Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AR7180

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2004
Datum publicatie
08-12-2004
Zaaknummer
02/02531
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is in het jaar 2000 gehuwd met mevrouw A. Zij hebben samen drie kinderen. Hun 13-jarige zoon B is meervoudig gehandicapt. In verband met deze handicaps verblijft hij elders in een particuliere kleinschalige woonvoorziening. Belanghebbende ontvangt voor B dubbele kinderbijslag. Belanghebbende betaalt voor dit verblijf, als bijdrage in de woonlasten, op jaarbasis per saldo ƒ 4.716,-- (ƒ 7.116,-- minus het vrij te besteden deel van een persoonsgebonden budget van ƒ 2.400,--).

Na de zitting is uitsluitend nog in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende terzake van de hiervoor bedoelde bijdrage in de woonlasten recht heeft op aftrek van buitengewone lasten in verband met uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit als bedoeld in artikel 46, eerste lid, aanhef en letter b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26
Wet algemene bepalingen 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-2286
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/02531

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zesde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde Inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur), op het bezwaarschrift betreffende de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000.

Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 oktober 2004 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, de Inspecteur. Na behandeling van de zaak heeft het hof heden, 26 oktober 2004, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

De gronden

1. Belanghebbende is in het jaar 2000 gehuwd met mevrouw A. Zij hebben samen drie kinderen. Hun 13-jarige zoon B is meervoudig gehandicapt. In verband met deze handicaps verblijft hij elders in een particuliere kleinschalige woonvoorziening. Belanghebbende ontvangt voor B dubbele kinderbijslag. Belanghebbende betaalt voor dit verblijf, als bijdrage in de woonlasten, op jaarbasis per saldo ƒ 4.716,-- (ƒ 7.116,-- minus het vrij te besteden deel van een persoonsgebonden budget van ƒ 2.400,--).

2. Na de zitting is uitsluitend nog in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende terzake van de hiervoor bedoelde bijdrage in de woonlasten recht heeft op aftrek van buitengewone lasten in verband met uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit als bedoeld in artikel 46, eerste lid, aanhef en letter b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

3. Ingevolge het bepaalde in artikel 46, eerste lid, aanhef en letter b van de Wet kunnen, voor zover hier van belang, op de belastingplichtige drukkende uitgaven terzake van ziekte en invaliditeit van een kind jonger dan 27 jaar als buitengewone lasten in mindering op het inkomen worden gebracht. Ingevolge de jurisprudentie (HR 15 juli 1986, nr. 23 045, BNB 1986/316, HR 22 juli 1985, nr. 23 155, BNB 1985/251 en Hof Den Haag, 10 juni 1987, nr. 2930/86, FED 1987/460) behoren tot deze uitgaven tevens de kosten van verblijf in een woonvoorziening voor gehandicapten onder aftrek van de kosten van de besparing van huisvesting. Op belanghebbende rust, aangezien hij degene is die de aftrek claimt, de bewijslast dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. De Inspecteur heeft de aftrek gemotiveerd betwist. Belanghebbende heeft in zijn stelling niet aangegeven in hoeverre het genoemde bedrag van ƒ 4.716,-- de bespaarde kosten van huisvesting overschrijdt. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het jaar 2000 meer uitgaven heeft gedaan dan het bedrag van de besparing.

4. Belanghebbende beroept zich tevens op het gelijkheidsbeginsel. Hij noemt als onderbouwing van zijn stelling slechts één geval waarbij de Inspecteur van de eenheid Ondernemingen Q, een andere eenheid dan de eenheid waaronder belanghebbende ressorteert, een dergelijke aftrek heeft toegestaan. Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van eenheidoverstijgende coördinatie van beleid op dit punt. Belanghebbende heeft evenmin voldoende feiten gesteld waaruit valt af te leiden dat sprake is geweest van begunstigend beleid binnen de eenheid Particulieren P, dan wel van een foute behandeling is toegepast in de meerderheid van de met zijn geval te vergelijken gevallen. Het hof verwerpt derhalve belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel.

5. Belanghebbende heeft tenslotte nog betoogd dat indien de aftrek zou worden geweigerd in feite een ontmoedigingsbeleid wordt gevoerd met betrekking tot particuliere woonvormen. Het hof verwerpt deze grief van belanghebbende gelet op artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 1822, 10 en Stb. 1829, 28), waarin is bepaald dat het hof in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen.

6. Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

De proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursecht.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door P. van der Wal, plaatsvervangend lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.J.J. van Oorschot, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2004.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 8 november 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 51,--.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van € 204,50 verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.