Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AR4679

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-10-2004
Datum publicatie
28-10-2004
Zaaknummer
KG C0400237-HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Voor zover de latere afstand waar [geïntimeerde] zich wellicht ook op heeft beroepen, gezien zou moeten worden als een eenzijdige ongerichte rechtshandeling, overweegt het hof dat ook dan aan [geïntimeerde] geen bescherming (art. 3:36 BW) toekomt, aangezien [geïntimeerde] op de zojuist uiteengezette gronden aan de verklaringen van [appellante] niet redelijkerwijs de zin mocht toekennen dat zij afstand deed van de eigendom van de hond. Bovendien is een eenzijdig ongerichte rechtshandeling door het ontbreken van een daarmee overeenstemmende wil - waarvan het hof in dit geval, zoals hiervoor overwogen, voorshands uitgaat - nietig (art. 3:34 lid 2 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. AvL

rolnr. KG C0400237/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

eerste kamer, van 19 oktober 2004,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te [plaatsnaam],

appellante,

procureur: mr B.A. van Mens,

- t e g e n -

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaatsnaam], gemeente [gemeentenaam],

geïntimeerde,

procureur: mr M.H. Kroon,

op het hoger beroep van appellante ([appellante]) tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch, op 9 januari 2004 gewezen tussen appellante ([appellante]) als eiseres en geïntimeerde ([geïntimeerde]) als gedaagde.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Daarvoor verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis, waarvan beroep.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

[appellante] is bij exploot van 3 februari 2004 tijdig van voormeld vonnis in beroep gekomen.

Bij memorie van grieven heeft zij daartegen onder overlegging van producties zes grieven aangevoerd, met conclusie dat het hof het vonnis, waarvan beroep, zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende [geïntimeerde] alsnog zal veroordelen tot teruggave van de Golden Retriever Joy aan [appellante] binnen twee dagen na het wijzen van het arrest, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat [geïntimeerde] na betekening van het arrest in gebreke blijft daaraan te voldoen.

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord onder overlegging van producties de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, waarvan beroep, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

Beide partijen hebben nog een akte genomen en daarbij producties overgelegd.

Tenslotte hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Deze zaak betreft het navolgende.

In september 2002 heeft [appellante] voor haar ernstig zieke dochter [dochter], 10 jaar oud, een hond (een Golden Retriever, genaamd Joy) gekocht. In december 2002 of begin januari 2003 is de dochter van [appellante] opgenomen in een ziekenhuis in Rotterdam. Omdat [appellante] in verband daarmee niet meer voor de hond kon zorgen heeft zij haar zuster [zuster] (verder: [zuster]) gevraagd voor een oplossing te zorgen. De partner van [zuster], [naam partner van zuster] (verder: [partner van zuster]), heeft een oppasadres gevonden bij zijn ex-echtgenote, [geïntimeerde] en haar kinderen. Vanaf begin januari heeft de hond daar verbleven. Op 5 februari 2003 is de dochter van [appellante] overleden. In het weekend van 15/16 februari 2003 heeft [naam partner van zuster] de hond weer teruggebracht bij [appellante]. [appellante] was door het overlijden van haar dochter zo uit balans geraakt dat zij eind februari 2003 een zelfmoordpoging heeft gedaan. Daardoor is zij op 24 en 25 februari 2003 opgenomen geweest op de psychia-

trische afdeling van een ziekenhuis. De hond is in verband daarmee opnieuw opgevangen bij [geïntimeerde]. Begin juni 2003 hebben [zuster] en [partner van zuster] tegen [geïntimeerde] gezegd dat de hond definitief bij [geïntimeerde] kon blijven.

Tussen [appellante] en [geïntimeerde] is geen afspraak gemaakt over vergoeding van kosten gedurende de periode dat de hond bij [geïntimeerde] verbleef, noch heeft [geïntimeerde] aan [appellante] een koopsom voor de hond betaald.

Op 4 juni 2003 heeft [appellante] de inentingspapieren van de hond aan [partner van zuster] meegegeven.

Op 2 augustus 2003 heeft [appellante] aan [zuster] gevraagd door te geven aan [geïntimeerde] dat zij de hond weer terug wilde. [zuster] heeft geantwoord dat zij dat zelf moest regelen.

Bij brief van 12 september 2003 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] geschreven:

" Bij deze vraag ik je nogmaals om mijn hond terug te geven. Op 5 september jl. heb ik je voor het eerst gebeld om door te geven dat ik weer in staat ben om voor mijn hond te zorgen. Je geeft onmiddellijk te kennen dat jij het niet leuk vindt dat ik hem terug wil. Ik heb hier begrip voor en geef je een paar dagen de tijd om dit aan je kinderen te vertellen. Op maandag 8 september bel ik wederom om een afspraak te maken, om Joy op te komen halen. Jij geeft te kennen dat je hem niet terug wilt geven. Tevens geef je aan dat je van andere mensen hebt gehoord dat je hem houden mocht. En dat je een bezoek hebt gebracht aan de Wetswinkel. Ik heb jou nooit toegezegd dat je Joy mocht houden. Sterker nog ik heb nooit contact gehad met jou. Ook jij hebt mij nooit gebeld om te informeren wanneer ik weer in staat zou zijn om voor Joy te zorgen......."

4.2. [appellante] heeft [geïntimeerde] bij exploot van 15 december

2003 gedagvaard in kort geding en afgifte van de hond gevorderd.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Zij heeft het spoedeisend belang van [appellante] betwist en zich erop beroepen dat [appellante] de eigendom van Joy heeft verloren doordat zij het bezit heeft prijsgegeven met het oogmerk om zich van de eigendom te ontdoen (art. 5:18 BW). [geïntimeerde] stelt begin juni 2003 van [zuster], van [partner van zuster], en van een zoon van [zuster] te hebben gehoord dat [appellante] had besloten de hond definitief bij [geïntimeerde] te laten. Volgens [zuster] had zij [appellante] daar nog vanaf proberen te brengen, maar hield [appellante] voet bij stuk, aldus [geïntimeerde]. Daarom mocht [geïntimeerde] de verklaring van [appellante] opvatten zoals zij heeft gedaan (art. 3:35 BW). [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (onder meer) schriftelijke getuigenverklaringen van [zuster] d.d. 23 september 2003 en van [partner van zuster] d.d.

20 september 2003 overgelegd.

4.3. De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van

9 januari 2004 overwogen dat hij geen aanleiding ziet om aan de juistheid van deze twee getuigenverklaringen te twijfelen, en dat hij van belang acht dat [appellante] nooit naar het welzijn van de hond heeft geïnformeerd, noch heeft aangeboden de kosten van de verzorging op zich te nemen. De gestelde afstand door [appellante] van de hond is een eenzijdige niet gerichte rechtshandeling. Deze is van rechtswege nietig ingeval van een discrepantie tussen de wil en de verklaring. [appellante] zal, nu zij zich beroept op ontoerekeningsvatbaarheid ten tijde van haar verklaring, de aanwezigheid van een geestelijke stoornis en het causaal verband met haar verklaring, moeten bewijzen. De voorzieningenrechter acht dit niet voldoende aannemelijk geworden en neemt vooralsnog aan dat [geïntimeerde] de rechthebbende op de hond is, zodat de vordering van [appellante] is afgewezen met haar veroordeling in de proceskosten.

4.4. In hoger beroep is door middel van de grieven van [appellante] het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd.

[appellante] betwist dat zij heeft gezegd dat de hond definitief bij [geïntimeerde] zou mogen blijven; zij heeft slechts gezegd dat de hond op dat moment beter af was bij [geïntimeerde]. Die uiting mag niet worden opgevat als een verklaring om zich van de eigendom van de hond te ontdoen (grief I). [geïntimeerde] kende de labiele situatie van [appellante]. Van [geïntimeerde] had mogen worden verwacht dat zij bij [appellante] zou verifiëren of zij de hond inderdaad mocht houden. [appellante] meent dat de getuigenverklaringen van [zuster] en van [partner van zuster] onvoldoende betrouwbaar en consistent zijn (grief II). Zij heeft bij [zuster] regelmatig naar de hond geïnformeerd en haar gevraagd of zij een bijdrage in de kosten moest betalen, maar er is afgesproken dat dat achteraf zou worden vastgesteld (grieven III en IV). In haar brief van 12 september 2003 heeft zij [geïntimeerde] aangeboden de kosten te vergoeden. In grief V klaagt [appellante] erover dat de rechtbank (lees: voorzieningenrechter, hof) kennelijk meer geloof hecht aan het standpunt van [geïntimeerde] dan aan haar standpunt, en grief VI bevat de conclusie van [appellante].

4.5. [geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en gesteld dat zij op grond van hetgeen zij van [zuster], van een zoon van [zuster] en van [partner van zuster] heeft vernomen, wel degelijk mocht begrijpen dat [appellante] er in had toegestemd dat de hond definitief bij [geïntimeerde] zou blijven. [geïntimeerde] heeft opnieuw schriftelijke verklaringen van [zuster] d.d. 28 maart 2004 en van [partner van zuster] d.d. 27 maart 2004 overgelegd. [zuster] verklaart dat [appellante] in de maanden na het overlijden van haar dochter heeft gezegd dat ze vond dat de hond in een gezin met kinderen hoorde en dat de hond daar beter af was, en dat zij verschillende keren heeft gezegd de hond niet meer terug te willen.

[zuster] verklaart voorts:

" [Voornaam geïntimeerde] ([geïntimeerde], hof) heeft van mij gehoord dat de hond definitief mocht blijven, dit nadat ik van [voornaam appellante] ([appellante], hof) zelf had gehoord dat de hond definitief bij haar mocht blijven. In mei kwam mijn zoon Tom (die op 14 juli 2003 14 jaar is geworden) terug van een bezoek aan [voornaam appellante] met de mededeling dat [voornaam appellante] de hond niet meer terug wilde, en dat hij bij Marianne mocht blijven. Dit heeft hij tevens aan [voornaam geïntimeerde] [geïntimeerde] verteld. Marianne heeft gevraagd aan haar ex-man Harold [partner van zuster] of het waar was dat de hond mocht blijven. Naar aanleiding hiervan heb ik gevraagd aan [voornaam appellante] dit te bevestigen, hetgeen zij deed. Ik heb daarna aan Marianne persoonlijk verteld dat de hond definitief kon blijven."

[partner van zuster] verklaart onder meer:

" Het klopt dat ik in 1e instantie niet van [voornaam appellante] [appellante] zelf heb gehoord dat de hond definitief bij [voornaam geïntimeerde] [geïntimeerde] kon blijven. Echter in 2e instantie heb ik in twee persoonlijke gesprekken met [appellante] [appellante] begrepen dat zij zich ervan bewust was dat zij de hond aan [voornaam geïntimeerde] [geïntimeerde] had weggegeven."

4.6. Het hof overweegt het navolgende.

Partijen zijn het erover eens, dat de hond in 2002 door [appellante] is gekocht en door haar in eigendom is verkregen. Ook zijn zij het erover eens, dat de hond begin januari 2003 en vervolgens weer eind februari of begin maart 2003 bij [geïntimeerde] is ondergebracht als tijdelijke voorziening, omdat [appellante] op dat moment niet voor de hond kon zorgen, en dat [appellante] in elk geval op dat moment niet de bedoeling had dat de hond daar definitief zou blijven.

[Geïntimeerde] heeft zich erop beroepen dat zij de hond niet meer hoeft af te geven omdat [appellante] het bezit van de hond heeft prijsgegeven met het oogmerk zich van de eigendom daarvan te ontdoen (art. 5:18 BW). Deze grondslag faalt naar het voorlopig oordeel van het hof echter reeds op grond van het feit dat vaststaat dat [appellante] op het moment dat zij het bezit van de hond uit handen gaf, niet het oogmerk had zich van de eigendom te ontdoen.

Voor zover [geïntimeerde] bedoeld heeft zich er tevens op te beroepen dat [appellante] op een later moment afstand heeft gedaan van de eigendom van de hond, faalt deze stelling naar het voorlopig oordeel van het hof eveneens nu de verklaring van [appellante] waaruit [geïntimeerde] afstand van recht afleidt, niet tot [geïntimeerde] was gericht (vgl. art. 3:37 lid 3 BW). De uitingen van [appellante] hebben [geïntimeerde] weliswaar bereikt, maar het is niet gesteld of gebleken dat [appellante] ermee bekend was, laat staan beoogde, dat de uitlatingen die zij tegenover [voornaam derde] en haar zoon over de hond deed aan [geïntimeerde] als haar wilsverklaring over de eigendom van de hond aan [geïntimeerde] werden overgebracht.

4.7. Ten overvloede overweegt het hof dat [geïntimeerde] de uitlatingen van [appellante] waarvan zij door [voornaam derde] en diens zoon op de hoogte werd gesteld, gelet op de labiele situatie waarin [appellante] na het overlijden van haar dochter is komen te verkeren, van welke situatie [geïntimeerde] geheel op de hoogte was, voorshands niet gerechtvaardigd heeft mogen opvatten als een verklaring dat [appellante] de hond niet meer zou terugvragen. Om gerechtvaardigd op dergelijke uitlatingen te mogen afgaan had [geïntimeerde] tenminste bij [appellante] zelf moeten navragen, of zij dat inderdaad bedoelde, temeer nu [voornaam derde] schriftelijk verklaart dat [appellante] een spontane uiting over de hond alleen aan haar - toen 13-jarige - zoon [zoon van voornaam derde] heeft gedaan, en [voornaam derde] daarna het initiatief heeft genomen - zonder dat gesteld of gebleken is dat zij aan [appellante] heeft gezegd dat zij dat aan [geïntimeerde] zou overbrengen - om bij [appellante] na te vragen of zij die uitlatingen inderdaad had gedaan. Voorshands kan er van worden uitgegaan, mede op grond van de door [appellante] bij akte overgelegde medische verklaringen, dat [appellante] vanaf februari 2003 geruime tijd in zeer moeilijke geestelijke omstandigheden heeft verkeerd, welke omstandigheden (ook in juni 2003) een redelijke waardering van de vraag wat er verder met de hond moest gebeuren, beletten. Daaraan kan hetgeen [geïntimeerde] heeft gesteld over de inentingspapieren, het informeren naar de hond en het ontbreken van een (aanbod tot een) kostenvergoeding, niet afdoen.

Het hof wijst er voorts op dat op grond van art. 3:34 lid 1 BW in geval van het bestaan van een geestelijke stoornis die een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, de wil wordt geacht te hebben ontbroken en dat als de rechtshandeling voor de geestelijk gestoorde nadelig was, hetgeen in het geval van [appellante] kan worden aangenomen, het causaal verband tussen de verklaring en de stoornis behoudens tegenbewijs wordt aangenomen. Nu het hier ging om de hond die [appellante] had aangeschaft voor haar overleden dochter, en vaststaat dat [appellante] door dat overlijden zeer uit balans was geraakt, gaat het hof er voorshands van uit dat de (tijdelijke) geestelijke stoornis van [appellante] een redelijke waardering van de vraag wat er in de toekomst met de hond moest gebeuren, belette.

4.8. Voor zover de latere afstand waar [geïntimeerde] zich wellicht ook op heeft beroepen, gezien zou moeten worden als een eenzijdige ongerichte rechtshandeling, overweegt het hof dat ook dan aan [geïntimeerde] geen bescherming (art. 3:36 BW) toekomt, aangezien [geïntimeerde] op de zojuist uiteengezette gronden aan de verklaringen van [appellante] niet redelijkerwijs de zin mocht toekennen dat zij afstand deed van de eigendom van de hond. Bovendien is een eenzijdig ongerichte rechtshandeling door het ontbreken van een daarmee overeenstemmende wil - waarvan het hof in dit geval, zoals hiervoor overwogen, voorshands uitgaat - nietig (art. 3:34 lid 2 BW).

4.9. De conclusie is dat de eerste grief slaagt en dat, wat er ook zij van de overige grieven, het vonnis van de voorzieningenrechter niet in stand kan blijven. De vordering van [appellante] moet alsnog worden toegewezen nu het door [geïntimeerde] in eerste aanleg en in hoger beroep aangevoerde verweer faalt.

4.10. Het hof zal de termijn binnen welke de hond moet worden afgegeven stellen op vier dagen na het wijzen van dit arrest.

[Geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties.

Gelet op het bepaalde in art. 258 Rv zal het hof de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5. Uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch, op 9 januari 2004 in kort geding tussen partijen gewezen, en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot teruggave van de Golden Retriever Joy aan [appellante] binnen vier dagen na het wijzen van dit arrest, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat [geïntimeerde] na betekening van dit arrest met die afgifte in gebreke blijft;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, voor zover tot op heden aan de zijde van [appellante] gevallen en begroot op € 205,-- voor verschotten en € 703,-- voor salaris procureur in eerste aanleg en op € 371,78 voor verschotten en € 1.000,-- voor salaris procureur in hoger beroep, deze beide laatstgenoemde bedragen op de voet van art. 243 Rv te betalen aan de griffier van dit hof;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs De Groot-van Dijken, Hendriks-Jansen en Fikkers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 19 oktober 2004.