Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AR4781

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2004
Datum publicatie
29-10-2004
Zaaknummer
R200400567
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij het minderjarige kind (10 maanden oud) van appellanten is ernstig lichamelijk letsel aangetroffen. Het kind is met spoed ondertoezicht gesteld en uithuis geplaatst.

De ouders willen dat het kind weer thuis komt wonen. De ouders stellen dat het letsel het gevolg is van huis- tuin- en keukenongelukjes. Het beroep wordt afgewezen.

Het hof verkort evenwel de machtiging uithuisplaatsing met een half jaar, omdat het hof het van het grootste belang acht dat zo spoedig mogelijk na de voltooiing van onderzoek naar de thuissituatie van het kind, opnieuw onderzocht wordt óf, en zo ja, onder welke hulp en begeleiding, het kind weer thuisgeplaatst kan worden, nu het gaat om een zeer jong kind dat zich bevindt in de hechtingsfase en waarbij het van belang is dat zo spoedig mogelijk duidelijkheid ontstaat over zijn toekomst en de mogelijkheden tot terugplaatsing bij zijn ouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak 26 oktober 2004

Rekestenkamer

Rekestnummer R200400567

GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[de vader]

en

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: de ouders,

procureur mr. F.T.I. Oey,

t e g e n

Raad voor de Kinderbescherming, te Eindhoven,

gevestigd te Eindhoven,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 5 juli 2004, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 17 juli 2004 hebben de ouders verzocht beide voormelde beschikkingen te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het kind weer bij de vader en moeder gaat wonen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 augustus 2004, heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg (hierna: de stichting) verzocht het hoger beroep van de ouders af te wijzen en de bestreden beschikkingen in stand te laten.

2.3. Gelet op de samenhang van beide zaken heeft het hof deze zaken gevoegd behandeld. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 september 2004. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders en hun advocaat;

- twee vertegenwoordigers van de raad;

- de vertegenwoordiger van de stichting.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het 1e gezinsvoogdijplan d.d. 1 juni 2004;

- het vervolg gezinsvoogdijplan d.d. 3 september 2004;

- de brief van de raad van 22 juli 2004, met als bijlage het raadsrapport d.d. 14 juni 2004;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 28 juni 2004.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit het huwelijk van partijen is op 12 juni 2003 de minderjarige [naam zoon] ([naam]) geboren. De ouders hebben het gezamenlijk gezag over [naam]. Op verzoek van de raad is door de kinderrechter te 's-Hertogenbosch op 9 april 2004 de voorlopige ondertoezichtstelling voor de duur van drie maanden uitgesproken en is machtiging verleend tot uithuisplaatsing in een ziekenhuis dan wel voor-ziening voor pleegzorg voor dezelfde termijn.

Bij de bestreden beschikkingen is [naam] ondertoezicht gesteld van de stichting tot 5 juli 2005 en is de machtiging uithuisplaatsing tot dezelfde datum verlengd.

4.2. De kinderrechter heeft - samengevat - het navolgende overwogen.

Bij [naam] is extreem lichamelijk geweld aangetroffen, hetgeen door drie artsen, onafhankelijk van elkaar is geconstateerd. Uit het strafrechtelijk onderzoek is niet duidelijk geworden wie de schuldige is aan deze kindermishandeling.

De kinderrechter acht, nu niet is gebleken wie verantwoordelijk is voor deze ernstige mishandeling, maar wel vaststaat, dat deze zich heeft voorgedaan in de omgeving waarin [naam] verkeerde, het risico voor [naam] te groot. De kinderrechter is van oordeel dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling zijn vervuld en dat het tevens in het belang van de verzorging en opvoeding noodzakelijk is dat [naam] uit huis wordt geplaatst.

De ouders komen in hoger beroep, zowel tegen de uitgesproken ondertoezichtstelling als tegen de machtiging tot uithuisplaatsing.

4.3. De ouders denken dat het oordeel van de kinderrechter berust op de rapportage van de raad. De ouders menen echter dat de conclusie van de raad dat hier sprake moet zijn van kindermishandeling niet juist is en zijn van mening dat de raad zich teveel laat beïnvloeden door de verklaringen van de doktoren.

De relatie tussen de ouders en hun kinderen is goed, zij ontkennen ten stelligste dat zij iets met het letsel van [naam]te maken hebben. Ze hebben geen verklaring voor dit letsel en hebben vreemd genoeg ook niets aan [naam] gemerkt. Het was voor hen dan ook een volkomen verrassing toen zij hoorden dat [naam] een schedelbasisfractuur had en botbreuken aan arm en benen. Ook grootmoeder die de bult op [naam]' hoofd ontdekte had niets ongewoons aan [naam] gemerkt. Hij kon gewoon in de box staan en zijn armen bewegen.

Anderhalve week voor de ziekenhuisopname is [naam] uit de kinderstoel gevallen en ongeveer een week voor de opname is hij tijdens een verjaardagsfeestje bijna op zijn hoofd gevallen. Dit is door mensen die in de buurt waren voorkomen door [naam] bij de armen te grijpen.

Ook is [naam] thuis van de glijbaan gevallen. Na al deze incidenten kon [naam] steeds gewoon lopen en zijn armen gebruiken. Niemand heeft iets ongewoons aan hem gemerkt. De ouders menen dat [naam] in hun gezin volkomen veilig is.

4.4. In het verweerschrift bestrijdt de stichting de stelling van de ouders dat [naam] in hun gezin veilig is. Omdat niet duidelijk is geworden waar en door wie de mishandeling heeft plaatsgevonden, is de stichting van mening dat herhaling binnen de gezinssituatie niet uit te sluiten is. Daardoor kan gesteld worden dat [naam] in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De ouders hebben [naam] in ieder geval niet tegen dit letsel kunnen beschermen. Met een ondertoezichtstelling alleen valt [naam]' veiligheid in het gezin niet te garanderen. Er moet nader onderzoek worden verricht naar de pedagogische mogelijkheden van de ouders, met name van de moeder, in verband met haar hersenletsel.

De stichting verzoekt dan ook de bestreden beschikking in stand te laten.

4.5. Tijdens de zitting stelde de advocaat van de ouders dat op basis van aan hem overgelegde medische rapportages zou blijken dat er geen sprake was van een schedelbasisfractuur, maar van een klein barstje in de schedel. Naar de mening van de advocaat -die tevens medicus is- betekent dit niets ernstigs. Naar zijn mening is de uitspraak van de radioloog dat het schedelfractuurtje zou kunnen duiden op kindermishandeling een zelfstandig leven gaan leiden en zijn de conclusies van de raad voorbarig. Het gaat volgens de advocaat om een harmonieus gezin en de raad had meer onderzoek dienen te verrichten naar de thuissituatie van [naam].

Ook de overige fractuurtjes kunnen door kleine ongevallen zijn ontstaan en zijn niet ernstig, aldus de advocaat. De conclusie van de raad dat het gaat om ernstig lichamelijk letsel is derhalve niet juist, aldus de advocaat.

De moeder meent ter zitting dat ze niet serieus wordt genomen en houdt het voor mogelijk dat [naam] op het kinderdag- verblijf letsel heeft opgelopen. Ze sluit zelfs niet uit dat het letsel is ontstaan, toen van [naam] foto's genomen werd in het ziekenhuis.

4.6. Het hof overweegt het volgende.

4.6.1. De stelling van de advocaat dat ten onrechte is aangenomen dat het letsel van [naam] ernstig was, is naar het oordeel van het hof een nieuwe grief die niet voldoende is onderbouwd. Het had op de weg van de advocaat van de ouders gelegen om deze stelling tijdig met medische bescheiden te onderbouwen, waartoe alle gelegenheid is geweest. Overigens is het hof niet gebleken dat er sprake zou zijn van gering letsel. Uit de gegevens die zijn opgenomen in het raadsrapport van 14 juni 2004 blijkt, naar het oordeel van het hof dat er sprake was van ernstig lichamelijk letsel bij [naam], dat niet kan zijn ontstaan door huis- tuin- en keukenongelukjes.

4.6.2. In het raadsrapport is vermeld dat door drie artsen onafhankelijk van elkaar naar het letsel van [naam] onderzoek is verricht. Naast een waar-schijnlijk recent ontstane schedelbasisfractuur rechts, werd een fractuur van het onderbeen (tibia aan beide zijden) en een fractuur van de onderarm rechts, die mogelijk enkele dagen oud was, ontdekt. De breuken aan de enkels zijn ook een teken van mishandeling. Volgens de kinderarts en de röntgenoloog was het letsel van [naam] typisch voor het aan de enkels trekken van het kind, waarbij het kind mogelijk met het hoofd op de grond gekomen is. De fracturen zijn op verschillende momenten ontstaan. Alle drie de artsen concludeerden dat de oorzaak van het letsel in verband moet worden gebracht met -ernstige- kinder-mishandeling. De fracturen zouden naar de mening van het ziekenhuis niet spontaan (dat wil zeggen niet door "huis- tuin- en keukenongelukken") kunnen zijn ontstaan. In een vroeg stadium van het onderzoek is daarbij de mogelijkheid van broze botten onderzocht.

Ter zitting bleek voorts dat vader de mogelijke verklaringen voor het letsel, zoals de val uit de kinderstoel, de val van de glijbaan en de val op het verjaardagsfeest in een telefoongesprek aan dr. [A.], vertrouwensarts van het AMK, heeft medegedeeld. Hierop reageerde dr. [A.] direct afwijzend.

Naar de mening van dr. [A.] kunnen de verklaringen die de ouders geven onmogelijk het letsel van [naam] opleveren.

4.6.3. Op grond van al het bovenstaande is het hof het met de rechtbank van oordeel dat onder deze omstandigheden voor de veiligheid van [naam] gekozen moet worden. Het hof is het dus eens met de beslissingen van de kinderrechter uit de rechtbank zowel ten aanzien van de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing.

4.7. Sinds 9 april 2004 verblijft [naam] in een pleeggezin. De ouders hebben wekelijks slechts 1 uur contact met [naam]. Het hof acht het van groot belang dat deze contactregeling uitgebreid wordt, zodat ouders en kind niet verder van elkaar vervreemden.

4.8. Ter zitting gaf de stichting aan dat er verder onderzoek is aangevraagd bij de forensisch psychologische dienst. Er zal neuro-psychologisch en neuro-psychiatrisch onderzoek bij moeder verricht gaan worden en er zal een interactieonderzoek komen naar de contacten tussen de ouders en [naam].

De stichting verwacht dat deze onderzoeken omstreeks 1 december 2004 afgerond zullen zijn.

Het hof is van oordeel dat het buitengewoon spijtig is dat deze onderzoeken niet al zijn verricht, nu het gaat om een zeer jong kind dat zich bevindt in de hechtingsfase, waarbij het van belang is dat zo spoedig mogelijk duidelijkheid ontstaat over zijn toekomst en de mogelijkheden tot terugplaatsing bij zijn ouders.

Het hof acht het daarom van het grootste belang dat zo spoedig mogelijk nadat de resultaten van voornoemde onderzoeken bekend zijn, opnieuw onderzocht wordt óf, en zo ja, onder welke hulp en begeleiding, [naam] weer thuisgeplaatst kan worden.

4.9. Op grond van al het bovenstaande zal het hof de machtiging tot uithuisplaatsing verkorten tot 1 januari 2005.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 5 juli 2004 met dien verstande, dat de looptijd van de machtiging tot plaatsing van voornoemde minderjarige in een voorziening voor pleegzorg wordt bekort tot 1 januari 2005;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Van Etten en Lohuis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 26 oktober 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.