Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AR4770

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2004
Datum publicatie
29-10-2004
Zaaknummer
R200400233
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet limitering alimentatie (oud geval)

Het feit dat de vrouw in de door de man genoemde jaren zelf (net) in de huwelijksgerelateerde behoefte kon voorzien, kan naar het oordeel van het hof niet leiden tot de conclusie dat de op zichzelf ingrijpende wijziging van het inkomen van de vrouw (beëindiging van de alimentatieverplichting zou het totale inkomen van de vrouw met meer dan 30% doen dalen) bij beëindiging van de onderhoudsbijdrage per 1 oktober 2003 als niet te ingrijpend moet worden beschouwd, althans niet als zo ingrijpend, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw kan worden gevergd. Ditzelfde geldt voor het feit dat de vrouw ettelijke jaren meer inkomen uit arbeid en alimentatie samen heeft genoten dan haar huwelijksgerelateerde behoefte, temeer nu daartegenover staat dat partijen zijn overeengekomen dat inkomen uit een bijbaan van de vrouw geen gevolgen zou hebben voor de hoogte van de alimentatie.

Dit leidt ertoe dat het verzoek van de man om de alimentatieplicht te beëindigen per 1 oktober 2003 moet worden afgewezen.

Nu evenwel de hoofdregel is dat de alimentatieplicht na 15 jaar of meer behoort te eindigen en de man recht heeft op zicht op eindigheid van zijn verplichting acht het hof de beide laatstgemelde omstandigheden (enige jaren zelf in behoefte voorzien; meer inkomen genoten dan behoefte) wel van zódanige betekenis ten opzichte van de overige in de beschikking vermelde omstandigheden, dat een gefaseerde afbouw van de alimentatieverplichting in de rede ligt. Met een gefaseerde afbouw wordt naar het oordeel van het hof recht gedaan aan de belangen van beide partijen.

De vrouw heeft verzocht om verlenging van de termijn tot 20 juli 2010, de datum waarop de vrouw 65 jaar wordt. Het hof acht een afbouw over deze duidelijk afgebakende periode reëel en in zoverre dient haar verzoek gehonoreerd te worden. De vrouw moet in staat worden geacht haar uitgavenpatroon in die periode geleidelijk aan te passen aan haar verminderende inkomsten.

Wetsverwijzingen
Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (limitering van alimentatie na scheiding)
Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (limitering van alimentatie na scheiding) II
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2005, 15
JIN 2005/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 oktober 2004

Rekestenkamer

Rekestnummer R200400233

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[Appellant],

wonende te [woonplaats], België,

appellant in het principaal appèl,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appèl,

de man,

procureur mr. M.H.A.J. Slaats,

t e g e n

[Geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appèl,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel appèl,

de vrouw,

procureur mr. G.E.F. Kenkel-van de Ven.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 13 februari 2004, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 6 april 2004, heeft de man het hof verzocht de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 13 februari 2004 te vernietigen en de alimentatieverplichting van appellant te beëindigen per 1 oktober 2003, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

2.2. Bij verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appèl, ingekomen ter griffie op 3 mei 2004, heeft de vrouw verzocht de man in zijn beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans dit af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen en voorts de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 13 februari 2004 te bekrachtigen, en subsidiair voor zover het hof zou menen dat de beschikking van de rechtbank te 's-Hertogenbosch d.d. 13 februari 2004 wel degelijk vernietigd dient te worden en een nieuw alimentatiebedrag bepaald dient te worden, deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Meer subsidiair, voor zover het hof zou menen dat het verzoek van de man gehonoreerd dient te worden en de bijdrage tot het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 oktober 2003 op nihil zou worden bepaald, wordt tevens aan het hof verzocht te bepalen, dat voor zover de man tot heden meer heeft betaald dan wel op hem is verhaald, van de vrouw in redelijkheid niet gevergd kan worden dat zij tot terugbetaling van het teveel ontvangene overgaat, nu uitkeringen tot levensonderhoud van maand tot maand plegen te worden verbruikt.

2.3. Bij verweerschrift tegen het voorwaardelijk incidenteel appèl, ingekomen ter griffie op 1 juni 2004, heeft de man verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in het voorwaardelijk incidenteel appèl, althans dat verzoek af te wijzen als zijnde ongegrond.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk appèl;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 15 december 2003,

- de brief d.d. 5 juli 2004 met bijlagen van de procureur van de man.

2.5. Het hof heeft geen kennisgenomen van de brief d.d. 12 juli 2004 met bijlagen van de procureur van de vrouw omdat de advocaat van de man tegen overlegging van die stukken in dit stadium van de procedure uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt.

2.6. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 juli 2004. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift en het verweerschrift tevens inhoudende incidenteel appèl.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 2 februari 1966 met elkaar gehuwd. Bij vonnis van voormelde rechtbank van 9 augustus 1988 werd de echtscheiding tussen hen uitgesproken en werd de door de man te betalen alimentatie voor de vrouw - conform het tussen partijen gesloten convenant - vastgesteld op fl. 1.500,= per maand, zijnde een bedrag van E. 1.036,46 per maand na indexering per 2004. Dat vonnis is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 29 augustus 1988.

4.2. Bij zijn inleidend verzoekschrift heeft de man verzocht de alimentatie met ingang van 1 oktober 2003 te beëindigen. In haar verweerschrift heeft de vrouw de rechtbank verzocht de man in dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, maar voor het geval de rechtbank tot limitering zou besluiten dit eerst te doen per 20 juli 2010, zijnde de datum waarop zij de 65-jarige leeftijd zal bereiken, met de mogelijkheid van verlenging.

4.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man tot limitering afgewezen. Zij bepaalde voorts dat de alimentatieverplichting eindigt op 20 juli 2010 en dat die termijn voor verlenging vatbaar is. Daartegen komt de man op, waarbij hij het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voorlegt en voorts - subsidiair - zijn verzoek vermeerdert in die zin dat hij het hof vraagt om toepassing van een beperkte afbouwregeling inhoudende dat de alimentatie zal eindigen per 1 oktober 2004. De vrouw heeft tegen de bestreden beschikking (voorwaardelijk) incidenteel geappelleerd.

4.4. De man betoogt in dit verband in zijn eerste grief dat van een huwelijks-gerelateerde behoefte van de vrouw geen sprake meer is, omdat de vrouw vanaf 1996 tot eind jaren negentig zelf volledig in haar huwelijksgerelateerde behoefte heeft kunnen voorzien en voorts dat de afname van het inkomen van de vrouw nadien geen verband meer houdt met het huwelijk en dus de huwelijksgerela-teerde behoefte niet doet herleven.

Anders dan de man in de toelichting op zijn eerste grief betoogt, heeft de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw juist berekend. Juist is ook de overweging van de rechtbank dat de vrouw, gelet op haar (geïndexeerde) behoefte in 2003 ad E. 1.413,23 netto, met haar (hiervoor gecorrigeerde) huidige inkomen van E. 995,18 netto per maand niet in die behoefte kan voorzien. Het hof passeert daarmee de stelling van de vrouw dat haar feitelijke behoefte hoger ligt, namelijk op E. 1.589,80 netto per maand, nu de vrouw deze behoefte niet heeft onderbouwd met in rechte geloof verdienende bescheiden.

Vraag is vervolgens of het feit dat de vrouw enige jaren zelf in haar huwelijks-gerelateerde behoefte heeft kunnen voorzien - hetgeen niet door de vrouw is weersproken - moet leiden tot de conclusie dat er thans in het geheel geen sprake meer is van een huwelijksgerelateerde behoefte.

Het hof beantwoordt deze vraag evenals de rechtbank ontkennend. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit de door de vrouw overgelegde stukken voldoende is gebleken dat de vrouw herhaaldelijk gedurende langere perioden ziek is geweest en ook nu nog in zekere mate beperkingen heeft. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat gelet daarop in redelijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd dat zij thans haar werkzaamheden uitbreidt en voorts dat de vrouw in redelijkheid van de deeltijd-VUT (50%), die een inkomensdaling van 9% met zich bracht, gebruik mocht maken.

Grief 1 van de man faalt in zoverre.

Wel acht het hof het gegeven dat de vrouw enige jaren zelf heeft kunnen voorzien in haar behoefte een omstandigheid waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling als bedoeld in 4.5.2.

De man heeft ter zitting overigens medegedeeld dat hij inmiddels een procedure tot vermindering van de alimentatie op grond van gewijzigde omstandigheden aanhangig heeft gemaakt.

4.5. In casu is er sprake van een zogenaamd "oud geval", dat wil zeggen dat de uitkering tot levensonderhoud, waarvan thans door de man beëindiging wordt verzocht, is vastgesteld vóór 1 juli 1994. Ingevolge art. II lid 2 van de wet van 28 april 1994 tot wijziging van bepalingen in het Burgerlijk Wetboek in verband met de regeling van de limitering van de alimentatie na scheiding (Stb. 1994, 324 en 325) hierna: Wet limitering na scheiding, is het uitgangspunt in een geval als het onderhavige dat de rechter de verplichting tot een uitkering tot levensonderhoud beëindigt, indien deze termijn tenminste vijftien jaar heeft geduurd. Dat is anders indien de beëindiging van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de onderhoudsgerechtigde kan worden gevergd.

Vast staat dat de man inmiddels meer dan vijftien jaar alimentatie aan de vrouw heeft voldaan. De vrouw heeft echter gesteld dat beëindiging van de alimentatieverplichting van de man voor haar zo ingrijpend zal zijn dat deze in redelijkheid van haar niet gevergd kan worden. Zij heeft verzocht de beëindiging in te laten gaan op 20 juli 2010, de datum waarop zij 65 jaar wordt, met de mogelijkheid tot verlenging van de termijn.

4.5.1. Het hof dient allereerst te beoordelen of de beëindiging van de alimentatie voor de vrouw ingrijpend is waarbij, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de situatie waarin de vrouw verkeert op het moment voor de beëindiging van de bijdrage tot levensonderhoud vergeleken moet worden met die waarin zij als gevolg van die beëindiging zal komen te verkeren. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij sedert 1 augustus 2003 naast de alimentatie een inkomen genereert van E. 574,05 netto per maand uit arbeid, nog te vermeerderen met vakantie-toeslag, aangevuld met een Vutuitkering van E. 391,= netto per maand, inclusief vakantietoeslag, totaal derhalve E. 995,18 inclusief vakantietoeslag netto per maand. De (voorwaardelijke) incidentele grief van de vrouw slaagt derhalve. Beëindiging van de alimentatieverplichting zou het totale inkomen van de vrouw met meer dan 30% doen dalen hetgeen voor de vrouw als ingrijpend moet worden beschouwd.

4.5.2. Vervolgens dient - gelijk de rechtbank heeft gedaan - te worden beoordeeld of die inkomensachteruitgang voor de vrouw van zo ingrijpende aard is, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd, rekening houdend met alle relevante omstandigheden aan de zijde van beide partijen.

Uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, kan het volgende worden afgeleid.

Partijen zijn in 1966 gehuwd. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren. Bij de geboorte van het eerste kind is de vrouw gestopt met werken en heeft zij zich aan de verzorging van dit kind en het nadien geboren kind gewijd. De kinderen zijn in overwegende mate door de vrouw verzorgd en opgevoed; er was sprake van een traditionele rolverdeling tijdens het huwelijk. Ten tijde van de echtscheiding in 1988 - het huwelijk heeft dus circa 22 jaar geduurd - was de vrouw 43 jaar en het jongste kind 17 jaar. De vrouw heeft geen opleiding genoten. De vrouw is kort na de echtscheiding gaan werken, aanvankelijk werkte zij één en later drie nachtdiensten per week bij [A.]. Sinds 1992 werkt zij bij [B.]; aanvankelijk had zij een contract voor bepaalde tijd en nadien voor onbepaalde tijd. In 1996 is de functie van de vrouw gewijzigd van regiomede-werkster in cateringmedewerkster en is zij 32,5 uren gaan werken. Per 1 augustus 2003 maakt de vrouw gebruik van de deeltijd-VUT (50%). Voor de - in hoger beroep niet bestreden - verdiensten van de vrouw in de jaren 1996 tot en met 2003 verwijst het hof naar de beschikking waarvan beroep, pagina 3. (Hierbij tekent het hof aan dat als bruto inkomsten over 1996 gelezen moet worden E. 1.593,= in plaats van E. 1.737,=. Laatstgenoemd bedrag berust waarschijnlijk op een rekenfout).

De man heeft - onbetwist, zie hiervoor - gesteld dat de vrouw van 1996 tot eind jaren negentig zelf in de huwelijksgerelateerde behoefte heeft kunnen voorzien.

Vastgesteld moet worden dat de vrouw vanaf 1996 een inkomen uit arbeid en alimentatie heeft genoten dat haar huwelijksgerelateerde behoefte (ruimschoots) heeft overschreden. Daartegenover staat dat partijen blijkens een bij het echtscheidingsconvenant behorend aanhangsel zijn overeengekomen dat inkomsten van de vrouw uit een bijbaan geen invloed zullen hebben op de overeengekomen alimentatie.

De man betaalt inmiddels ruim 16 jaar alimentatie.

4.5.3. De man heeft nog gesteld dat de vrouw in de periode na de echtscheiding tot 1996 geen noemenswaardige inspanningen heeft verricht om inkomsten uit arbeid te verwerven. Evenals de rechtbank passeert het hof deze stelling als omstandigheid waarmee rekening zou moeten worden gehouden. De man heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft, ook naar het oordeel van het hof, er blijk van gegeven dat zij zich steeds voldoende heeft ingespannen om naar vermogen inkomen uit arbeid te verwerven.

Het hof houdt evenmin rekening met hetgeen de vrouw heeft gesteld omtrent de schulden van haar gokverslaafde zoon en de daarvoor door haar aangegane leningen. Gelet op de betwisting door de man heeft de vrouw een en ander onvoldoende onderbouwd.

Evenmin kan rekening gehouden worden met de stelling van de vrouw dat zij geen pensioen heeft kunnen opbouwen. Niet alleen blijkt uit de overgelegde salarisspecificaties dat de vrouw pensioen heeft opgebouwd, ook moet gelet op de stellingen van de vrouw worden aangenomen dat zij ingevolge het arrest Boon/Van Loon recht heeft op een deel van het door de man opgebouwde pensioen. De vrouw heeft niets gesteld omtrent de omvang van een eventueel pensioentekort aan haar zijde.

De man heeft (nagenoeg) niets onderbouwd gesteld omtrent zijn financiële situatie/draagkracht. De man heeft wel gesteld dat hij gelet op zijn alimentatieverplichting niet in de gelegenheid is om met vroegpensioen te gaan per 1 oktober 2004, in verband waarmee de man een brief van SFB-pensioenen B.V. heeft overgelegd waaruit volgt dat de man een bruto vroegpensioen zou kunnen ontvangen van E. 3.034,74 bruto per maand per genoemde datum. Nu echter niet duidelijk is of de man van die regeling gebruik zal maken/heeft gemaakt en nu de overige financiële gegevens van de man in het geheel niet kenbaar zijn, kan het hof met een en ander geen rekening houden.

4.6. Rekening houdend met het vorenoverwogene, in onderling verband en samenhang beschouwd, komt het hof tot de volgende conclusie. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de traditionele rolverdeling ten tijde van het huwelijk in combinatie met het feit dat de vrouw geen opleiding heeft genoten ertoe heeft geleid dat de vrouw na het huwelijk op 43-jarige leeftijd aangewezen was op ongeschoolde arbeid en dat haar verdiencapaciteit door het 22-jarige huwelijk is beïnvloed. Niet mag of kan worden verwacht dat de vrouw haar werkzaamheden thans nog zal kunnen uitbreiden.

Het feit dat de vrouw in de door de man genoemde jaren zelf (net) in de huwelijksgerelateerde behoefte kon voorzien, kan naar het oordeel van het hof niet leiden tot de conclusie dat de op zichzelf ingrijpende wijziging van het inkomen van de vrouw (zie 4.5.1.) bij beëindiging van de onderhoudsbijdrage per 1 oktober 2003 als niet te ingrijpend moet worden beschouwd, althans niet als zo ingrijpend, dat dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw kan worden gevergd. Ditzelfde geldt voor het feit dat de vrouw ettelijke jaren meer inkomen heeft genoten dan haar huwelijksgerelateerde behoefte, temeer nu daartegenover staat dat partijen zijn overeengekomen dat inkomen uit een bijbaan van de vrouw geen gevolgen zou hebben voor de hoogte van de alimentatie. Dit leidt ertoe dat het verzoek van de man om de alimentatieplicht te beëindigen per 1 oktober 2003 moet worden afgewezen. In zoverre falen de grieven 2 en 3 van de man.

4.6.1. Nu evenwel de hoofdregel is dat de alimentatieplicht na 15 jaar of meer behoort te eindigen en de man recht heeft op zicht op eindigheid van zijn verplichting, acht het hof beide laatstgemelde omstandigheden (enige jaren zelf in behoefte voorzien; meer inkomen genoten dan behoefte) wel van zódanige betekenis ten opzichte van de overige sub 4.5.2. vermelde omstandigheden, dat een gefaseerde afbouw van de alimentatieverplichting in de rede ligt, zoals door de man is voorgesteld in zijn derde grief en in zoverre slaagt die grief dan ook.

De ingrijpendheid van de beëindiging van de alimentatie wordt daarmee weggenomen, nu de vrouw zich immers geleidelijk kan aanpassen aan een lager inkomen. Met een gefaseerde afbouw wordt naar het oordeel van het hof recht gedaan aan de belangen van beide partijen.

De vrouw heeft verzocht om verlenging van de termijn tot 20 juli 2010, de datum waarop de vrouw 65 jaar wordt. Het hof acht een afbouw over deze duidelijk afgebakende periode reëel en in zoverre dient haar verzoek gehonoreerd te worden. De vrouw moet in staat worden geacht haar uitgavenpatroon in die periode geleidelijk aan te passen aan haar verminderende inkomsten. Voor de duur dat de onderhavige procedure heeft gelopen zal het hof, anders dan de man wenst, nog geen afbouw toepassen, doch deze eerst in laten gaan op 1 november 2004 en wel als volgt:

- met ingang van 1 november 2004 wordt de alimentatie bepaald op E. 750,= per maand;

- met ingang van 1 november 2006 op E. 500,= per maand;

- met ingang van 1 november 2008 op E. 250,= per maand;

- met ingang van 20 juli 2010 vervalt de alimentatieplicht van de man.

De termijn tot 20 juli 2010 is derhalve niet verlengbaar.

De wettelijke indexering is niet op voormelde bedragen van toepassing, gelet op het karakter van de afbouwregeling.

Gelet op het vorenoverwogene behoeft het meer subsidiaire verzoek van de vrouw in voorwaardelijk incidenteel appel geen behandeling. Er is immers niet aan de voorwaarde voor behandeling - te weten nihilstelling van de alimentatie per 1 oktober 2003 - voldaan. Het subsidiaire verzoek van de vrouw in voorwaardelijk incidenteel appel tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal gehonoreerd worden.

4.6. De beschikking van de rechtbank zal worden bekrachtigd voor zover daarbij het verzoek van de man tot beëindiging van de alimentatieverplichting per 1 oktober 2003 is afgewezen, voor zover daarbij is bepaald dat de alimentatie-verplichting eindigt op 20 juli 2010 en voor zover de proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd. Voor het overige dient die beschikking te worden vernietigd en dient te worden beslist als hierna is vermeld.

4.7. De kosten van het hoger beroep tussen partijen zullen worden gecompenseerd, nu partijen ex-echtelieden zijn.

5. De beslissing:

Het hof:

In principaal en voorwaardelijk incidenteel appel:

Vernietigt de beschikking waarvan beroep behoudens voor zover daarbij het verzoek van de man tot beëindiging van de alimentatieverplichting per 1 oktober 2003 is afgewezen, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de alimentatie-verplichting eindigt op 20 juli 2010 en voor zover het de proceskosten-compensatie betreft,

in zoverre opnieuw rechtdoende:

Bepaalt dat de voormelde termijn, die eindigt op 20 juli 2010, niet verlengbaar is;

Verstaat dat de man over de periode tot 1 november 2004 de op basis van het convenant en de echtscheidingsbeschikking van 9 oktober 1988 geldende bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (thans E. 1.036,46 per maand) verschuldigd blijft;

Bepaalt dat de man nadien de volgende bedragen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de vrouw verschuldigd is:

- over de periode van 1 november 2004 tot 1 november 2006 een bedrag van

E. 750,= per maand;

- over de periode van 1 november 2006 tot 1 november 2008 een bedrag van

E. 500,= per maand;

- over de periode van 1 november 2008 tot 20 juli 2010 een bedrag van E. 250,= per maand,

voor zover het de nog niet verschenen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

Sluit de wettelijke indexering over voormelde bedragen van E. 750,=, E. 500,= en

E. 250,= uit;

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst af het meer of anders verzochte;

Compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen zodanig, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lamers, Smeenk-van der Weijden en Stollenwerck en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 26 oktober 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.