Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AR4567

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2004
Datum publicatie
26-10-2004
Zaaknummer
20.002106.03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is, nadat zijn vriendin haar relatie met hem had verbroken, met een mes naar de woning van het slachtoffer gegaan om haar bang te maken. Vervolgens heeft hij daar haar vader in zijn eigen huis, na hem te hebben achtervolgd, door het toebrengen van meerdere messteken van het leven beroofd.

Veroordeling tot 8 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 20.002106.03

datum uitspraak: 26 oktober 2004

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 19 juni 2003 in de strafzaak onder parketnummer 01/039044-03 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum]1976,

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring te Roermond.

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

De bewezenverklaring

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Het hof acht met name niet bewezen dat verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

1. op 20 februari 2003 te Helmond opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet [slachtoffer 1] meermalen met een mes in diens hals en elders in diens lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2. op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2001 tot en met 7 januari 2003 te Helmond telkens opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]) heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt, waardoor deze telkens letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het hof leidt het onder 1 bewezenverklaarde opzet af uit het bewuste en doelgerichte handelen van verdachte, gericht op de dood van [slachtoffer 1], zoals daarvan blijkt uit met name de volgende bewijsmiddelen bezien in onderlinge samenhang en (tijds)verband met de overige bewijsmiddelen.

1a. De verklaring van [betokkene], afgelegd tegenover de politie op 26 februari 2003, voor zover hier van belang -zakelijk weergegeven- inhoudende:

Ik ben een goede vriend van [verdachte].

1b. De verklaring van [betokkene], afgelegd tegenover de politie op 3 maart 2003, voor zover hier van belang -zakelijk weergegeven- inhoudende:

Op vrijdag 21 februari 2003 omstreeks 18.00 uur belde [verdachte] me op. Hij zei dat hij met me wilde afspreken achter het PSV stadion in Eindhoven. Ik was hier omstreeks 18.30 uur. [verdachte] stond al op mij te wachten. Ik vroeg aan hem wat er was gebeurd. [verdachte] begon meteen te huilen en zei dat hij de vader van [slachtoffer 2] had vermoord.

[verdachte] vertelde dat [slachtoffer 2] hem had gebeld en dat zij niet meer verder wilde. [slachtoffer 2] had gezegd dat zij bang voor hem was. [verdachte] snapte niet waarom dit gebeurde zo plotseling. Hij vertelde dat hij toen dacht:"dan zal ik ze bang maken". [verdachte] vertelde dat hij toen dat mes had gepakt. [verdachte] heeft dit mes in zijn jas gestopt en is vervolgens aan de deur gegaan bij [slachtoffer 2].

[verdachte] belde aan en de vader kwam aan de deur. [verdachte] vertelde dat de vader met een arrogante houding de deur opendeed. [verdachte] vroeg vervolgens of hij [slachtoffer 2] mocht spreken. De vader zei toen dat hij dit niet wilde hebben. Volgens [verdachte] zei de vader dit op een arrogante manier met zijn kin in de lucht, zo van 'ik heb je waar ik je hebben wil'.

[verdachte] vertelde dat hij had gesmeekt om [slachtoffer 2] te spreken. De vader van [slachtoffer 2] had hem daarop uitgelachen. [verdachte] heeft toen tegen die vader gezegd dat hij hem niet uit moest lachen als hij, [verdachte], pijn had. Dit was vervolgens de aanleiding voor de vader om nog harder te lachen. [slachtoffer 2] kwam van de trap af naar beneden toe gelopen. De vader hield haar tegen met zijn hand zodat zij niet naar buiten kon lopen.

[verdachte] vertelde ook dat [slachtoffer 2] haar vader naar binnen probeerde te trekken, kennelijk omdat zij inzag dat dit fout zou aflopen.

Zolang als hij daar stond had hij het mes vast met zijn ene hand onder zijn jas. Hij drukte met zijn andere arm het mes tegen zijn lichaam om te voorkomen dat het mes naar beneden gleed. [verdachte] vertelde dat terwijl de vader tegen hem sprak hij al bozer werd. De aanleiding van zijn boosheid was dat de vader hem uitlachte. [verdachte] zei letterlijk:'hij vond het fijn om mij te zien kruipen'.

Terwijl hij bozer werd, voelde hij dat zijn spieren rondom het mes verkrampten. Op een of andere manier werd dit mes onbedoeld zichtbaar voor de vader. [verdachte] vertelde dat hij zag aan het gezicht van die vader dat hij bang werd. [verdachte] zag dat de vader achter [slachtoffer 2] ging staan. [verdachte] vertelde dat hij op hem afging met het idee van 'probeer mij nu maar uit te lachen'.

[verdachte] vertelde dat hij vervolgens de vader van [slachtoffer 2] had gestoken. Ik vroeg aan [verdachte] hoe vaak hij had gestoken. [verdachte] vertelde dat hij meerdere keren had gestoken.

[verdachte] vertelde dat op het moment dat [verdachte] de vader had gestoken deze wegrende. [verdachte] vertelde dat hij [slachtoffer 2] wilde spreken maar zij was in huis aan het schreeuwen, ze was in paniek.

[verdachte] zag het somber in, omdat hij dat mes meenam naar de woning van [slachtoffer 2] met de bedoeling haar bang hiermee te maken. Zodat zij naar hem zou luisteren.

Zij luisterde naar haar vader omdat hij haar bang kon maken. Dus hij dacht als angst het enige is waar zij naar luistert, dat moet ik zorgen dat zij voor mij iets banger is dan voor haar vader.

Hij wilde [slachtoffer 2] bang maken met het mes, zodat zij naar hem zou luisteren. Dit heeft [verdachte] zo letterlijk tegen mij gezegd.

2. De eigen verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover hier van belang -zakelijk weergegeven- inhoudende:

Het klopt dat ik op 20 februari 2003 te Helmond de vader van [slachtoffer 2], [slachtoffer 1], ik noem hem verder ook wel [voornaam], om het leven heb gebracht.

Ik zie nog dat ik op [slachtoffer 1] afschoot vanaf de deur. Ik zie

[slachtoffer 1] wegrennen en dat ik achter hem aan ben gegaan. Dat komt uit mijn geheugen. Ik zie [slachtoffer 1] nog liggen.

3. De op de voicemail van de mobiele telefoon van [slachtoffer 2] vrijwel onmiddellijk na het delict ingesproken tekst "Wil je nu dit?", afkomstig van telefoonnummer [telefoonnummer van verdachte].

4. Het sectieverslag van het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover hier van belang, inhoudende dat er steek/snijverwondingen bij het slachtoffer zijn aangetroffen onder meer in de rug, de borst en de linkerzijde van de hals.

Verdachte heeft blijkens het vorenstaande vanuit een opwelling van heftige woede gereageerd. Hij had een groot mes, letterlijk voorhanden, in de binnenkant van zijn jas. Op het moment van zijn woede heeft hij de greep op het mes verstevigd en is, met het mes als wapen tevoorschijn getrokken, op het latere slachtoffer afgegaan, om deze na een korte achtervolging daarmee te lijf te gaan met slaande/stekende bewegingen, blijkens de toegebrachte verwondingen gericht op vitale delen van het lichaam.

Gelet op de concrete details die verdachte zich over het bewezenverklaarde weet te herinneren, zoals daarvan blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat verdachte ook ten tijde van het plegen van het feit een zodanig zicht had op de gebeurtenissen, dat dit zich niet verdraagt met een volledig controleverlies bij verdachte als element van een acute dissociatieve reactie, zoals is geopperd in het deskundigenrapport d.d. 26 mei 2003 opgemaakt door A.H.A.C. van Bakel, psychiater in opleiding, en J.C. Zwemstra, psychiater, en overgenomen door de verdediging.

Het hof baseert zich hierbij mede op de verklaring van genoemde Zwemstra en Van Bakel terzake, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep en zoals hierna weergegeven onder "Redengeving van de op te leggen straf of maatregel", zoals het hof deze begrijpt, namelijk: hoe meer concrete herinneringen er bij verdachte zijn over het voorval, des te meer zicht hij heeft gehad op de gebeurtenissen en des te minder is volledig controleverlies waarschijnlijk.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 2 bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet telkens worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Voor zover de raadsman heeft bedoeld een beroep te doen op psychische overmacht, kort zakelijk weergegeven omdat verdachte tengevolge van een extreme en acute stresssituatie ten tijde van het plegen van het feit in een toestand van totaal controleverlies was terechtgekomen, overweegt het hof daaromtrent als volgt.

In casu is geen sprake geweest van een volledig controleverlies bij verdachte. Het hof verwijst voor wat betreft de motivering van dat oordeel naar hetgeen terzake is overwogen in de nadere overweging ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde opzet.

Resteert dat verdachte zou hebben gehandeld in een situatie van extreme en acute stress. Dat levert op zich geen psychische overmacht op. Er moet sprake zijn van een psychische druk, tengevolge waarvan verdachte het bewezenverklaarde heeft gepleegd, waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. En dat is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken noch aannemelijk geworden.

Het hof verwerpt het verweer.

Er is ook overigens geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

Ook ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde:

Op 26 mei 2003 hebben J.C. Zwemstra, psychiater, en A.H.A.C. van Bakel, psychiater in opleiding een rapport omtrent verdachte uitgebracht, welk rapport door genoemde Zwemstra en Van Bakel in hun verklaringen als getuige/deskundige ter terechtzitting in hoger beroep is aangevuld.

De psychiaters schrijven in hun rapport onder meer het volgende:

Diagnostische conclusie: betrokkene is een krenkbare man met karakterneurotische problematiek van narcistische snit. Van een persoonlijkheidsstoornis volgens DSM is echter geen sprake. Betrokkene vertoont de neiging om bij verlating depressief te reageren en daarvan was ook sprake in de periode voorafgaand aan het delict.

De in dit rapport vermelde conclusie luidt -voor zover thans van belang- als volgt:

1.Ten tijde van het onderzoek is er geen sprake van een psychiatrisch toestandsbeeld. Wel is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van betrokkene's geestvermogens, meer in het bijzonder van een karakterneurose met narcistische kenmerken;

2. De onder 1. genoemde karakterneurotische problematiek was uiteraard ook aanwezig ten tijde van het plegen van het delict. Daarenboven was er op dat moment sprake van een reeds enige weken bestaande toestand van verregaande emotionele instabiliteit, die in DSM-termen als een "aanpassingsstoornis" aangemerkt zou kunnen worden. Qua inkleuring kwam deze toestand van destabilisatie dicht in de buurt van een depressief toestandsbeeld.

De ter terechtzitting afgelegde verklaring van Zwemstra, voornoemd, houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

In ons rapport wordt geconcludeerd tot acute dissociatie met volledig controleverlies. Daarbij zijn wij uitgegaan van de feiten zoals gepresenteerd door de verdachte, waaruit een geheugenverlies ten tijde van het delict naar voren komt.

Een kenmerk van acute dissociatie is dat de herinnering niet geïntegreerd is in het bewustzijn. Er is geen continuïteit van herinnering en geen continuïteit van tijdsbeleving.

Volledig controleverlies is een element van een acute dissociatieve reactie, waar in principe dus bij hoort dat de eenheid van tijdsbeleving weg is en er ook geen continuïteit van herinnering is.

Als de verklaring van [betrokkene], zoals u die ter terechtzitting voorgehouden heeft, waar is -in die zin dat verdachte aan hem concrete details verteld heeft met betrekking tot het voorval-, dan blijkt hieruit dat verdachte wel zicht had op de gebeurtenissen.

Volledig controleverlies is veel minder waarschijnlijk als er wel herinneringen zijn aan het gebeuren dan wel elementen van herinneringen zijn.

De pathologie van verdachte is gevormd uit drie elementen: de karakterneurose met narcistische trekken, de depressief gekleurde aanpassingsstoornis en het controleverlies, de acute dissociatieve reactie.

We hebben de toerekeningsvatbaarheid opgehangen aan deze drie elementen.

Wanneer een element van deze pathologie, in dit geval het volledig controleverlies (de acute dissociatieve reactie), wegvalt, dan blijft over een karakterneurotische man, ontregeld door de situatie en op scherp gezet door het (opnieuw) verbreken van de relatie [slachtoffer 2]. Ik zal u dan adviseren te denken aan licht verminderd tot verminderd toerekeningsvatbaar.

De ter terechtzitting afgelegde verklaring van Van Bakel voornoemd houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

Ik sluit mij geheel aan bij hetgeen door collega Zwemstra zojuist is verklaard, ook voor wat betreft de mate van toerekenbaarheid.

Zoals hierboven (zie onder "De bewezenverklaring") is overwogen, komt het hof niet tot het oordeel dat bij verdachte ten tijde van het begaan van het delict sprake was van een acute dissociatieve stoornis met volledig controleverlies als omschreven door bovengenoemde deskundigen.

Het hof neemt de conclusie en het daarop gebaseerde advies van deze deskundigen over en maakt deze tot de zijne, voor zover dit inhoudt:

- dat er bij verdachte ten tijde van het delict sprake was van

een karakterneurose met narcistische trekken en een

aanpassingsstoornis met depressieve klachten;

- dat het bewezenverklaarde in licht verminderde mate aan verdachte

kan worden toegerekend.

Op 20 mei 2003 heeft de psycholoog drs. A.F.J.M. Zwegers een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De psycholoog concludeert bij de beantwoording van de in het verzoek om de rapportage geformuleerde vragen als volgt:

1.Er werd een geringe gebrekkige ontwikkeling vastgesteld, in de

vorm van afhankelijke trekken, die verholen aanwezig zijn en die

samenhangen met een vorm van noodrijpheid. Er wordt niet voldaan

aan de diagnostische criteria van een persoonlijkheidsstoornis.

2.De gebrekkige ontwikkeling bestond ook ten tijde van het

tenlastegelegde.

3.De gebrekkige ontwikkeling was van invloed op betrokkene's gedrag

ten tijde van het tenlastegelegde, maar het tenlastegelegde,

indien bewezen, kan daarmee slechts voor een klein deel verklaard

worden.

4.Er was in de periode voorafgaand aan het tenlastegelegde, sprake

van radeloosheid, ten gevolge van betrokkene's verbroken relatie.

Deze radeloosheid kwam voor een deel voort uit betrokkene's

afhankelijke trekken, maar vooral ook uit omgevingskenmerken en

vormde de drijfveer voor zijn volhardende pogingen om de verbroken

relatie te herstellen. Die pogingen werden in betrokkene's

beleving, vooral gedwarsboomd door de vader van zijn vriendin.

In toenemende mate vormde het latere slachtoffer de bron voor

betrokkene's radeloosheid, hetgeen op het moment van het

tenlastegelegde, door de directe confrontatie, tot een escalatie

leidde.

Indien het tenlastegelegde wordt bewezen, zou het te overwegen zijn

om dit in licht verminderde mate aan de betrokkene toe te rekenen.

De ter terechtzitting afgelegde verklaring van Zwegers, voornoemd, houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

Ik blijf bij de inhoud van het door mij d.d. 20 mei 2003 opgemaakte rapport betreffende verdachte.

Desgevraagd verklaar ik dat -naar mijn idee- verdachte op het moment dat hij, tegen de achtergrond van een verbroken relatie, oploopt tegen iemand die aan het herstel van die relatie in de weg staat, heel erg boos wordt. Boosheid, en ook erge boosheid, is geen stoornis.

De psycholoog adviseert als volgt:

Indien het tenlastegelegde wordt bewezen, adviseert rapporteur om de betrokkene een detentiestraf op te leggen en daarbij eventueel rekening te houden met een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Het hof neemt ook deze conclusie en het daarop gebaseerde advies over en maakt deze tot de zijne.

Verdachte is, nadat de dochter van het slachtoffer haar relatie met hem had verbroken, met een mes naar de woning van het slachtoffer gegaan om voornoemde dochter bang te maken. Vervolgens heeft hij daar het slachtoffer in zijn eigen huis, na hem te hebben achtervolgd, door het toebrengen van meerdere messteken van het leven beroofd.

Van verdachte mocht -zoals van iedere volwassene- worden verwacht dat hij zijn woede en frustratie niet op deze wijze tot uitdrukking bracht, ten koste van het leven van een ander. Hij is voor de gevolgen daarvan verantwoordelijk. Door de gruwelijke gebeurtenis, vrijwel voor de ogen van [slachtoffer 2] en haar [zusje], is het verlies voor de familie van het slachtoffer des te schokkender en het verdriet des te moeilijker te dragen. Dit wordt nog versterkt door het feit dat verdachte blijkens het onderzoek ter terechtzitting meer bezig is met zijn eigen toekomst, dan dat hij doet blijken van berouw of besef van wat hij de nabestaanden heeft aangedaan, of van medeleven met de nabestaanden.

Door de onder 2 bewezenverklaarde mishandelingen heeft verdachte bij [slachtoffer 2] niet alleen pijn en letsel veroorzaakt; de mishandelingen door verdachte, de persoon met wie zij een relatie had, waren voor [slachtoffer 2] een dusdanig traumatische ervaring dat zij ook nu nog in behandeling is bij een psycholoog. Zij heeft een continu gevoel van onveiligheid opgelopen en is bovendien in een sociaal isolement geraakt.

Concentratiestoornissen belemmeren haar in het opnemen van leerstof bij haar studie. De ernstige psychische klachten die ontstaan zijn door het geweld dat verdachte jegens haar heeft gebruikt, hebben haar veel aan levensvreugde ontnomen.

Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is voorts rekening gehouden met het gewelddadig karakter van zowel het onder 1 als het onder 2 bewezen verklaarde en de maatschappelijke verontrusting die daarvan het gevolg is.

Het hof heeft bij de straftoemeting in matigende zin rekening gehouden met een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde.

De vordering van de [benadeelde partij 1]

[benadeelde partij 1] heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ter zake materiële schade ingediend ten bedrage van ? 13.647,78.

De rechtbank heeft deze vordering tot een bedrag van ? 13.303,88 toegewezen.

De voeging duurt, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen deel van de vordering ten bedrage van ? 343,90.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 1. bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot een bedrag van ? 12.303,88.

De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen. Voor wat betreft het gevorderde dat betrekking heeft op de post "telefoonaanschaf" moet de vordering, als ongegrond, worden ontzegd. De proceskosten van de benadeelde partij worden tot na te melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat voormelde vordering voor wat betreft het gevorderde bedrag terzake "schoonmaken woning" niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding.

Gelet hierop zal het hof bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in dit deel van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Het hof zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen dit deel van de vordering gemaakt, begroot op nihil.

De maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [benadeelde partij 1] als gevolg van het onder 1. bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot een bedrag van ? 12.303,88.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van ? 12.303,88 te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Het hof zal daarbij bepalen dat, indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

De vordering van de [benadeelde partij 2]

[benadeelde partij 2] heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend terzake materiële en immateriële schade.

Deze vordering is in eerste aanleg toegewezen tot een bedrag van

? 750,- ter zake immateriële schade.

De voeging duurt, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen deel van de vordering bedragende ? 188,80 terzake materiële schade en ? 2.250,- ter zake immateriële schade.

De vordering is betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het 2. bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot een bedrag van ? 20,80. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen. Voor wat betreft het meer of anders gevorderde moet de vordering, als ongegrond of onvoldoende bewezen, worden ontzegd. De proceskosten van de benadeelde partij worden tot na te melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.

Aan de benadeelde partij is door het onder 2. bewezen verklaarde voorts rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen [ook al zouden ook andere daders daarbij zijn betrokken]. Aan de wettelijke vereisten, waaronder art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op

? 1.500,- en moet het te dien aanzien meer of anders gevorderde worden afgewezen. De proceskosten van de benadeelde partij worden tot na te melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.

De totale schade wordt bijgevolg begroot op ? 1.520,80. Tot dit bedrag dient de vordering te worden toegewezen. De proceskosten worden tot na te melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.

De maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [benadeelde partij 2] als gevolg van het onder 2. bewezen verklaarde feit, materiële schade heeft geleden tot een bedrag van ? 20,80.

Uit het onderzoek is voorts gebleken dat het slachtoffer immateriële schade heeft geleden, welke het hof naar billijkheid begroot op

? 1.500,-.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat bij wijze van voorschot een bedrag van ? 1.520,80 te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Het hof zal daarbij bepalen dat, indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 36f, 57, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1: "Doodslag",

2: "Mishandeling, meermalen gepleegd"

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van acht jaren.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de [benadeelde partij 1] toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan: [benadeelde partij 1], wonende te [adres], een bedrag van ? 12.303,88.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst af het gevorderde dat betrekking heeft op de post "telefoonaanschaf".

Bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in het deel van de vordering dat betrekking heeft op de post "schoonmaken huis" en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], wonende te [adres], te betalen een bedrag van ? 12.303,88 (zegge: twaalfduizend driehonderddrie euro en achtentachtig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 246 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij is voldaan.

Wijst de vordering van de [benadeelde partij 2] toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting bij wijze van voorschot te betalen aan: [benadeelde partij 2], wonende te [adres], een bedrag van ? 1.520,80.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2], wonende te [adres], bij wijze van voorschot te betalen een bedrag van ? 1.520,80 (zegge: éénduizendvijfhonderdtwintig euro en tachtig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 31 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij is voldaan.

Dit arrest is gewezen door Mr. Eijsenga, als voorzitter

Mrs. Bark - van Gink en Nieuwenhuijsen, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. De Ridder, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 oktober 2004.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 01

tijd : 09.30

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum]1976,

,

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring te Roermond

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande

Is bij vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 19 juni 2003 ter zake van:

T.a.v. feit 1: "Doodslag", t.a.v. feit 2: "Mishandeling, meermalen gepleegd";

veroordeeld tot:

5 jrn. gev.str. OV. MAV., oplegging maatregel verpl. a/d staat tbv slachtoffers, toewijzing vordering ben.partijen;