaromtrent onder 4.4, dat ook met betrekking tot de boeten het beroep ongegrond dient te worden verklaard, tenzij gebleken is - dat wil zeggen overtuigend aangetoond - dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

4.21. In het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 13 augustus 2004, nummer 37 920, onder meer gepubliceerd in V-N 2004/40.7, is, voor zover te dezen relevant, het volgende overwogen:

'3.3. (...) Ingevolge artikel 67a AWR wordt het niet, dan wel niet binnen de gestelde termijn, doen van aangifte voor een bepaalde belasting of een bepaalde premie aangemerkt als een verzuim van de belastingplichtige waarvoor een boete kan worden opgelegd. Derhalve is indien voor meer belastingen of premies niet, of niet tijdig, aangifte wordt gedaan, sprake van evenzovele verzuimen. Dit is niet anders indien de te verstrekken gegevens met betrekking tot de verschillende belastingen of premies op één aangiftebiljet moeten worden vermeld, ongeacht of de verschillende aanslagen worden verenigd op één aanslagbiljet. Dit een en ander is in overeenstemming met de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 62, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (thans artikel 9.1, lid 3, Wet IB 2001), zoals weergegeven in de bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.4.2. De andersluidende opvatting van het Hof is niet juist.

3.4. Het gaat in artikel 67a AWR om een discretionaire bevoegdheid van de inspecteur. De inspecteur moet deze bevoegdheid uitoefenen met inachtneming van geschreven en ongeschreven rechtsbeginselen, waarvan hier van belang is het in artikel 3:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel. Dat beginsel brengt mee dat de boete niet onevenredig mag zijn in verhouding tot de ernst van de gedraging op grond waarvan zij is opgelegd. In een geval als het onderhavige, waarin een belastingplichtige die gegevens voor meer dan één heffing moet verstrekken dat dient te doen op één aangiftebiljet, zodat door het niet of te laat indienen van dat biljet meer dan één verzuim wordt gepleegd, brengt dat beginsel mee dat de op elk van die verzuimen gestelde sancties niet cumulatief behoren te worden toegepast.

In de regel zal in een dergelijk geval het opleggen van boeten tot een totaalbedrag ter grootte van de boete die volgens par. 21 van het BBBB 1998 voor één verzuim zou worden opgelegd

- indien de verzuimen niet dezelfde plaats in de verzuimenreeks innemen: het zwaarst te beboeten verzuim - tot een uitkomst leiden die recht doet aan de omstandigheid dat de verzuimen het gevolg zijn van het niet of te laat indienen van één en hetzelfde aangiftebiljet. Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding zijn tot een lichtere of zwaardere beboeting, waarbij artikel 4:84 Awb alsmede de paragrafen 44 en 45 van het BBBB 1998 van belang zijn.'.

4.22. Hieruit blijkt, dat de Inspecteur ten onrechte tegelijkertijd met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de aanslag WAZ en de aanslag vermogensbelasting bij drie voor bezwaar vatbare beschikkingen een boete van fl. 250,= heeft opgelegd.

4.23. Voorts is het Hof van oordeel, dat, gelet op het tijdsverloop tussen het onderzoek ter zitting op 27 juni 2003 en de uitspraak heden, de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.

4.24. De belanghebbende heeft overigens niet doen blijken - dat wil zeggen overtuigend aangetoond - dat sprake zou zijn van afwezigheid van alle schuld.

4.25. Gelet op het vorenstaande acht het Hof, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 3 oktober 2000, nr. 00775/99, NJ 2000/721, een boete van fl. 75,= met betrekking tot ieder van de drie aangiften passend en geboden.

4.26. Vraag VII moet ontkennend worden beantwoord; de tegelijkertijd met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de aanslag WAZ en de aanslag vermogensbelasting afgegeven beschikkingen van ieder fl. 250,= moeten worden verminderd tot ieder fl. 75,=.

Vraag VIII

4.27. Gelet op de bevestigende beantwoording van vraag I behoeft vraag VIII geen beantwoording.

Vraag IX

4.28. De belanghebbende heeft aangevoerd, dat de uitspraken op bezwaar moeten worden vernietigd omdat de Inspecteur in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel door een innerlijk tegenstrijdige uitspraak op bezwaar te doen en bovendien in die uitspraak na te laten een beslissing te nemen op het verzoek van de belanghebbende om uitstel voor het doen van aangifte.

4.29. Hoewel de belanghebbende kan worden toegegeven dat de motivering van de uitspraken op bezwaar als gevolg van de hiervóór in 4.1 bedoelde kennelijke verschrijving van de Inspecteur tot verwarring kan leiden, is de in het dictum vastgelegde beslissing op het bezwaar naar het oordeel van het Hof duidelijk. Derhalve is er, mede gelet op artikel 6:22 van de Awb, geen reden de uitspraken op bezwaar te vernietigen wegens een gebrek in de motivering van die uitspraak.

4.30. Met betrekking tot belanghebbendes stelling dat de Inspecteur in de uitspraken op bezwaar heeft nagelaten een beslissing te geven op het verzoek om nader uitstel te verlenen voor het indienen van de aangifte, overweegt het Hof als volgt. Vaststaat dat de belanghebbende op 24 september 2001, zijnde de laatste dag waarop de aangifte na eerder verleend uitstel kon worden ingediend, wederom een verzoek om uitstel heeft ingediend. Bij brief van 26 september 2001 heeft de Inspecteur de belanghebbende laten weten geen uitstel meer te verlenen. Het Hof stelt voorop dat een beslissing van de Inspecteur al dan niet (nader) uitstel te verlenen geen voor bezwaar vatbare beschikking is in de zin van artikel 23 van de AWR. Voorts komt de Inspecteur bij het al dan niet verlenen van uitstel een discretionaire bevoegdheid toe. De Inspecteur heeft, naar het oordeel van het Hof, van die bevoegdheid geen onredelijk gebruik gemaakt. Daarbij merkt het Hof op dat, indien de belanghebbende op de laatste dag van het eerder verleende uitstel wederom uitstel vraagt, het risico dat de Inspecteur dit verzoek afwijst voor rekening van de belanghebbende dient te komen. Gelet op het vorenstaande, had de Inspecteur op geen andere wijze dan door middel van de brief van 26 september 2001 behoeven te reageren op het verzoek om uitstel van 24 september 2001.

4.31. Belanghebbendes stelling, inhoudende dat de uitspraken op bezwaar moeten worden vernietigd omdat in strijd is gehandeld met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, faalt derhalve.

4.32. Vraag IX dient ontkennend te worden beantwoord.

Slotsom

4.33. Uit al vorenoverwogene volgt, dat het beroep ongegrond is met betrekking tot de uitspraak op bezwaar tegen:

* de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering;

* de aanslag WAZ;

en dat het beroep gegrond is met betrekking tot de uitspraak op bezwaar tegen:

* de aanslag vermogensbelasting;

* de tegelijkertijd met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking met betrekking tot de boete;

* de tegelijkertijd met de aanslag WAZ afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking met betrekking tot de boete;

* de tegelijkertijd met de aanslag vermogensbelasting afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking met betrekking tot de boete.

5. Griffierecht en proceskosten

5.1. Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient aan de belanghebbende het door haar betaalde griffierecht te worden vergoed.

5.2. Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1,5 (gewicht van de zaak) is € 966,=.

6. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep voor zover de aanslag vermogensbelasting betreffende gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak betreffende de aanslag vermogensbelasting;

- vermindert de aanslag vermogensbelasting tot een naar een vermogen van fl. 650.000,= onder toepassing van tariefgroep I;

- verklaart het beroep voor zover de tegelijkertijd met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking met betrekking tot de boete betreffende gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak betreffende de tegelijkertijd met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking met betrekking tot de boete;

- vermindert de tegelijkertijd met de aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekering afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking met betrekking tot de boete tot fl. 75,= (€ 34,03);

- verklaart het beroep voor zover de tegelijkertijd met de aanslag vermogensbelasting afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking met betrekking tot de boete betreffende gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak betreffende de tegelijkertijd met de aanslag vermogensbelasting afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking met betrekking tot de boete;

- vermindert de tegelijkertijd met de aanslag vermogensbelasting afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking met betrekking tot de boete tot fl. 75,= (€ 34,03);

- verklaart het beroep voor zover de tegelijkertijd met de aanslag WAZ afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking met betrekking tot de boete betreffende gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak betreffende de tegelijkertijd met de aanslag WAZ afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking met betrekking tot de boete;

- vermindert de tegelijkertijd met de aanslag WAZ afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking met betrekking tot de boete tot fl. 75,= (€ 34,03);

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- gelast dat aan de belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,=;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van de belanghebbende, vastgesteld op € 966,=; en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door P. Fortuin, voorzitter, G.D. van Norden en A.O. Lubbers, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 20 oktober 2004

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 20 oktober 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.