Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AR5877

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-10-2004
Datum publicatie
17-11-2004
Zaaknummer
20.003125.03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 17 december 2001 te Sweikhuizen, in de gemeente Schinnen, opzettelijk [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, met het oogmerk anderen, te weten [betrokkene 1], brigadier van de politie Sittard en/of [betrokkene 2], hoofdagent van de politie Sittard en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4], beiden brigadier van de politie Sittard en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6], beiden medewerker in dienst van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers, welke hem, verdachte, wilden afhalen uit het AZC Moorheide, te dwingen iets niet te doen, immers heeft hij, verdachte, zich met voornoemde [slachtoffer] ingesloten in een kamer van voornoemd AZC en voornoemde [slachtoffer] vastgehouden en omklemd (gehouden) (met een of beide arm(en)) en met een mes stekende bewegingen in de richting van het lichaam en de keel van voornoemde [slachtoffer] gemaakt, teneinde voornoemde personen te dwingen hem, verdachte (en/of diens gezin), niet uit het AZC Moorheide te verwijderen en hem, verdachte (en/of diens gezin), niet uit te zetten (uit Nederland);

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2005, 31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 20.003125.03

datum uitspraak: 27 oktober 2004

verstek

dnip;

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 19 augustus 2003 in de strafzaak onder parketnummer 03/005834-01 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Sovjetunie), op [geboortedatum],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 december 2001 te Sweikhuizen, in de gemeente Schinnen, opzettelijk één of meer perso(o)n(en), genaamd [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te weten [betrokkene 1], brigadier van de politie Sittard en/of [betrokkene 2], hoofdagent van de politie Sittard en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4], beiden brigadier van de politie Sittard en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6], beiden medewerker in dienst van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers, in elk geval één of meer perso(o)n(en) welke hem,

verdachte, wilde(n) afhalen uit het AZC Moorheide, te dwingen iets te doen of niet te doen, immers heeft hij, verdachte, zich met voornoemde [slachtoffer] ingesloten in een kamer van voornoemd AZC en/of voornoemde [slachtoffer] (stevig en/of met kracht) vastgehouden en/of omklemd (gehouden) (met een of beide arm(en) en/of met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen in de richting van het lichaam en/of de keel van voornoemde [slachtoffer] gemaakt, in elk geval een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, gericht gehouden naar het lichaam en/of de keel van voornoemde [slachtoffer], teneinde voornoemd(e) perso(o)n(en) te dwingen hem, verdachte (en/of diens gezin), niet uit het AZC Moorheide te verwijderen en/of hem, verdachte (en/of diens gezin), niet uit te zetten (uit Nederland);

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 17 december 2001 te Sweikhuizen in de gemeente Schinnen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft verdachte zich met dat opzet met voornoemde [slachtoffer] opgesloten in een kamer van het AZC Moorheide en/of voornoemde [slachtoffer] (stevig en/of met kracht) vastgehouden en/of omklemd (gehouden) (met een of beide arm(en);

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 17 december 2001 te Sweikhuizen in de gemeente Schinnen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend - terwijl hij, verdachte, die [slachtoffer] (stevig en/of met kracht) vasthield en/of omklemde (met een of beide arm(en)) - met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen gemaakt in de richting van het lichaam en/of de keel van die [slachtoffer], in elk geval een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, gericht gehouden naar het lichaam en/of de keel van voornoemde [slachtoffer];

meest subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen meiden, dat:

hij op of omstreeks 17 december 2001 te Sweikhuizen in de gemeente Schinnen, [betrokkene 1], brigadier van politie Sittard en/of [betrokkene 2], hoofdagent van politie Sittard en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4], beiden brigadier van politie Sittard en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6], beiden medewerker in dienst van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers, in elk geval een of meer perso(o)n(en) (welke hem, verdachte, wilde(n) afhalen uit het AZC Moorheide) door geweld en/of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of enige andere feitelijkheid gericht tegen [slachtoffer], wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden (te weten : hem, verdachte (en/of diens gezin), niet uit te zetten uit Nederland), immers heeft verdachte zich met voornoemde [slachtoffer] ingesloten in een kamer van voornoemd AZC en/of voornoemde [slachtoffer] (stevig en/of met kracht) vastgehouden en/of omklemd (gehouden) (met een of beide arm(en)) en/of met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen in de richting van het lichaam en/of keel van voornoemde [slachtoffer] gemaakt, in elk geval een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, gericht gehouden naar het lichaam en/of de keel van voornoemde [slachtoffer].

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 december 2001 te Sweikhuizen, in de gemeente Schinnen, opzettelijk [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, met het oogmerk anderen, te weten [betrokkene 1], brigadier van de politie Sittard en/of [betrokkene 2], hoofdagent van de politie Sittard en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4], beiden brigadier van de politie Sittard en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6], beiden medewerker in dienst van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers, welke hem, verdachte, wilden afhalen uit het AZC Moorheide, te dwingen iets niet te doen, immers heeft hij, verdachte, zich met voornoemde [slachtoffer] ingesloten in een kamer van voornoemd AZC en voornoemde [slachtoffer] vastgehouden en omklemd (gehouden) (met een of beide arm(en)) en met een mes stekende bewegingen in de richting van het lichaam en de keel van voornoemde [slachtoffer] gemaakt, teneinde voornoemde personen te dwingen hem, verdachte (en/of diens gezin), niet uit het AZC Moorheide te verwijderen en hem, verdachte (en/of diens gezin), niet uit te zetten (uit Nederland);

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Het hof overweegt in het bijzonder nog nader als volgt.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken:

- dat aan de verdachte op 15 maart 2000 een beschikking met het nummer 9812-15-2064 in persoon is uitgereikt, waarbij de door verdachte ingediende aanvraag om toelating als vluchteling in Nederland wegens kennelijke ongegrondheid is afgewezen;

-dat de opvangvoorziening voor de verdachte en zijn gezin in verband daarmee kon worden beëindigd;

Het hof is -met de eerste rechter- van oordeel dat de uitzetting uit het AZC Moorheide kan worden gezien als een eerste stap in de procedure tot uitzetting uit Nederland, overeenkomstig de door de steller van de tenlastelegging kennelijk aan die uitzetting uit het AZC gegeven betekenis.

Voorts is na onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep het navolgende komen vast te staan:

-dat verbalisanten [betrokkene 1] en [betrokkene 2], teneinde de uitzetting te effectueren zich met twee leden van het COA, de heren [betrokkene 6] en [betrokkene 5] en de brigadiers van politie [betrokkene 3] en [betrokkene 4] op maandag 17 december 2001 naar de betreffende kamer/woning van de verdachte begaven;

- dat zij in de kamer van de verdachte een hysterisch geschreeuw en gejammer hoorden en duidelijk hoorden dat een kind begon te huilen;

- dat de kamerdeur afgesloten bleek te zijn en door [betrokkene 6] met een moedersleutel werd geopend;

- dat verbalisant [betrokkene 2] een man in de deuropening zag verschijnen, die een kind om zijn middel vast had met zijn linker arm en dat hij zag dat het kind zich met de rug tegen de linker borst van de man bevond en dat hij zag dat de man in zijn rechterhand een mes vast had;

- dat hij zag dat de man met het mes, onder hysterisch geschreeuw diverse malen met het mes in de richting van het kind stak;

- dat de man hen, door zijn optreden, kennelijk duidelijk wilde maken dat hij het kind, dat hij in zijn arm hield, zou verwonden, c.q. doden, als zij, verbalisanten, de kamer zouden betreden;

- dat de vrouw van de verdachte, [naam], onder meer heeft verklaard dat het kind haar dochter is en op 20 september 1999 is geboren en genaamd is [slachtoffer];

- dat, toen de politie voor de deur stond, zij zag dat haar man een mes uit de kast van de kamer haalde en in zijn hand nam;

- dat zij zag dat hij zijn dochter in zijn andere arm nam;

- dat, toen haar man in een hand het mes had en in zijn andere arm hun dochter, de politie de deur open deed;

Het hof onderkent dat het betreffende kind, [slachtoffer], een leeftijd had waarop een kind in het algemeen nog niet zelfstandig van zijn wil (de vrijheid terug te krijgen) kan laten blijken.

Het hof is van oordeel dat verdachte, door zijn kind zodanig vast te pakken en met het mes stekende bewegingen in de richting van het lichaam van zijn kind te maken, zijn recht als vader, op beperking van de vrijheid van zijn kind, heeft overschreden.

Het hof overweegt dienaangaande dat de verdachte door zo te handelen - wat zijn onderliggende bedoelingen ook waren en ook al was hij de vader van het kind - zich meester heeft gemaakt van de persoon van het kind en zich daarvan heeft bediend op een wijze, zo zeer in strijd met de onmiskenbare belangen van het kind, dat van wederrechtelijke vrijheidsberoving van het kind moet worden gesproken.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 282a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de strafoplegging heeft het hof rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht;

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke verontrusting die daarvan het gevolg is;

Bij de straftoemeting heeft het hof in het voordeel van de verdachte er rekening mee gehouden dat:

- de verdachte terzake soortgelijke strafbare feiten nog niet eerder is veroordeeld;

- na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden inmiddels geruime tijd is verstreken;

- verdachte heeft gehandeld onder grote emotionele druk;

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht, maar de strafoplegging anderzijds dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c en 282a, van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

"Gijzeling";

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van drie maanden.

Beveelt dat de opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar niet schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering doorgebracht, bij de -eventuele- uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door Mr. Van der Kaaden, als voorzitter

Mrs. Lo-Sin-Sjoe en Ficq, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Dhr. De Bruijn, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 oktober 2004.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 06

tijd : 11.20

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Sovjetunie), op [geboortedatum],

,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande

Is bij vonnis van de rechtbank te Maastricht van 19 augustus 2003 ter zake van:

"Een ander door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, gericht hetzij die ander hetzij tegen derden, wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden";

veroordeeld tot:

gev. str. 3 mndn. VV prftd. 2 jrn. MAV;