Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ4532

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-05-2004
Datum publicatie
22-07-2004
Zaaknummer
02/01660
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

- Is een bedrag van ƒ 14.795,- aftrekbaar als rente en kosten van de eigen woning?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 1146
FutD 2004-1360

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/01660

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer ing.X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren Z van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/ZZ van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 20.886,-, welke aanslag, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 18.113,-.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 29,-.

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 4 maart 2004 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer R.

1.4. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Het hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.5. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende heeft op 14 september 1995 een hypothecaire lening afgesloten van ƒ 250.000,- voor de aankoop van het woonhuis W-baan 00 te Y (hierna: de eigen woning).

2.2. Op 7 april 1997 heeft belanghebbende een hypothecaire lening afgesloten van ƒ 30.000,-, waarvoor tweede hypotheek op de eigen woning is verleend.

2.3. Op 29 januari 1999 heeft belanghebbende met aflossing van de in 2.1 en 2.2 bedoelde hypothecaire leningen een nieuwe hypothecaire lening afgesloten voor een bedrag van ƒ 531.250,- (hierna: de lening 1999).

2.4. Belanghebbende heeft de eigen woning na de verstrekking van de lening 1999 verbouwd, maar van de verbouwing geen rekeningen bewaard of enige administratie bijgehouden.

2.5. In de bezwaarfase zijn de in 2.1 en 2.2 bedoelde leningen en de daarmee verband houdende kosten van ƒ 14.500,- aangemerkt als geheel besteed aan de eigen woning.

2.6. Van de lening 1999 is een bedrag van ƒ 185.275,- gestort op een beleggingsrekening. Dit geld is belegd in aandelen. Van de lening 1999 is verder onder meer ƒ 33.000,- gestort op een eigen bankrekening.

2.7. Belanghebbende heeft in zijn aangifte een bedrag van ƒ 40.782,- aangegeven als aftrekbare rente en kosten van de eigen woning en een bedrag van ƒ 523,- als betaalde rente van schulden.

2.8. De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling een bedrag van ƒ 17.568,- gecorrigeerd bij de aftrekbare rente en kosten van de eigen woning, waarvan een bedrag van ƒ 10.404,- in aanmerking is genomen als rente van schulden. In de bezwaarfase heeft de Inspecteur deze correctie teruggebracht naar ƒ 14.795,-.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

- Is een bedrag van ƒ 14.795,- aftrekbaar als rente en kosten van de eigen woning?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

- Royal Top Fund is een beleggingsrekening. Een bedrag van ƒ 185.275,- van de op 29 januari 1999 afgesloten hypotheek is op deze beleggingsrekening gestort. Het op deze beleggingsrekening gestorte geld is in aandelen belegd. Ik weet niet wat er daarna met die aandelen is gebeurd; ze zijn meer of minder waard geworden.

- In 1999 heb ik geen erfenis van mijn schoonvader gehad, want deze is pas in 2000 overleden. In 1999 heb ik geen schenking van mijn schoonvader gehad.

- De verbouwing van de eigen woning is nog niet gereed gemeld bij de gemeente.

- In de stukken staat vermeld dat er 10 m³ beton voor de computerkamer is gebruikt. Dit is niet juist.

- Het "Overzicht kosten verbouwing woning" heb ik in 2001 gemaakt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van het belastbaar inkomen naar een bedrag van ƒ 13.722,-.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende stelt dat hij de rekeningen in verband met de verbouwing niet hoeft te bewaren, omdat hij niet op de hoogte was van het feit dat hij deze zou moeten bewaren.

4.2. Nu belanghebbende aftrek van hypotheekrente ter zake van de eigen woning claimt, is het op grond van de vrije bewijsleer aan belanghebbende bewijs te leveren voor zijn stelling dat het bedrag van de in 1999 per saldo opgetreden hypotheekverhoging geheel of gedeeltelijk is aangewend voor verbetering of onderhoud van de eigen woning teneinde in aanmerking te komen voor de geclaimde aftrek.

4.3. Het is niet voldoende dat belanghebbende, zoals deze ter zitting heeft verklaard, wil meewerken aan het aantonen van de verbouwing. Belanghebbende moet immers het verband tussen de lening 1999 en de voor die verbouwing gedane uitgaven aannemelijk maken.

Belanghebbende biedt het hof aan een bouwdeskundige naar de eigen woning te laten kijken, zodat deze de gemaakte bouwkosten vaststelt. Met een kostenraming van een bouwdeskundige kan naar het oordeel van het hof alleen aannemelijk worden gemaakt dat er een verbouwing heeft plaatsgehad en welk bedrag die verbouwing naar redelijke inschatting heeft gekost. De verbouwing op zich is niet in geschil. De Inspecteur heeft immers in de uitspraak op bezwaar verklaard dat hij erkent dat er een verbouwing heeft plaatsgehad. De kostenraming van een bouwdeskundige kan echter geen uitsluitsel geven over het voor aftrek vereiste verband tussen de lening 1999 en de voor die verbouwing gedane uitgaven, waardoor belanghebbende ook bij inwilliging van zijn aanbod niet voldoet aan de op hem rustende bewijslast.

4.4. Met betrekking tot de besteding van de gelden afkomstig uit de lening 1999 heeft belanghebbende aangegeven, uitgezonderd de afrekening van de notaris, geen stukken te kunnen overleggen. Verder heeft belanghebbende, naast het door hem in 2001 opgestelde overzicht, slechts facturen en bonnetjes over de jaren 1995 tot en met 1997 overgelegd. Van de betalingen van de gestelde aankopen en verrichte werkzaamheden in het jaar 1999 zijn geen gegevens overgelegd. Belanghebbende heeft die betalingen ook niet anderszins aannemelijk gemaakt. Bovendien heeft belanghebbende desgevraagd ter zitting verklaard niet te weten wat er met de beleggingsrekening is gebeurd, behalve dat de aandelen meer of minder waard zijn geworden.

Belanghebbende heeft naar het oordeel van het hof, met hetgeen hij heeft overgelegd en overigens naar voren heeft gebracht, niet aannemelijk gemaakt dat de in 1999 per saldo opgetreden hypotheekverhoging geheel of gedeeltelijk is aangegaan voor verbetering of onderhoud van de eigen woning.

4.5. Voor het geval belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat hij in zijn bewijspositie met betrekking tot de hypotheekverhoging is geschaad door de wijze waarop de rijksbelastingdienst uitvoering heeft gegeven aan de wetswijziging met betrekking tot de aftrekbeperking van de persoonlijkeverplichtingenrente (artikel 45, vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, tekst 1999) met ingang van 1 januari 1997, kan die stelling belanghebbende niet baten, omdat de lening 1999 in 1999 is aangegaan, de verbouwing in 1999 heeft plaatsgehad en de Inspecteur de rente en kosten van de lening 1999, voorzover die diende tot vervanging van de in 2.1 en 2.2 bedoelde leningen, in aftrek heeft toegelaten.

4.6. De maximale aftrek voor rente van schulden bedraagt ƒ 10.404,-. De Inspecteur heeft een correctie aangebracht tot ƒ 10.404,-, maar heeft daarbij geen rekening gehouden met een bedrag van ƒ 523,- dat als zodanig reeds was vermeld in de aangifte van belanghebbende. Al met al is het hof van oordeel dat de onderhavige aanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld.

4.7. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door J.W. van der Voort, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van P.J.A.M. van Sleuwen, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 14 mei 2004

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 14 mei 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.