Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ4652

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-02-2004
Datum publicatie
22-07-2004
Zaaknummer
96/01941
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de onder (5) en (6) vermelde cijfers leidt de bepaling in de Verordening dat ingeval de toegevoerde hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld vanwege de omstandigheid dat meerdere eigendommen op één gemeenschappelijke watermeter zijn aangesloten, deze hoeveelheid op 125 m3 wordt gesteld, naar het oordeel van het Hof tot een zodanig onredelijke en willekeurige belastingheffing dat deze bepaling als onverbindend moet worden aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-1608
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 96/01941

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y tegen de uitspraak van Burgemeester en wethouders van de gemeente Y (hierna, evenals de thans ter zake bevoegde heffingsambtenaar van de gemeente Y, aan te duiden als: de ambtenaar) op zijn bezwaarschrift betreffende de hem voor het jaar 1996 opgelegde aanslag in het rioolrecht.

De mondelinge behandeling:

De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 15 april 1998 te Eindhoven. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, tot bijstand vergezeld van de heer J. te H, alsmede, als gemachtigde van de ambtenaar, de heer mr. J., medewerker civielrechtelijke zaken van de afdeling Bestuurs- en Managementondersteuning van de gemeente Y.

Naar aanleiding van het ter zitting door het Hof tot de ambtenaar gerichte verzoek om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken, heeft tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden, waarbij het bepaalde in de artikelen 14, lid 1, aanhef en onder 2, en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken overeenkomstige toepassing heeft gevonden.

De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft wederom met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 20 januari 2004, eveneens te Eindhoven. Aldaar is toen verschenen en gehoord, als gemachtigde van de ambtenaar, de heer H., medewerker juridische zaken ter secretarie van de Y.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 3 februari 2004, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing:

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak;

vermindert de aanslag tot een ten bedrage van fl. 165,=

(€ 74,87);

gelast dat door de Griffier aan belanghebbende een bedrag

van fl. 35,= (€ 15,88) aan griffierecht wordt gerestitueerd;

en

gelast dat door de ambtenaar aan belanghebbende het door

deze verschuldigde griffierecht ad fl. 40,= (€ 18,15) wordt

vergoed.

De gronden:

(1) Ingevolge het bepaalde in artikel 4 van de Verordening wordt, voor zover te dezen van belang, het onderhavige rioolrecht geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit het eigendom wordt afgevoerd, wordt het aantal kubieke meters afvalwater gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de aan het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar de eigendom is toegevoerd en wordt ingeval de toegevoerde hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld vanwege de omstandigheid dat meerdere eigendommen op één gemeenschappelijke watermeter zijn aangesloten, zoals met betrekking tot het onderhavige eigendom het geval is, de toegevoerde hoeveelheid water gesteld op 125 kubieke meter.

(2) Vaststaat dat het onderhavige eigendom deel uitmaakt van een complex van 40 woningen en dat naar deze woningen in de aan het onderhavige belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode in totaal 1972 m3 water is toegevoerd, ofwel gemiddeld 49,3 m3 per woning. Na herleiding tot een verbruiksperiode van exact twaalf maanden komt dit verbruik uit op gemiddeld 49,57 m3 per woning.

(3) Het tarief van het rioolrecht bedraagt -voor zover te dezen van belang- voor het onderhavige jaar per eigendom bij een hoeveelheid afvalwater

van niet meer dan 50 m3 fl. 165,=

van meer dan 50 m3 doch niet meer dan 100 m3 fl. 197,40

van meer dan 100 m3 doch niet meer dan 150 m3 fl. 219,=

van meer dan 150 m3 doch niet meer dan 200 m3 fl. 252,=.

(4) In overeenstemming met het bepaalde in artikel 4 van de Verordening is de onderhavige aanslag opgelegd naar een hoeveelheid van 125 m3 afvalwater, resulterende in een bedrag van fl. 219,=.

(5) Blijkens een door de ambtenaar overgelegd overzicht van de voor het belastingjaar 1998 relevante verbruiksperiode -van welk overzicht de ambtenaar tijdens de tweede mondelinge behandeling heeft verklaard dat dit overzicht representatief is voor het onderhavige belastingjaar- zijn er in de gemeente -na eliminatie van die gevallen waarin een aparte regeling van toepassing is- in totaal 1.844 eigendommen welke op een gemeenschappelijke watermeter zijn aangesloten en is naar die eigendommen in totaal 140.550 m3, ofwel gemiddeld per eigendom 76,22 m3, water toegevoerd.

Blijkens dit overzicht zijn er -na eliminatie als evenbedoeld- in de gemeente in totaal 124 gevallen waarin meerdere eigendommen op één gemeenschappelijke watermeter zijn aangesloten. In 9 van die gevallen, met in totaal 110 eigendommen, bedraagt het gemiddelde verbruik per eigendom niet meer dan 50 m3, in 82 van die gevallen, met in totaal 1.470 eigendommen, bedraagt het gemiddelde verbruik per eigendom meer dan 50 m3 doch niet meer dan 100 m3, in 30 van die gevallen, met in totaal 256 eigendommen, bedraagt het gemiddelde verbruik per eigendom meer dan 100 m3 doch niet meer dan 150 m3 en in 3 van die gevallen, met in totaal 8 eigendommen, bedraagt het gemiddelde verbruik per eigendom meer dan 150 m3.

(6) De ambtenaar heeft tijdens de tweede mondelinge behandeling verklaard dat er in de gemeente circa 17.000 à 18.000 eigendommen voorkomen.

(7) Gelet op de onder (5) en (6) vermelde cijfers leidt de bepaling in de Verordening dat ingeval de toegevoerde hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld vanwege de omstandigheid dat meerdere eigendommen op één gemeenschappelijke watermeter zijn aangesloten, deze hoeveelheid op 125 m3 wordt gesteld, naar het oordeel van het Hof tot een zodanig onredelijke en willekeurige belastingheffing dat deze bepaling als onverbindend moet worden aangemerkt.

(8) De ambtenaar, op wie alsdan de bewijslast rust met betrekking tot de hoeveelheid water welke naar het onderhavige eigendom is toegevoerd, heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze hoeveelheid meer dan het onder (2) vermelde gecorrigeerde gemiddelde van 49,57 m3 bedraagt.

(9) Gelet op het vorenstaande dient de bestreden uitspraak te worden vernietigd en dient de aanslag te worden verminderd tot een ten bedrage van fl. 165,=.

(10) Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

(11) Door de Griffier is van belanghebbende voor deze zaak een griffierecht geheven van fl. 75,=. Nu het bedrag waarvoor het geschil loopt niet hoger is dan fl. 150,=, dient dit recht gelet op het bepaalde in artikel 5, derde lid, van de onder (10) vermelde wet met fl. 35,= te worden verminderd. De Griffier dient dit laatste bedrag aan belanghebbende te restitueren.

Nu het beroep gegrond is, dient de ambtenaar, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de onder (10) vermelde wet, het resterende griffierecht ad fl. 40,= aan belanghebbende te vergoeden.

(12) Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 3 februari 2004 door J.A. Meijer, lid van voormelde Kamer, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 16 februari 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 68,07. Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak eveneens een griffierecht van € 68,07 verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.