Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ1739

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-05-2004
Datum publicatie
15-07-2004
Zaaknummer
02/01306
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is als houder van een geregistreerde inrichting voor het onttrekken van grondwater voor het jaar 2000 betrokken in de grondwaterheffing ten bedrage van ƒ 150,=. Dit tarief is gebaseerd op artikel 7 van de Verordening op de heffing en invordering van de Grondwaterheffing, dat luidt als volgt:

"Artikel 7

Voor onttrekkingen met een omvang kleiner dan of gelijk aan 7.500 belastbare kubieke meters onttrokken grondwater bedraagt de heffing ƒ 150,--. Dit bedrag wordt voor grotere onttrekkingen verhoogd met ƒ 0,02 per belastbare kubieke meter meer.".

Belanghebbende heeft tijdens de zitting verklaard, dat zijn grief hieruit bestaat dat hij meent dat de aanslag ƒ 11,40 dient te bedragen, namelijk de door hem onttrokken hoeveelheid grondwater van 570 kubieke meters à ƒ 0,02.

Wetsverwijzingen
Grondwaterwet 48, geldigheid: 2004-05-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 1134
FutD 2004-1330
Belastingblad 2004/1097

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/01306

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift betreffende de aanslag in de grondwaterheffing over het jaar 2000.

Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 mei 2004 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende alsmede, de ambtenaar.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 26 mei 2004, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof:

-verklaart het beroep gegrond,

-vernietigt de bestreden uitspraak,

-vermindert de aanslag tot een bedrag van ƒ 11,40 (€ 5,17),

-gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van ƒ 109,= (€ 49,46), en

-wijst Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant aan als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden.

De gronden voor de beslissing

1. Belanghebbende is als houder van een geregistreerde inrichting voor het onttrekken van grondwater voor het jaar 2000 betrokken in de grondwaterheffing ten bedrage van ƒ 150,=. Dit tarief is gebaseerd op artikel 7 van de Verordening op de heffing en invordering van de Grondwaterheffing, dat luidt als volgt:

"Artikel 7

Voor onttrekkingen met een omvang kleiner dan of gelijk aan

7.500 belastbare kubieke meters onttrokken grondwater bedraagt

de heffing ƒ 150,--. Dit bedrag wordt voor grotere onttrekkingen

verhoogd met ƒ 0,02 per belastbare kubieke meter meer.".

2. Belanghebbende heeft tijdens de zitting verklaard, dat zijn grief hieruit bestaat dat hij meent dat de aanslag ƒ 11,40 dient te bedragen, namelijk de door hem onttrokken hoeveelheid grondwater van 570 kubieke meters à ƒ 0,02.

3. In zijn verweerschrift en ook ter zitting heeft de ambtenaar verklaard dat het bedrag van ƒ 150,= dient ter dekking van de kosten van heffing en invordering van de grondwaterheffing. Hij heeft eveneens verklaard dat het tarief van ƒ 0,02 per kubieke meter kostendekkend is.

Die twee verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, brengen het hof tot de conclusie dat naar mate de hoeveelheid onttrokken grondwater groter wordt het bedrag dat ter beschikking komt voor de kosten van heffing en invordering lager wordt en dat vanaf een hoeveelheid van 7.500 kubieke meters de aanslag in het geheel geen bedrag meer voor de kosten van heffing en invordering bevat.

De ambtenaar heeft, ter zitting met die conclusie geconfronteerd, geen afdoende verklaring hiervoor gegeven.

Het Hof komt tot de slotsom dat het vaste tarief voor onttrekkingen onder 7.500 kubieke meters leidt tot een willekeurige en onredelijke heffing en verklaart dit tarief dan ook onverbindend.

Griffierecht en proceskosten

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht te worden vergoed.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en van overige voor nadere opgaaf vatbare kosten, als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, niet is gebleken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door J.Th. Simons, lid van voormelde kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2004.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 26 mei 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 51,=.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van € 204,50 verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.