Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AR4420

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-05-2004
Datum publicatie
22-10-2004
Zaaknummer
R200400262 en R200400263
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof ’s-Hertogenbosch, 18 mei 2004, R200400262 en R200400263, Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen

Ten aanzien van appellanten heeft de rechtbank bij vonnissen van 17 januari 2000 de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij vonnissen van 5 april 2004 heeft de rechtbank deze schuldsaneringsregelingen beëindigd zonder verlening van de schone lei.

Het beroepschrift van appellanten is ter griffie ingekomen op 15 april 2004. Appellanten stellen hierin dat zij ontvankelijk moeten worden geacht in hun hoger beroep en dat de eventuele termijnoverschrijding onder de gegeven omstandigheden verschoonbaar is. Appellanten hebben de bestreden vonnissen, welke bij hun buren die op vakantie waren, zijn bezorgd voor het eerst op 13 april 2004 aan het einde van de middag ontvangen. Zij stellen dat zij tot het moment van kennisneming van de betreffende uitspraken niet bekend waren (en redelijkerwijze ook niet bekend behoefde te zijn) met de (korte) beroepstermijn. Appellanten menen dat onder de gegeven omstandigheden, mede gelet op de verstrekkende consequenties van een (eventuele) niet-ontvankelijkverklaring van het beroepschrift, de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Zij verwijzen hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 28 november 2003 (RvdW 2003,180) waarin een termijnoverschrijding verschoonbaar werd geacht vanwege een door (de griffie van) de rechtbank begane fout.

Hof: In de door appellanten aangehaalde uitspraak heeft de Hoge Raad een uitzondering rechtvaardig geacht op het strikt de hand houden aan beroepstermijnen indien er voldaan is aan een dubbele eis. Deze dubbele eis houdt in dat degene die hoger beroep of cassatie instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) het kantongerecht, de rechtbank of het hof begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter een beschikking had gegeven én dat de beschikking hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na het aflopen van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 maart 2004 is door de rechtbank ter zitting aan appellanten medegedeeld dat de uitspraak op 5 april 2004 zou zijn en dat de beroepstermijn slechts acht dagen bedraagt. Nu appellanten op de hoogte waren van de datum van de uitspraak, is het hof van oordeel dat zij niet hebben voldaan aan de eerste door de Hoge Raad gestelde eis en dat derhalve de uitzondering niet op hen van toepassing is.

Niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

18 mei 2004

Rekestenkamer

Rekestnummer: R200400262 en R200400263

GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH

Arrest

In de zaak met rekestnummer R200400262 in hoger beroep van:

[naam appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

nader ook te noemen de man,

procureur mr. T.F.J. van Oorschot,

en

in de zaak met rekestnummer R200400263 in hoger beroep van:

[naam appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

nader ook te noemen de vrouw,

procureur mr. T.F.J. van Oorschot.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de vonnissen van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 5 april 2004, waarvan de inhoud bij appellanten bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 15 april 2004, hebben appellanten ieder voor zich verzocht bovengenoemd vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende al dan niet met toepassing van art. 354 lid 2 Fw een nieuw saneringsplan vast te stellen op basis waarvan appellanten gedurende een door het hof in goede justitie te bepalen periode de achterstand ad ruim E. 7.700,- zullen aflossen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 4 mei 2004, heeft mw. M.P.J.M. van der Lee, bewindvoerder, primair verzocht appellanten niet-ontvankelijk te verklaren in hun beroepen en secundair de uitspraken van de rechtbank te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 mei 2004. Bij die gelegenheid zijn appellanten en hun advocaat mr. T.F.J. van Oorschot, alsmede de bewindvoerder gehoord. Het hof heeft beide zaken gevoegd behandeld.

2.3. Het hof heeft in beide zaken voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroep- en verweerschrift;

- het procesdossier in eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 23 april 2004, waaronder het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 8 maart 2004;

- een brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 23 april 2004;

- een brief met bijlagen van de procureur van appellanten d.d. 27 april 2004;

- een brief met bijlage van de procureur van appellanten d.d. 11 mei 2004.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Appellanten zijn gehuwd. Bij vonnissen van 17 januari 2000 heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch ten aanzien van hen de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

4.2. Op 10 maart 2003 is de man ter gelegenheid van de schone-lei-zitting gehoord door de rechtbank. Tijdens dit verhoor werd geconstateerd dat door appellanten E. 9.300,- te weinig was afgedragen aan de boedel. Verder bleek dat appellanten beiden inkomsten genoten zodat er een forse afloscapaciteit bestond. Doorrekening van de afloscapaciteit leidde tot de conclusie dat indien de schuldsaneringsregeling met één jaar, tot 17 januari 2004, verlengd zou worden, de achterstand kon worden ingelopen. Naar aanleiding van deze zitting heeft de rechtbank een saneringsplan vastgesteld, waarbij de termijn van de schuldsaneringsregeling werd bepaald op vier jaar, met daarbij de expliciete vermelding van de verplichting om in het laatste jaar de achterstand aan de boedel, vastgesteld op circa E. 9.300,- in zijn geheel in te lopen.

4.3. Bij vonnissen van 5 april 2004 heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch alsnog de schuldsaneringsregelingen van appellanten beëindigd zonder verlening van de schone lei. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het voor de man en de vrouw klip en klaar was dat zij in het verlengingsjaar de achterstand van

E. 9.300,- behoorden in te lopen. Deze verplichting is nadrukkelijk besproken met de man ter zitting en is bovendien in heldere bewoordingen opgenomen in het saneringsplan. Het had voor de man en de vrouw duidelijk moeten zijn dat de door hen aangehaalde standaardbrief van de bewindvoerder, niet zag op hun specifieke situatie. De rechtbank kan zich niet de indruk onttrekken dat de man en de vrouw doelbewust hebben willen profiteren van een fout van de bewindvoerder. Voorzover er al vanuit moet worden gegaan dat voornoemde brief de man en de vrouw daadwerkelijk heeft doen twijfelen aan hen verplichtingen, dan had het zonder meer op hun weg gelegen om contact op te nemen met de bewindvoerder ten einde deze voor hen kennelijk bestaande onduidelijkheid te bespreken. De man en de vrouw, die na ontvangst van de brief kennelijk wel aanleiding zagen om zich nader door de juridische afdeling van de werkgever te adviseren, hebben er evenwel voor gekozen om zonder enig overleg met de bewindvoerder hun afdrachtverplichtingen voor de resterende 8 maanden niet meer na te komen. De rechtbank is van oordeel dat de man en de vrouw hiermee zonder meer toerekenbaar te kort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen. Tegen deze gelijkluidende vonnissen komen appellanten op.

Ontvankelijkheid

4.4. Appellanten stellen eerst dat zij ontvankelijk moeten worden geacht in hun hoger beroep en dat de eventuele termijnoverschrijding onder de gegeven omstandigheden verschoonbaar is. Appellanten hebben de bestreden uitspraken van de rechtbank voor het eerst op 13 april 2004 aan het einde van de middag, na terugkomst van hun werk, ontvangen. De vonnissen zijn niet bij appellanten doch bij hun buren bezorgd. De buren hebben de betreffende post, na terugkomst van hun vakantie, aan appellanten overhandigd. Appellanten stellen dat zij tot het moment van kennisneming van de betreffende uitspraken niet bekend waren (en redelijkerwijze ook niet bekend behoefde te zijn) met de (korte) beroepstermijn. Appellanten menen dat onder de gegeven omstandigheden, mede gelet op de verstrekkende consequenties van een (eventuele) niet-ontvankelijkverklaring van het beroepschrift, de termijnoverschrijding verschoonbaar geacht moet worden. Zij verwijzen daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 28 november 2003 (RvdW 2003, 180) waarin een termijnoverschrijding verschoonbaar werd geacht vanwege een door (de griffie van) de rechtbank begane fout. In casu moet de verkeerde adressering dan wel bezorging van de uitspraken eveneens aan de rechtbank worden toegerekend en niet aan verzoekers.

4.5. De bewindvoerder stelt in haar verweerschrift dat naar haar mening appellanten geen gegronde reden voor de overschrijding van de beroepstermijn geven. Tijdens de eindzitting is de datum van de uitspraak aan de schuldenaren bekend gemaakt. Tevens is op de eindzitting aan appellanten het telefoonnummer van de griffie overhandigd, waardoor zij in staat zijn gesteld om op de datum van de uitspraak, telefonisch contact op te nemen met de griffie en alzo kennis te nemen van de uitspraken.

4.6. Het hof overweegt als volgt.

Tijdens de mondelinge behandeling ter zitting is eerst de ontvankelijkheid van het beroep van appellanten aan de orde geweest, nu het beroepschrift na afloop van de beroepstermijn op de griffie in binnengekomen. In de door appellanten aangehaalde uitspraak heeft de Hoge Raad een uitzondering rechtvaardig geacht op het strikt de hand houden aan beroepstermijnen indien er voldaan is aan een dubbele eis. Deze dubbele eis houdt in dat degene die hoger beroep of cassatie instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) het kantongerecht, de rechtbank of het hof begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter een beschikking had gegeven én dat de beschikking hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na het aflopen van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 maart 2004 is door de rechtbank ter zitting aan appellanten medegedeeld dat de uitspraak op 5 april 2004 zou zijn en dat de beroepstermijn slechts acht dagen bedraagt. Nu appellanten op de hoogte waren van de datum van de uitspraak, is het hof van oordeel dat zij niet hebben voldaan aan de eerste door de Hoge Raad gestelde eis en dat derhalve de uitzondering niet op hen van toepassing is. Op grond van het voorgaande zijn appellanten dan ook niet-ontvankelijk in hun hoger beroep.

4.7. Ten overvloede overweegt het hof dat appellanten ter zitting niet aannemelijk hebben gemaakt waarom zij in mei 2003 opgehouden zijn met betaling van de achterstand in de boedel. Nu uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 10 maart 2003 en het gezamenlijke saneringsplan, vastgelegd in het vonnis van de rechtbank van 24 maart 2003, duidelijk blijkt dat appellanten gedurende het verlengingsjaar nog een achterstand van E. 9.300,- behoorden in te lopen, hadden zij niet mogen berusten in het gestelde contact tussen mw. [A.] en bewindvoerder.

Hoewel het hof het minder gewenst acht dat de bewindvoerder eerst in het eindverslag van januari 2004 melding maakt van het feit dat appellanten al in mei 2003 opgehouden zijn te betalen, pleit dit appellanten allerminst vrij.

Het hof merkt verder nog op dat appellanten, die beiden een inkomen verwerven, een zodanig bedrag hadden kunnen sparen dat zij bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van 8 maart 2004 hadden kunnen aanbieden terstond het resterende bedrag aan te zuiveren. Desgevraagd hebben appellanten ter zitting van het hof van 13 mei 2004 nog verklaard niets te hebben gespaard.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart appellanten niet-ontvankelijk in het door hen ingestelde beroep tegen de vonnissen van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 april 2004;

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Teeffelen, Van Soest-van Dijkhuizen en Van der Linden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 mei 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.