Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ4606

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-04-2004
Datum publicatie
22-07-2004
Zaaknummer
02/03497
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AY9982
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vragen of tot de buitengewone lasten van belanghebbende kunnen worden gerekend de $ 3.000,= die hij in het kindertehuis in China heeft betaald en het gehele bedrag van de verteerkosten.

Daarnaast is in geschil of het gelijkheidsbeginsel aan uitsluiting van de aftrek van het bedrag van $ 3.000,=in de weg staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/50.1.4
FutD 2004-1371
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/03497

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Particulieren te Z van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst ZZ van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 49.653,=, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 29,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting een nader stuk ingediend. Het hof rekent dit stuk tot de stukken van het geding.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 maart 2004 te Eindhoven.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, tot bijstand vergezeld van de heer J., alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw B en de heer H.

1.5. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben in 2000 hun dochter geadopteerd vanuit China.

2.2. De adoptieprocedure was reeds in 1996 gestart en behelsde een toestemming door het ministerie van Justitie en de tussenkomst van een adoptiebemiddelingsbureau. Nadat belanghebbende en zijn echtgenote een trainings- en beoordelingstraject waren doorlopen verzamelde het bemiddelingsbureau de benodigde documenten en zond deze naar China. Nadat deze documenten door de Chinese autoriteiten in orde waren bevonden en een potentieel adoptiefkind was gevonden, werden belanghebbende en zijn echtgenote hiervan op de hoogte gesteld en hebben zij een verklaring ondertekend waarin staat dat zij het kind zouden adopteren. Nadat vervolgens deze verklaring en de overige documenten nogmaals door de Chinese autoriteiten werden gecontroleerd en akkoord bevonden zijn belanghebbende en zijn echtgenote uitgenodigd om naar China te komen. In China leverden de autoriteiten de voor de adoptie benodigde documenten af bij het kindertehuis waar het kind verbleef. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben tegenover de directeur van het kindertehuis de adoptiepapieren ondertekend en $ 3.000,= betaald. Vervolgens tekende ook de directeur deze documenten. Met deze documenten de reçu betreffende de betaling van $ 3.000,= zijn belanghebbende en zijn echtgenote naar de plaatselijke burgerlijke stand gegaan waar door inschrijving de adoptie formeel plaatsvond, nadat de documenten en de reçu aldaar waren overgelegd en akkoord bevonden.

2.3. Het bedrag van $ 3.000,= dat aan de directeur van het kindertehuis werd betaald is een door de Chinese overheid vastgesteld bedrag dat voor elke adoptie verschuldigd is en dat het kindertehuis moet afdragen aan de autoriteiten. Dit bedrag komt niet ten goede aan het kindertehuis.

2.4. Tijdens het verblijf in China hebben belanghebbende, zijn echtgenote en hun dochter verbleven in een hotel. In dit hotel gebruikten zij hun maaltijden en de overige consumpties. Belanghebbende heeft de door hem opgevoerde kosten, in de stukken en hierna aangeduid als verteerkosten, verminderd met een privé-besparing van fl. 360,=, gesteld op fl. 7.877,= Volgens de door hem verstrekte specificatie bedroegen deze kosten € 95,= per persoon per dag voor de ouders en € 75,= voor het kind en bestonden zij uit ontbijt, lunch, een vier gangen diner, vier drankjes overdag (€ 16,80) en 's avonds drankjes voor € 16,50.

2.4. In zijn aangifte voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende zowel het bedrag van $ 3.000,= als het totale bedrag van de door hem gestelde verteerkosten als buitengewone lasten in aftrek gebracht. Het bedrag van $ 3.000,= moet worden gelijkgesteld aan fl. 7.710,=.

2.5. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur het bedrag van $ 3.000,= niet in aftrek toegelaten. Ter zake van de verteerkosten heeft hij de als buitengewone lasten aftrekbare verteerkosten berekend op fl. 3.300,= minus een privé-besparing thuis van fl. 360,=. Door een telfout is de correctie ter zake van de verteerkosten gesteld op fl. 4.860,= in plaats van fl. 4.937,=.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vragen of tot de buitengewone lasten van belanghebbende kunnen worden gerekend de $ 3.000,= die hij in het kindertehuis in China heeft betaald en het gehele bedrag van de verteerkosten.

Daarnaast is in geschil of het gelijkheidsbeginsel aan uitsluiting van de aftrek van het bedrag van $ 3.000,=in de weg staat.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoordt. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting het volgende toegevoegd.

Belanghebbende

Adoptieprocedures duren heel lang, wij zijn al in 1996 daarmee gestart. Eerst moet toestemming door het Ministerie van Justitie verkregen worden. Dan moet je, je inschrijven bij een toegelaten adoptiebemiddelingsbureau. Nadat wij een trainings- en beoordelingstraject waren doorlopen, verzamelde het bemiddelingsbureau de benodigde documenten en zond deze naar China. Nadat deze documenten door de Chinese autoriteiten in orde waren bevonden en een potentieel adoptiefkind was gevonden, werden wij hiervan op de hoogte gesteld en hebben wij een verklaring ondertekend waarin staat dat wij het kind zouden adopteren. Nadat vervolgens deze verklaring en de overige documenten nogmaals door de Chinese autoriteiten werden gecontroleerd en akkoord bevonden, zijn wij uitgenodigd om naar China te komen. In China leverden de autoriteiten de voor de adoptie benodigde documenten af bij het kindertehuis waar het kind verbleef. Wij hebben in het kantoor van de directeur van het kindertehuis de adoptiepapieren ondertekend en $ 3.000,= betaald. Vervolgens tekende ook de directeur deze documenten. Met deze documenten en de reçu betreffende de betaling van $ 3.000,= zijn wij naar de plaatselijke burgerlijke stand gegaan waar, door inschrijving, de adoptie formeel plaatsvond. Die inschrijving is een emotioneel moment, als daar de handtekeningen en stempels zijn gezet, is de adoptie in China officieel voltooid.

In Nederland duurt het vervolgens nog een jaar voordat ook hier de adoptie helemaal rond is en het kind de Nederlandse nationaliteit krijgt. Mogelijk zal dat tegenwoordig sneller kunnen omdat er een verdrag met China gesloten is of gesloten gaat worden op grond waarvan het kind meteen de Nederlandse nationaliteit kan krijgen.

Als je de $ 3.000,= niet betaalt, tekent de directeur van het tehuis de papieren niet en krijg je het kind niet mee. Ook kan bij de burgerlijke stand de officiële adoptie dan niet plaatsvinden. Het bedrag van $ 3.000,= geldt ongeacht het kind en ongeacht het kindertehuis waar het vandaan komt. Anders dan kennelijk in sommige andere landen het geval is, bestaat er dus geen relatie tussen de kosten van medische zorg en verzorging die aan het kind zijn besteed en het te betalen bedrag. Het bedrag komt ook niet rechtstreeks ten goede aan het kindertehuis. Ik zie het meer als een soort belasting of leges die je moet betalen om de adoptieaanvraag toegewezen te krijgen. Het kindertehuis int het geld wel, maar doet dat namens de Chinese overheid en moet het bedrag ook afdragen. Ik bestrijd daarom dat dit bedrag strekt tot vergoeding van zogenaamde

pre-adoptiekosten. Veel ouders geven overigens naast de $ 3.000,= nog een vrijwillige bijdrage aan het kindertehuis. Die bijdrage is natuurlijk niet aftrekbaar.

De verteerkosten zijn opgeroepen door de adoptie omdat er in redelijkheid geen andere mogelijkheid was dan in het hotel te eten. Het werd ons sterk afgeraden om in goedkopere lokale eethuisjes of langs de weg te gaan eten. Het was mogelijk geweest om te besparen op deze kosten door minder uitgebreid te dineren, maar thuis gebruiken wij ook dagelijks een vier gangen diner.

Ik maak geen aanspraak op een vergoeding van proceskosten.

De Inspecteur

Het stuk dat belanghebbende voorafgaande aan de zitting heeft ingediend heb ik tijdig ontvangen. Ik heb er geen bezwaar tegen als het tot de gedingstukken wordt gerekend.

In de uitspraak op bezwaar staat ten onrechte dat het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is. In de uitspraak op bezwaar staat een onjuiste dagtekening van de aanslag vermeld, de juiste dagtekening is 5 december 2001. Het bezwaarschrift is bij ons binnengekomen op 9 januari 2002 en is dus tijdig ingediend.

Het mag waar zijn dat het bedrag van $ 3.000,= voor elk kind gelijk is en door het kindertehuis aan de overheid moet worden afgestaan, maar dat neemt niet weg dat het bedrag strekt tot vergoeding van de pre-adoptiekosten. Dat dergelijke kosten niet aftrekbaar zijn is bevestigd in het arrest HR 7 maart 2001, BNB 2001/185.

De verteerkosten zijn aftrekbaar voor zover zij door de adoptie zijn opgeroepen. Naar mijn mening moet in elk geval van de door belanghebbende opgevoerde kosten worden afgetrokken een bedrag voor de besparing en verder vind ik dat belanghebbende zonder enig gevaar voor het succesvol verloop van de adoptie best wat minder uitgebreid had kunnen dineren en 's avonds wat minder drankjes had kunnen bestellen. Bovendien lijkt het mij overtrokken dat voor het kind dezelfde kosten voor eten en drinken zijn gemaakt als voor de ouders. Mijn ervaring is dat een klein kind na een voorgerecht en een kop soep echt geen hoofdgerecht - te weten een "grilled lamb chop" - meer kan eten, laat staan een toetje.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 37.083,=.

De Inspecteur concludeert naar het hof begrijpt tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en ongegrondverklaring van het bezwaar.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Volgens artikel 46, aanhef en eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in de voor het jaar 2000 geldende tekst (hierna: de Wet IB 1964) zijn buitengewone lasten de op de belastingplichtige drukkende uitgaven ter zake van onder meer adoptie voor zover deze uitgaven de in die bepaling genoemde drempel te boven gaan. In het zevende lid van het zojuist genoemde artikel 46 staat dat uitgaven ter zake van adoptie in aanmerking worden genomen tot een bedrag bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. Deze regels zijn opgenomen in artikel 13 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990. Voor zover hier van belang houden die regels in dat als uitgaven ter zake van adoptie worden aangemerkt de uitgaven verband houdende met de indiening en de behandeling van een verzoek tot het uitspreken van adoptie volgens het recht van het land van herkomst van het kind en de uitgaven voor vervoer en begeleiding van het kind naar de woning of verblijfplaats van de adoptanten, met dien verstande dat als reis- en verblijfkosten van de adoptanten in totaal niet meer dan de reis- en verblijfkosten met betrekking tot een heen- en terugreis in aanmerking worden genomen.

4.2. Vaststaat dat belanghebbende het bedrag van $ 3.000,= diende te betalen ten einde in China de adoptieprocedure tot een goed einde te kunnen brengen. Zonder betaling van dit bedrag zou de Chinese burgerlijke stand de nieuwe inschrijving weigeren en zonder deze inschrijving zou - naar het hof begrijpt - de adoptieprocedure in China niet zijn voltooid. Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat de betaling van $ 3.000,= behoort tot de uitgaven verband houdende met de indiening en de behandeling van een verzoek tot het uitspreken van adoptie volgens het recht van het land van herkomst van het kind, in de hiervoor onder 4.1. bedoelde zin. Dit brengt mee dat deze kosten voor aftrek in aanmerking komen.

4.3. De Inspecteur heeft de omvang van de door belanghebbende in aanmerking genomen verteerkosten bestreden door te stellen dat het moeilijk denkbaar is dat de dochter van belanghebbende en zijn echtgenote, afgezien van de drankjes 's avonds, vrijwel een zelfde consumptiepatroon had als belanghebbende en zijn echtgenote en dat deze kosten uitstijgen boven hetgeen in redelijkheid aan de adoptie kan worden toegerekend.

4.4. Naar het oordeel van het hof kunnen verteerkosten als de onderhavige alleen dan tot de op de belastingplichtige drukkende uitgaven ter zake van adoptie in de zin van artikel 46, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 1964 worden gerekend indien en voor zover zij door de adoptie worden opgeroepen. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belanghebbende bij betwisting door de Inspecteur niet alleen de omvang van de uitgaven aannemelijk maakt, maar ook het oorzakelijk verband tussen de uitgaven en de adoptie. Met de Inspecteur is het hof van oordeel dat het in aftrek geweigerde deel van de verteerkosten onvoldoende aannemelijk is geworden. In het bijzonder acht het hof niet aannemelijk dat voor het kind verteerkosten zijn gemaakt die in dezelfde orde van grootte liggen als die voor de beide ouders en voorts acht het hof niet aannemelijk dat de verteerkosten van de beide ouders in volle omvang door de adoptie zijn opgeroepen.

4.5. Het voorgaande brengt mee dat het beroep gegrond is. De uitspraak moet worden vernietigd en de aanslag moet worden opgelegd tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 49.653,= minus fl. 7.710,= (ter zake van de betaling van $ 3.000,=) is fl. 41.943,=.

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

Belanghebbende heeft ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 41.943,=,

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,=, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden.

Aldus gedaan door R.J. Koopman, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.H.W.N. Lammers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 april 2004.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 21 april 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.