Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AR4386

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
21-10-2004
Zaaknummer
R200400716
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij het in hoger beroep bestreden vonnis is de schuldsaneringsregeling ten aanzien van appellant tussentijds beëindigd. Appellant is bereid gedurende een langere termijn onderworpen te blijven aan de schuldsaneringsregeling. De bewindvoerder heeft ter zitting medegedeeld positief te staan tegenover een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.

Bij het vonnis waarbij appellant is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling is niet op grond van art. 295 lid 3 Fw. een bedrag vastgesteld dat aan appellant gedurende de toepassing van de schuldsaneringsregeling vrijelijk ter beschikking staat, noch is tussentijds of ter gelegenheid van de bestreden beëindiging van de schuldsaneringsregeling een saneringsplan als bedoeld in art. 343 Fw. vastgesteld, waarin een dergelijk bedrag wordt bepaald of waarin de looptijd van de schuldsaneringsregeling wordt vastgesteld.

Aldus kan het hof, gelet op het bepaalde in art. 343 lid 2 Fw, niet beoordelen of een beëindiging van de schuldsanerings- regeling aan de orde is, dan wel of een verlenging van de looptijd tot de mogelijkheden behoort.

Het hof vernietigt het bestreden vonnis en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor de vaststelling van een saneringsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 oktober 2004

Rekestenkamer

Rekestnummer R200400716

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

Arrest

In de zaak in hoger beroep van:

[naam appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [naam appellant],

procureur: mr. Y.A.W.M. Molkenboer.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank te Breda van 26 augustus 2004, waarvan de inhoud bij [naam appellant] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 2 september 2004, heeft [naam appellant] verzocht het voormelde vonnis te vernietigen.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2004. Bij die gelegenheid is [naam appellant], bijgestaan door zijn advocaat, gehoord. Voorts is als belanghebbende de bewindvoerder, mr. J.W. Leseman, verschenen en gehoord.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg,

d.d. 26 augustus 2004;

- een brief met bijlagen van de bewindvoerder, d.d. 30 september 2004.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Bij vonnis van 18 september 2001 is de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [naam appellant] uitgesproken. Het voorafgaande faillissement van [naam appellant], dat bij vonnis van 7 februari 1997 was uitgesproken, is bij dat vonnis omgezet in de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Nadat de rechter-commissaris daartoe heeft geadviseerd, is bij het bestreden vonnis de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [naam appellant] beëindigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat hij in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekort geschoten en dat deze tekortkoming aan hem kan worden toegerekend. Voorts reageert [naam appellant] volgens de rechtbank te weinig en te laconiek richting de bewindvoerder.

[naam appellant] kan zich hiermee niet verenigen en komt hiervan in hoger beroep.

4.2. [naam appellant] stelt dat hij zich nimmer opzettelijk niet heeft gehouden aan zijn verplichtingen ten opzichte van de bewindvoerder. [naam appellant] erkent dat hij in een bepaalde periode moeilijk te bereiken was, nu hij als gevolg van huwelijksproblemen niet meer in de echtelijke woning woonde. Het contact tussen hemzelf en de bewindvoerder was daardoor beperkt, zodat de brief van de bewindvoerder van 16 juni 2004 hem pas medio augustus heeft bereikt.

[naam appellant] ontkent dat hij te weinig en te laconiek richting de bewindvoerder heeft gereageerd. Hij is steeds ingegaan op de concrete wensen van de bewindvoerder, zodra hij deze kende. [naam appellant] heeft nimmer geweigerd het bewindvoerdersalaris af te dragen aan de boedel. Een concreet verzoek daartoe heeft hem echter nooit bereikt. [naam appellant] is thans bereid en in staat om, met hulp van familie, een aanvullend bedrag aan bewindvoerdersalaris over te maken.

De beëindiging is te meer onredelijk nu [naam appellant] thans reeds meer dan zeven jaar, eerst als curandus, vervolgens als saniet, financiële verantwoording heeft moeten afleggen. Indien noodzakelijk is [naam appellant] bereid gedurende een langere termijn onderworpen te blijven aan de schuldsaneringsregeling.

4.3. Ter zitting is door [naam appellant] nogmaals aangevoerd dat de bewindvoerder nooit het concrete bedrag aan achterstand in betalingen van het bewindvoerdersalaris heeft genoemd. De bewindvoerder heeft dit erkend en heeft gesteld dat het feit dat er een achterstand in de betalingen is ontstaan niet aan [naam appellant] kan worden verweten, nu de werkgever en later het GAK voor deze betalingen zorg zouden dragen. De bewindvoerder heeft verklaard dat vooral het feit dat [naam appellant] moeilijk te bereiken was en het gebrek aan informatie van de zijde van [naam appellant] voor hem problematisch waren. Als gevolg van een echtscheidingsprocedure woonde [naam appellant] niet meer in de echtelijke woning en was daar niet meer bereikbaar. Later was [naam appellant] ook via zijn mobiele telefoon niet meer bereikbaar en haalde hij zijn post niet meer op bij de bewindvoerder, aldus de bewindvoerder. Ook gaf hij geen gehoor aan het verzoek van de bewindvoerder om de aangiftes inkomstenbelasting van 2002 en 2003 in orde te maken. [naam appellant] heeft erkend dat hij een periode moeilijk te bereiken was. Thans woont hij in huis bij zijn broer in [naam woonplaats] en heeft hij derhalve weer een vast adres. Voorts heeft hij inmiddels de voornoemde aangiftes in orde gemaakt, hetgeen de bewindvoerder ter zitting heeft beaamd.

4.4. Het hof overweegt als volgt.

Ter zitting is gebleken dat het feit dat [naam appellant] gedurende een periode als gevolg van een echtscheidingsprocedure moeilijk te bereiken was voor de bewindvoerder de voornaamste reden vormde om de rechter-commissaris te adviseren de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen. Voorts is ter zitting gebleken dat [naam appellant] thans weer een vast adres heeft, dat hij de aangiftes inkomstenbelasting van 2002 en 2003 heeft ingediend en dat hij bereid en in staat is om de boedelachterstand te voldoen, zodra de hoogte daarvan bekend is. De bewindvoerder heeft ter zitting medegedeeld positief te staan tegenover een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.

Het hof zal echter geen inhoudelijke beslissing geven over de mogelijke beëindiging van de schuldsaneringsregeling of eventueel verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling zoals door [naam appellant] verzocht, gelet op het volgende.

Het is het hof ambtshalve bekend dat de rechtbank in haar vonnis van 19 september 2001, waarbij [naam appellant] tot de schuldsaneringsregeling is toegelaten, niet op grond van artikel 295, lid 3 Faillissementswet (F.) het bedrag heeft vastgesteld dat aan [naam appellant] ter beschikking zou staan. Evenmin heeft de rechtbank tussentijds of ter gelegenheid van de omstreden beëindiging van de schuldsaneringsregeling een saneringsplan als bedoeld in artikel 343 F. vastgesteld, waarin een dergelijk bedrag wordt bepaald en waarin de looptijd van de schuldsaneringsregeling wordt vastgesteld. Aldus kan het hof niet beoordelen of een beëindiging van de schuldsaneringsregeling aan de orde is dan wel of een verlenging van de looptijd tot de mogelijkheden behoort, gelet op het bepaalde in artikel 343 lid 2 F.(Vgl. Hof Leeuwarden, 24 maart 2004, LJN: AO 6588)

Bij gebreke van een schuldsaneringsplan dient daarom het vonnis waarvan beroep te worden vernietigd en wordt de zaak terugverwezen naar de rechtbank teneinde alsnog een saneringsplan vast te stellen.

4.5. Gelet op de voorgaande feiten en omstandigheden zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en de zaak terugverwijzen naar de rechtbank voor het vaststellen van een saneringsplan.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te Breda van 26 augustus 2004

en opnieuw rechtdoende:

verwijst de zaak naar de rechtbank te Breda in verband met de vaststelling alsnog van een saneringsplan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Smeenk-Van der Weijden en Katerberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 13 oktober 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.