Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AR7183

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-10-2004
Datum publicatie
08-12-2004
Zaaknummer
03/00113
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking van 15 november 2002 terecht de verklaring heeft afgegeven dat de belanghebbende als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor verplichte ziekenfondsverzekering in 2003.

Wetsverwijzingen
Ziekenfondswet 3d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-2333
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/00113

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de aan de belanghebbende gezonden voor bezwaar vatbare beschikking met betrekking tot een verklaring verplichte ziekenfondsverzekering zelfstandigen voor het jaar 2003

Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 1 oktober 2004 te Tilburg.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de verweerder.

De belanghebbende is met bericht niet verschenen.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 15 oktober 2004, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De gronden voor de beslissing

1.In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking van 15 november 2002 terecht de verklaring heeft afgegeven dat de belanghebbende als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor verplichte ziekenfondsverzekering in 2003.

2. De belanghebbende heeft het volgende gesteld:

a. Per abuis is op het ingediende SO-biljet 2001 een belastbaar inkomen aangegeven van nul;

b. Het is onjuist dat in de zogeheten startersregeling ter beoordeling van de hoogte van het inkomen maar één jaar in ogenschouw wordt genomen;

c. In verband met het feit dat de belanghebbende per 1 maart 2003 directeurgrootaandheelhouder is geworden van A B.V. heeft de belanghebbende in het jaar 2003 geen winst uit onderneming genoten en is hij dientengevolge niet verplicht verzekerd voor het ziekenfonds in het jaar 2003.

3. Met betrekking tot de stelling van de belanghebbende zoals vermeld onder 2a is het Hof van oordeel dat de belanghebbende feiten noch omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit zou volgen dat hij bij het invullen van het SO-biljet 2001 per abuis een onjuist inkomen heeft vermeld. Ten overvloede overweegt het Hof dat de Inspecteur terecht is uitgegaan van de door de belanghebbende gegeven schatting en dat niet relevant is dat eventueel na de door de belanghebbende gegeven schatting het inkomen hoger bleek te zijn dan door hem geschat.

4. In het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 7 maart 2003, nr. 36 621, onder meer gepubliceerd in BNB 2003/248, wordt het volgende, voor zover te dezen van belang, overwogen:

"-3.5. De door het Hof vermelde omstandigheden - kort samengevat: dat de hantering van slechts één toetsjaar tot een uitkomst kan leiden die niet overeenkomt met de toetsing aan een meer duurzaam inkomensperspectief welke de wetgever voor ogen stond, dat zonder duidelijke grond niet zoals ten aanzien van in de jaren 1998, 1999 en 2000 gestarte zelfstandigen toetsjaren buiten de basisreferteperiode in aanmerking worden genomen, en dat de Regeling met betrekking tot het in aanmerking te nemen tijdvak en inkomen een gebrekkige uitwerking van de Wet bevat - zijn onvoldoende voor de conclusie dat de Regeling in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel; het Hof heeft ook niet aangegeven welk rechtsbeginsel hier zou zijn geschonden. Die omstandigheden zijn voorts, mede in aanmerking genomen dat de inhoud van de Regeling bij de parlementaire behandeling van de Wet aan de orde is geweest, onvoldoende voor de conclusie dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met de Regeling de haar in artikel 3d, lid 4, van de Wet gegeven bevoegdheid is te buiten gegaan. Voorzover in het middel hierop gerichte klachten liggen besloten, treft het mitsdien doel."

Met betrekking tot de stelling van de belanghebbende zoals vermeld onder 2b is het gelijk, gelet op de hiervoor geciteerde rechtsoverweging, aan de zijde van de Inspecteur.

5. Met betrekking tot de stelling van de belanghebbende zoals vermeld onder 2c is het Hof van oordeel dat, daargelaten of deze stelling doel treft, deze stelling slechts aan de orde kan komen in een procedure van de belanghebbende gericht tegen de aanslag premieheffing Ziekenfondswet 2003. In onderhavige procedure dient het Hof te beoordelen of de Inspecteur bij het afgeven van onderhavige beschikking op basis van de hem op 1 oktober 2002 ter beschikking staande gegevens terecht heeft verklaard dat de belanghebbende als zelfstandige voldeed aan de voorwaarden voor de verplichte ziekenfondsverzekering in 2003.

6. Uit het vorenstaande volgt, dat de Inspecteur op basis van de hem op 1 oktober 2002 ter beschikking staande gegevens terecht heeft verklaard dat de belanghebbende als zelfstandige voldeed aan de voorwaarden voor de verplichte ziekenfondsverzekering in 2003.

7. Het gelijk is aan de zijde van de Inspecteur. Voor dit geval is niet in geschil dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door P. Fortuin, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2004.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 18 oktober 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 51,=.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van € 204,50 verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.