Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AP5419

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2004
Datum publicatie
01-07-2004
Zaaknummer
R200400069 en R200400070
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschikking 15 april 2004

Uit het huwelijk van de ouders zijn twee kinderen geboren die sinds december 1996 onder toezicht van de stichting staan naar aanleiding van de melding van moeder van mogelijke seksuele handelingen door vader. De ouders zijn in 1997 gescheiden. In het kader van de ondertoezichtstelling vindt er begeleide omgang plaats tussen vader en het jongste kind van 10 jaar oud en onbegeleide omgang tussen vader en het oudste kind dat 13 jaar oud is. Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank conform het verzoek van de stichting de ondertoezichtstelling verlengd. Vader is het niet eens met de ondertoezichtstelling. Hij stelt ten eerste dat er geen sprake is van een ernstige bedreiging van de kinderen, omdat hij hen nooit seksueel misbruikt heeft. Voorts stelt vader dat de rechtbank ten onrechte de pedagogische onmacht van moeder heeft aangegrepen om de ondertoezichtstelling te verlengen.

Het hof acht het gevaar aanwezig dat de huidige omgang tussen de vader en de kinderen geen doorgang zal blijven vinden als deze niet in het kader van een ondertoezichtstelling ondersteund wordt. De kans dat de kinderen bij belemmering van de omgang met hun vader door hun moeder in een loyaliteitsconflict terechtkomen met als gevolg dat zij in hun ontwikkeling worden bedreigd, acht het hof zeer groot. Anders dan door de vader ter zitting betoogd is hier geen sprake van een omgangsondertoezichtstelling die geen genade vindt in de arresten van de Hoge Raad van 13 april 2001, NJ 2002, 4 en 5, maar van een ondertoezichtstelling die gerechtvaardigd wordt door het kennelijk diepgewortelde wantrouwen bij moeder in vader en haar onmacht om daarmee om te gaan, althans zonder begeleiding en bescherming van een ondertoezichtstelling. Beëindiging van de ondertoezichtstelling zal onmiskenbaar leiden tot een situatie waarin niet alleen geen omgang tussen vader en de kinderen mogelijk is, maar die tevens vanwege te verwachten overspannen reacties van de moeder een ernstige bedreiging oplevert voor de zedelijke en geestelijke belangen van de kinderen. Het hof is dan ook van oordeel dat er thans nog altijd sprake is van een situatie als bedoeld in art. 1:254 lid 1 BW, zodat een ondertoezichtstelling geboden blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 april 2004

Rekestenkamer

Rekestnummer R200400069

R200400070

GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[de vader],

wonende te [woonplaats],

appellant,

de vader,

procureur mr. J.E. Lenglet,

t e g e n

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

vestiging [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Breda van 3 december 2003, nrs. 125970JERK03-1312 en 125973JERK03-1314, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 4 februari 2004, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoer-baar bij voorraad, de ondertoezichtstelling op te heffen en partijen dwingend in overweging te geven in onderling overleg een omgangsregeling vast te stellen, kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 20 februari 2004, heeft mevrouw [naam moeder], moeder van de minderjarigen [namen minderjarigen] (hierna: de moeder), als belanghebbende verzocht de vader in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn hoger beroep als zijnde ongegrond en/of onbewezen af te wijzen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 maart 2004. Bij die gelegenheid zijn de vader en zijn advocaat alsmede de heer [naam vertegen-woordiger] namens de stichting gehoord. Tevens zijn de moeder en haar advocaat gehoord.

De raad voor de kinderbescherming is, alhoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De minderjarige [naam minderjarige zoon] is in de gelegenheid gesteld zijn mening aan het hof kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door middel van het schrijven van een brief. Deze brief is ter zitting voorgelezen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 27 november 2003;

- een brief met bijlagen van de procureur van de vader d.d. 13 februari 2004;

- de brief van [naam minderjarige zoon], ingekomen ter griffie op 20 februari 2004;

- het ter zitting overgelegde verweerschrift van de stichting.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren: [naam minderjarige zoon], op 10 mei 1991, en [naam minderjarige dochter], op 10 april 1994. [naam minder-jarige zoon] en [naam minderjarige dochter] staan sinds 4 december 1996 onder toezicht van de stichting. Aanleiding voor de ondertoezichtstelling was de melding van moeder van mogelijke seksuele handelingen van vader met [naam minderjarige zoon] en de ontwikkelingsachterstand die [naam minderjarige zoon] binnen de opvoedingssituatie opliep. De vader verliet het gezin in oktober 1996. De ouders zijn sinds [datum echtscheiding] officieel gescheiden. De moeder heeft het ouderlijk gezag over de kinderen.

4.2. Op 28 oktober 2003 heeft de stichting de rechtbank verzocht de ondertoezichtstelling van [naam minderjarige zoon] en [naam minderjarige dochter] voor de duur van een jaar te verlengen.

4.3. Uit de gezinsvoogdijplannen van de stichting van 27 oktober 2003 komt het volgende naar voren.

4.3.1. Hoewel [naam minderjarige zoon] aanvankelijk kampte met gedrags- en slaapproblemen, blijkt hij thans reeds geruime tijd zowel op school als thuis goed te functioneren. Wel valt het op dat hij zich in toenemende mate aan [naam minderjarige dochter] stoort en hij het soms moeilijk vindt om in gespannen situaties zijn moeder niet bij te vallen. Ondanks dat verloopt de relatie tussen [naam minderjarige zoon] en [naam minderjarige dochter] doorgaans goed. [naam minderjarige zoon] ervaart moeder positief en voelt zich verantwoordelijk voor haar. Ook vader ervaart hij positief. [naam minderjarige dochter] is geneigd tot verward en angstig gedrag en kan zich te veel laten leiden door haar eigen wensen en behoeften, hetgeen zich uit in ontremd en dominant gedrag. Zij is op die momenten voor moeder slecht aanspreekbaar of te corrigeren. De psychoseksuele ontwikkeling van [naam minderjarige dochter] is zorgwekkend. Onderzoekers stellen het aannemelijk te achten dat [naam minderjarige dochter], net zoals [naam minderjarige zoon], grensoverschrijdende seksuele ervaringen heeft opgedaan. [naam minderjarige dochter] ervaart zowel moeder als vader positief.

4.3.2. Moeder laat zien in pedagogisch opzicht over een goed inzicht te beschikken, maar raakt echter snel vermoeid en belast door het aanhoudende claimende gedrag van [naam minderjarige dochter]. Hierdoor heeft ze opvoedings- ondersteuning nodig.

De bezoeken van vader aan de kinderen onder begeleiding van de gezinsvoogd maken weinig duidelijk over de pedagogische kwaliteiten van vader. Hij maakt doorgaans een opgewekte indruk en lijkt de psychische problemen waarmee hij lange tijd kampte achter zich te hebben gelaten.

4.3.3. De kinderen hebben beiden te kennen gegeven graag langer en vaker contact te willen met vader. De bezoekregeling zorgt echter nog altijd voor veel spanning tussen de ouders, hetgeen door de kinderen gevoeld wordt. Met het oog op het ernstige vermoeden van seksueel grensoverschrijdend gedrag door vader bestaat bij moeder en de stichting onvoldoende vertrouwen om [naam minderjarige dochter] onbegeleid bij de vader te laten zijn. Bij [naam minderjarige zoon] ligt dit, gezien zijn leeftijd, zijn inzichtelijk vermogen en weerbaarheid eenvoudiger. Tussen hem en de vader zal dan ook, met instemming van moeder, wel gestart worden met onbegeleide omgang.

4.4. Bij beschikking, waarvan beroep, heeft de rechtbank te Breda het verzoek van de stichting toegewezen en de ondertoezichtstelling van [naam minderjarige zoon] en [naam minderjarige dochter] verlengd tot 4 december 2004.

4.5. De eerste grief van vader houdt in dat de rechtbank ten onrechte de ondertoezichtstelling heeft verlengd op de grond dat er sprake is van een ernstige bedreiging van [naam minderjarige zoon] en [naam minderjarige dochter]. Opnieuw wordt slechts het vermoeden van seksueel misbruik door vader aangegrepen om de ondertoezichtstelling te continueren. Volgens vader berust dit vermoeden echter op grove leugens en onwaarheden en is de klacht tegen hem wegens gebrek aan bewijs geseponeerd. Vader vermoedt dat de moeder mede door haar extreme geloofsovertuiging in de meest normale toenadering en contacten tussen ouders en kinderen reeds een vorm van seksueel misbruik ziet. Zij wordt daarbij onterecht door de stichting gesteund. Daarnaast wordt volgens vader steeds uitgegaan van oude rapportages uit 2000. Hij wenst een nieuw onderzoek bij één van de Ambulatoria in Nederland, aangezien beide kinderen steeds aangeven dat zij wel een normale omgang met hun vader willen.

Vader stelt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte de pedagogische onmacht van moeder heeft aangegrepen om de ondertoezichtstelling te verlengen. Hij is ervan overtuigd dat wanneer er tussen hem en de kinderen een normale omgangsregeling wordt vastgesteld, [naam minderjarige dochter] minder gedragsproblemen zal vertonen. Bij hem heeft [naam minderjarige dochter], in tegenstelling tot bij haar moeder, de vrijheid om zichzelf te zijn en zich te kleden en te gedragen zoals kinderen van haar leeftijd doen.

4.6. De moeder brengt in haar verweerschrift naar voren dat de kinderen blijkens het ABJ-rapport van 8 maart 2000 herhaaldelijk zeer concrete verklaringen hebben afgelegd omtrent het grensoverschrijdend seksueel gedrag van vader. Dat dit laatste niet tot strafrechtelijke vervolging heeft geleid, betekent volgens moeder in geen geval dat dit zonder meer ter zijde geschoven mag worden. De vader bagatelliseert alle signalen van de kinderen om zo snel mogelijk gestalte te kunnen geven aan de door hem gewenste omgangsregeling en houdt daarbij geen rekening met de belangen van de kinderen. Dat het de moeder er niet om te doen is om de omgang tussen vader en de kinderen te belemmeren blijkt uit het feit dat zij de kinderen in de gelegenheid stelt om de vader elke week te bellen, [naam minderjarige zoon] elke maand een dag onbegeleid omgang met de vader heeft en de vader toestemming van de moeder heeft gekregen om bij de uitvoering van de gymnastiek van [naam minderjarige dochter] aanwezig te zijn. De moeder ziet niet in waarom een nieuw onderzoek gestart zou moeten worden.

4.7. De vertegenwoordiger van de stichting heeft ter zitting verklaard dat de signalen vanuit [naam minderjarige zoon] en [naam minderjarige dochter], die duiden op grensoverschrijdend gedrag door vader, serieus genomen moeten worden. De verklaringen van beide kinderen zijn zeer duidelijk en vormen reden om vast te houden aan een voorzichtige, voor [naam minderjarige dochter] nog begeleide, bezoekregeling tussen de vader en de kinderen. Hoewel beide kinderen inderdaad hebben aangegeven hun vader meer te willen zien, hebben zij begrip voor de voorzichtige aanpak.

Voorts heeft de vertegenwoordiger van de stichting verklaard dat moeder niet zozeer pedagogisch onmachtig is (zij is wel in staat om inhoud te geven aan haar gezag over de kinderen), maar dat het haar soms erg zwaar valt om [naam minderjarige dochter] in de hand te houden wanneer deze zich weerbarstig en zeer dwingend opstelt.

Desgevraagd heeft hij ter zitting naar voren gebracht dat ook de grond voor de ondertoezichtstelling van [naam minderjarige zoon] naar de mening van de stichting nog aanwezig is. De huidige situatie waarin [naam minderjarige zoon] één keer per maand onbegeleide omgang met vader heeft, is nog zeer pril. Volgens de stichting dient eerst bekeken te worden of deze omgang daadwerkelijk goed verloopt, voordat kan worden overgegaan tot opheffing van de ondertoezichtstelling

4.8. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, overweegt het hof als volgt.

4.8.1. Uit de verklaring van de moeder ter zitting blijkt dat de moeder nog niet overtuigd is van het feit dat [naam minderjarige zoon] voldoende weerbaar is om onbegeleid contact te hebben met zijn vader. Zij heeft daarnaast aangegeven het zonder begeleiding niet aan te kunnen, zeker niet gezien de problemen die zij nu al ten aanzien van [naam minderjarige dochter] ervaart. Voorts is naar voren gekomen dat er nog altijd een groot wederzijds wantrouwen bestaat tussen de ouders, zodat een gezamenlijk toewerken naar een bevredigende oplossing voor alle partijen niet tot de mogelijkheden behoort.

4.8.2 Het hof acht het gevaar aanwezig dat de huidige omgangsregelingen tussen de vader en [naam minderjarige zoon] en tussen de vader en [naam minderjarige dochter] geen doorgang zullen blijven vinden als deze niet in het kader van een ondertoezichtstelling ondersteund worden. Duidelijk is dat zowel het begeleide contact tussen [naam minderjarige dochter] en vader als het onbegeleide contact tussen [naam minderjarige zoon] en vader goed verloopt en dat de kinderen, ondanks hun mogelijke ervaringen in het verleden, loyaal zijn aan hun vader. Dit zijn ze echter ook aan hun moeder. De kans dat zij bij belemmering van de omgang met hun vader door hun moeder in een loyaliteitsconflict terechtkomen dat tot gevolg heeft dat zij in hun ontwikkeling worden bedreigd, acht het hof zeer groot. Anders dan door de vader is betoogd, is hier geen sprake van een omgangsondertoezichtstelling die geen genade heeft gevonden in de arresten van de Hoge Raad van 13 april 2001, NJ 2002, 4 en 5, maar van een ondertoezicht-stelling die gerechtvaardigd wordt door het kennelijk diepgewortelde wantrouwen bij moeder in vader en haar onmacht om daarmee om te gaan, althans zonder begeleiding en bescherming in de vorm van een ondertoezichtstelling. Beëindiging van de ondertoezichtstelling zal, naar redelijkerwijze verwacht mag worden, onmiskenbaar leiden tot een situatie waarin niet alleen geen omgang tussen vader en de kinderen mogelijk is, maar die tevens, vanwege te verwachten overspannen reacties van moeder, een ernstige bedreiging oplevert voor de zedelijke en geestelijke belangen van de kinderen. Vooralsnog valt niet in te zien hoe hierin kan worden voorzien anders dan door een zorgvuldige begeleiding van moeder in het kader van een ondertoezichtstelling.

4.8.3. Het hof is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat er thans nog altijd sprake is van een situatie als bedoeld in art. 1:254 lid 1 BW, zodat een ondertoezichtstelling geboden blijft. Mitsdien zal het hof het verzoek van de vader tot opheffing van de ondertoezichtstelling afwijzen en de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigen.

4.9. Het verzoek van de vader om partijen dwingend in overweging te geven in onderling overleg een omgangsregeling vast te stellen kan evenmin worden toegewezen, aangezien dit verzoek geen grondslag vindt in de wet.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Breda van 3 december 2003;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs.Van Griensven, Den Hartog Jager en Van der Linden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 april 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.