Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AR4388

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-10-2004
Datum publicatie
21-10-2004
Zaaknummer
R200400379
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AV6062
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AV6062
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft overwogen dat de gemeente ontvankelijk is in het inleidend verzoek en bepaald dat appellant aan de gemeente een verhaalsbijdrage verschuldigd is van € 150 per maand ten behoeve van door de gemeente aan het kind van appellant betaalde bijstand. Appellant meent in hoger beroep dat gemeente in 1e aanleg niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden, omdat de voorbereiding van het verhaalsbesluit en het besluit tot verhaal in rechte niet uitbesteed had mogen worden aan Mandaat BV. Het verzamelen en verwerken van vertrouwelijke gegevens behoort tot de kerntaken van de gemeente en mag niet uitbesteed worden, aldus appellant.

De bestreden beschikking wordt bekrachtigd. De betreffende besluiten zijn door bevoegden genomen en aldus rechtsgeldig. Slechts indien geoordeeld zou moeten worden dat door de uitbesteding van de voorbereidende werkzaamheden (zie art. 3:2 Awb) beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden, zodanig dat appellant onredelijk in zijn belangen is geschaad, behoort de gemeente niet-ontvankelijk te worden verklaard in het verhaal in rechte. Hiervan is echter in casu geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 oktober 2004

Rekestenkamer

Rekestnummer R200400379

GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[Naam appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur mr. C.E.M. Renckens,

t e g e n

[Naam gemeente],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de gemeente.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking d.d.17 maart 2004, alsmede naar de beschikking d.d. 19 september 2002 van de rechtbank te Roermond, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 14 mei 2004, heeft [appellant] verzocht de gemeente in haar verzoekschrift, ingekomen op 5 april 2002, niet ontvankelijk te verklaren, een en ander met veroordeling van de gemeente in de kosten dezer procedure.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 september 2004. Bij die gelegenheid zijn [appellant] en zijn advocaat, alsmede de heer A. van Mandaat B.V. namens de gemeente gehoord.

De heer A. heeft een machtiging overgelegd, waaruit blijkt dat hij door de burgemeester gemachtigd is om namens de gemeente in rechte op te treden.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de brief van de gemeente d.d. 3 september 2004, met bijlagen;

- de tijdens de zitting door [appellant] overgelegde uitdraaien van internetsites van onder meer Arcadis en Mandaat BV;

- de tijdens de zitting door de gemeente overgelegde brochure van Mandaat B.V.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. [appellant] is gehuwd geweest met mevrouw [X.], welk huwelijk op 27 januari 2000 is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

Uit dat huwelijk is [naam dochter] geboren op 19 maart 1996.

Bij de echtscheidingsbeschikking d.d. 11 november 1996 van de rechtbank te Arnhem is [appellant] de verplichting opgelegd om maandelijks f 250,-- bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam dochter].

Vanaf 1 maart 2000 is door de gemeente aan mevrouw X., mede ten behoeve van [naam dochter], een bijstandsuitkering toegekend.

4.1.1. De gemeente heeft de rechtbank ex artikel 98 lid 2 sub b Abw onder meer verzocht om in afwijking van de door de rechtbank te Arnhem vastgestelde onderhoudsbijdrage naast die bijdrage van E. 122,58 per maand een aanvullende verhaalsbijdrage ten behoeve van [naam dochter] vast te stellen van E. 440,96 per maand, alsmede ten behoeve van mevrouw X. een verhaalsbijdrage vast te stellen van E. 441,70 per maand.

4.1.2. Bij tussenbeschikking van 19 september 2002 heeft de rechtbank het verweer van [appellant] aangaande de niet-ontvankelijkheid van de gemeente verworpen en overigens de zaak aangehouden tot een nadere zitting in afwachting van toezending van financiële gegevens door [appellant].

4.1.3. Bij eindbeschikking van 17 maart 2004 heeft de rechtbank volhard bij hetgeen zij in haar tussenbeschikking van 19 september 2002 ten aanzien van de door [appellant] gestelde niet-ontvankelijkheid van de gemeente heeft overwogen.

Bij die beschikking heeft de rechtbank voorts bepaald dat [appellant] met ingang van 1 mei 2004, naast de bij beschikking van de rechtbank te Arnhem d.d. 11 november 1999 aan hem opgelegde onderhoudsbijdrage ten behoeve van [naam dochter], aan de gemeente een verhaalsbijdrage verschuldigd is van E. 150,-- per maand.

4.1.4. Het hoger beroep van [appellant] richt zich uitsluitend tegen de verwerping van het verweer aangaande de niet-ontvankelijkheid van de gemeente.

Gezien de inhoud van de grief is het beroepschrift aldus met name gericht tegen de tussenbeschikking van 19 september 2002.

De rechtbank heeft hierin - samengevat - overwogen dat de bevoegdheid tot het nemen van verhaalsbesluiten als bedoeld in Hoofdstuk VII van de Abw, welke bevoegdheid toekomt aan burgemeester en wethouders, aan een ambtenaar kan worden gemandateerd, nu artikel 10:3 van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan mandaat kan verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet. Deze uitzonderingssituatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor, nu immers geen wettelijk voorschrift genoemde mandatering verbiedt en niet valt in te zien waarom de aard van die bevoegdheid zich tegen mandaatverlening zou verzetten.

De rechtbank oordeelde dat het op 8 oktober 2001 aan [appellant] verzonden verhaalsbesluit rechtsgeldig is, omdat het namens burgemeesters en wethouders van de gemeente genomen is door het hoofd sociale zaken en welzijn. De voorbereidende werkzaamheden van dit besluit zijn uitgevoerd door verschillende werknemers van Mandaat BV (hierna: Mandaat), doch nu onweersproken vaststaat dat alle werknemers van Mandaat als onbezoldigd ambtenaar in dienst zijn van de gemeente, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een rechtsgeldig tot stand gekomen verhaalsbesluit.

Het besluit om tot verhaal in rechte over te gaan is eveneens een rechtsgeldig besluit, nu dit besluit volgens de vereisten zoals neergelegd in artikel 102 lid 2 Abw, is genomen door burgemeester en wethouders, aldus de rechtbank.

Nu bij besluit van 7 maart 2001 de burgemeester, gelet op artikel 171 van de Gemeentewet en artikel 10:1 van de Awb, mevrouw Y. (toentertijd hoofd van de juridische afdeling van Mandaat, hof) heeft gemachtigd om namens de gemeente rechtshandelingen te verrichten en om de gemeente in procedures te vertegenwoordigen bij de behandeling van de aan haar opgedragen verhaals- en terugvorderingszaken ingevolge de Abw, is de rechtbank van oordeel dat aan alle formele vereisten is voldaan en dat de gemeente in haar verzoek kan worden ontvangen.

Tegen dit oordeel komt [appellant] op.

4.2. Ter zitting is duidelijk geworden dat [appellant] de rechtsgeldigheid van de bovengenoemde besluiten, te weten het verhaalsbesluit en het besluit tot verhaal in rechte, niet langer betwist, nu deze besluiten door de daartoe bevoegden zijn genomen. [appellant] stelt zich evenwel op het standpunt dat de gemeente desondanks niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de voorberei-ding van deze besluiten niet uitbesteed had mogen worden aan werknemers van Mandaat.

De voorbereidende werkzaamheden tot het nemen van een verhaalsbesluit, namelijk het verzamelen en verwerken van vertrouwelijke financiële gegevens, zijn naar de mening van [appellant] van dusdanige aard dat deze behoren tot de kerntaken van de gemeente. De gemeente mag deze taken niet uitbesteden, omdat door de uitbesteding ervan niet kan worden gegarandeerd dat vertrouwelijke gegevens niet weglekken naar derden.

Mandaat houdt zich bezig met inning en invordering van publiekrechtelijke vorderingen van de lokale overheid.

Mandaat was onderdeel van Arcadis, een commercieel concern dat tevens een onderneming bevat die zich bezighoudt met civiele invordering.

Per juli 2004 is Mandaat overgenomen door de Cannock Chase Groep, die een tamelijk agressieve benadering van de incassopraktijk heeft.

Wie garandeert, aldus [appellant], dat in het kader van de civiele invordering geen gebruik werd of wordt gemaakt van de gegevens waarover Mandaat beschikt?

4.3. De gemeente heeft aangevoerd dat Mandaat uitsluitend voorbereidingstaken verricht in verband met bijstandsverhaal en dat ter ondersteuning van die werkzaamheden door de gemeente door medewerkers van Mandaat brieven worden opgesteld, onder meer voor het opvragen van financiële informatie over degene op wie verhaal zal worden gezocht. Deze brieven worden telkens door een gemeenteambtenaar beoordeeld, ondertekend en verzonden. De verantwoordelijkheid ligt derhalve steeds volledig bij de gemeente.

Verhaalsberekeningen worden op verzoek van de gemeente door medewerkers van Mandaat opgesteld op basis van de geldende Tremanormen. Het hoofd van de afdeling juridische zaken van Mandaat (voorheen mevrouw Y., thans de heer A.) heeft een aanstelling als onbezoldigd ambtenaar van de gemeente.

Aan hem/haar is een dubbele geheimhoudingsplicht opgelegd: zowel door de gemeente als door Mandaat. Voor de overige medewerkers van die afdeling geldt een door Mandaat aan hen opgelegde geheimhoudingsplicht. Anders dan de rechtbank heeft overwogen zijn die medewerkers van Mandaat niet in dienst van de gemeente als onbezoldigd ambtenaar.

De situatie van medewerkers van Mandaat verschilt niet van medewerkers van uitzendorganisaties, die werkzaamheden voor de gemeente verrichten.

Meer dan 300 gemeenten en waterschappen voeren een deel van hun werkzaamheden uit in samenwerking met Mandaat. De overige ondernemingen binnen het concern waartoe Mandaat behoort hebben en hadden geen toegang tot de gegevens waarover Mandaat beschikt. Vertrouwelijke gegevens worden afgeschermd, aldus de gemeente.

4.3. Het hof overweegt het volgende.

4.3.1. In hoger beroep staat de rechtsgeldigheid van het verhaalsbesluit en het besluit om tot verhaal in recht over te gaan niet langer ter discussie.

De stelling van [appellant] inhoudende dat desondanks de gemeente niet- ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot verhaal in rechte omdat de voorbereidende werkzaamheden tot het nemen van het verhaalsbesluit en/of het nemen van het besluit tot verhaal in rechte niet uitbesteed hadden mogen worden aan Mandaat, kan niet als juist worden aanvaard.

Van mandatering van bevoegdheden aan Mandaat en/of haar medewerkers is voor wat betreft de door [appellant] gelaakte voorbereidingswerkzaamheden geen sprake.

Het betreft immers uitsluitend feitelijke werkzaamheden, te weten het voorbereiden van besluitvorming, het verzamelen van informatie en het doen van onderzoek. Van het nemen van beslissingen door Mandaat in naam van de gemeente is geen sprake. Onbetwist is gebleven hetgeen Mandaat heeft gesteld over de verzending van correspondentie. De gemeente heeft overigens tevens onbetwist gesteld dat Mandaat geen directe toegang heeft tot de bestanden van het UWV. Dit betekent dat het mandaat aan mevrouw Y. niet ter beoordeling voorligt, nu het voor de gelaakte voorbereidingshandelingen niet van belang is.

4.3.2. Slechts indien geoordeeld zou moet worden dat door de uitbesteding van de voorbereidende werkzaamheden (zie art. 3:2 Awb) beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden, zodanig dat [appellant] onredelijk in zijn belangen is geschaad behoort de gemeente niet-ontvankelijk te worden verklaard in het verhaal in rechte.

Hiervan is naar het oordeel van het hof echter geen sprake. Het hof wijst daartoe op de volgende omstandigheden.

Onbetwist is gebleven dat alle uitgaande correspondentie van medewerkers van Mandaat op briefpapier van de gemeente ter accordering naar de gemeente gaat. De gemeente is derhalve volledig verantwoordelijk.

Eveneens is onbetwist gebleven hetgeen de gemeente heeft gesteld omtrent de dubbele geheimhoudingsplicht van het hoofd van de afdeling juridische zaken van Mandaat en de geheimhoudingsplicht van haar werknemers.

Overigens is ingevolge artikel 2:6 Awb eenieder die betrokken is bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

Hiermee is het belang van [appellant] bij een zorgvuldige en vertrouwelijke behandeling van zijn gegevens voldoende gewaarborgd. [appellant] heeft ook niet gesteld dat daadwerkelijk onzorgvuldig met zijn gegevens is omgesprongen.

4.4. Het hof is op grond van het bovenstaande dan ook van oordeel dat de gemeente terecht door de rechtbank ontvankelijk is verklaard en de beschikking waarvan beroep dient dan ook, onder aanvulling en verbetering van de gronden, te worden bekrachtigd.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank te Roermond van 19 september 2002 en 17 maart 2004, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en onder aanvulling en verbetering van de gronden waarop deze berusten.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Van Teeffelen en Walstock en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 14 oktober 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.