Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AP5297

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-04-2004
Datum publicatie
01-07-2004
Zaaknummer
99/30566
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslagen reeds bekend was, of bekend had kunnen zijn met het feit dat aanleiding gaf tot het opleggen van de navorderingsaanslagen.

Belanghebbende meent dat de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd omdat dergelijk nieuw feit naar zijn mening niet aanwezig is. De Inspecteur is een tegengestelde opvatting toegedaan.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/40.9 met annotatie van Redactie
FutD 2004-1187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/30566

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)van het Gerechtshof te

's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraken van het hoofd van de eenheid particulieren te P van de rijksbelastingdienst (hierna: evenals de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Z van de Rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op de bezwaarschriften betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 1989, 1990 en 1991, aanslagnummers 1.H.97, H.07 en H.17 en de navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting voor de jaren 1990 en 1991, aanslagnummers 2.K.07 en K.17.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1989

Nadat aan belanghebbende aanvankelijk een aanslag was opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 8.744,-- is aan hem een navorderingsaanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van, na een ambtshalve verleende vermindering, ƒ 25.412,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag bij een van de bestreden uitspraken gehandhaafd.

1.2. Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1990

Nadat aan belanghebbende aanvankelijk een aanslag was opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 13.664,-- is aan hem een navorderingsaanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 24.555,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag bij een van de bestreden uitspraken gehandhaafd.

1.3. Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1991.

Nadat aan belanghebbende aanvankelijk een aanslag was opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 14.144,-- is aan hem een navorderingsaanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 19.721,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag bij een van de bestreden uitspraken gehandhaafd.

1.4. Vermogensbelasting 1990

Nadat aan belanghebbende aanvankelijk een aanslag was opgelegd naar een vermogen van ƒ 258.000,-- is aan hem een navorderingsaanslag opgelegd berekend naar een vermogen van, na een ambtshalve verleende vermindering, ƒ 451.000,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag bij een van de bestreden uitspraken gehandhaafd.

1.5. Vermogensbelasting 1991.

Nadat aan belanghebbende aanvankelijk een aanslag was opgelegd naar een vermogen van ƒ 329.000,-- is aan hem een navorderingsaanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 428.000,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag bij een van de bestreden uitspraken gehandhaafd.

1.6 Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.

Ter zake van het beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van ƒ 60,-- (€ 27,23).

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Op de voet van de artikelen 8:12 en 8:44 van de Awb hebben partijen op 27 november 2002 ten overstaan van een raadsheer-commissaris inlichtingen verstrekt, waarbij tevens aan partijen met toepassing van artikel 8:45 van de Awb is verzocht inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden. Van het verstrekken van inlichtingen ten overstaan van de raadsheer-commissaris is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is verzonden op 10 december 2002.

Het proces-verbaal en de met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 4 december 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende bezat in de jaren 1989 tot en met 1991 spaarbiljetten uitgegeven door de NV Crediet- en Depositokas, bankbedrijf van de Grenswisselkantoren N.V. (hierna: CDK-bank). Het betrof biljetten aan toonder van nominaal ƒ 10.000 per stuk (hierna worden deze biljetten aangeduid als de CDK-biljetten of de biljetten).

Belanghebbende heeft deze CDK-biljetten niet rechtstreeks verworven doch door tussenkomst van een besloten vennootschap (hierna: de BV). Bij de aankoop van de biljetten door belanghebbende heeft de BV ten behoeve van haarzelf het tijdelijk recht van vruchtgebruik van die biljetten voorbehouden. Kort voor die aankoop heeft de BV de volle eigendom van de biljetten gekocht van de CDK-bank. Een en ander vond plaats op de wijze als beschreven in onder meer de arresten van de Hoge Raad van 23 december 1992, BNB 1993/75 en 19 maart 1997, BNB 1997/148. In 1989 heeft belanghebbende in totaal ƒ 14.216,-- uitgekeerd gekregen op de biljetten. In 1990 bedroeg die uitkering

ƒ 9.707,-- en in 1991 ƒ 4.972,--. Ter zake van deze uitkeringen heeft de Inspecteur bij de onderhavige navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen rente in aanmerking genomen.

2.2. Op 19 september 1986 is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek huiszoeking verricht op onder meer het vestigingsadres van de BV en twee andere vennootschappen (hierna te zamen: de BV's) die op dezelfde wijze als de BV CDK-biljetten verwierven en doorverkochten. Bij deze huiszoeking is de aldaar aanwezige administratie van onder meer de BV in beslag genomen. De in beslag genomen administratie is nadien ter beschikking gesteld van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD), en op 19 maart 1987 door het Openbaar Ministerie vrijgegeven voor gebruik ten behoeve van de belastingheffing inzake onder meer de door de BV verkochte CDK-biljetten. De administratie is onderzocht door mevrouw A, destijds werkzaam op de Inspectie der directe belastingen te Q, die daarbij werd geassisteerd door een groep adjunct-inspecteurs. Dit onderzoek heeft onder meer geleid tot het opstellen van een lijst van de in de administratie van de BV aangetroffen contracten betreffende de verkoop van CDK-biljetten. Na het door mevrouw A verrichte onderzoek heeft de heer B, lid van de projectgroep Pseudo-bloot eigendom van de in maart 1987 door de Directeur-Generaal der Belastingen ingestelde Coördinatiegroep Constructiebestrijding (hierna: CCB), in december 1987 renseignementen verspreid, gericht aan diverse - toenmalige - Inspecties der directe belastingen.

2.3. In het kader van gevoerde en te voeren procedures met betrekking tot CDK-biljetten heeft mevrouw C van de Belastingdienst een boekenonderzoek ingesteld bij de CDK-Bank. Tijdens haar onderzoek is mevrouw C op meer voor renseignering in aanmerking komende contracten gestuit dan waren opgenomen in de renseigneringsronde in 1987. Onder meer zijn in deze eerste ronde niet of nauwelijks contracten die zijn gesloten in 1985 en 1986 begrepen.

Van dit onderzoek is op 18 mei 1993 rapport uitgebracht. In 1994 is naar aanleiding van het onderzoek van mevrouw C een tweede renseigneringsronde gevolgd.

2.4.De biljetten van belanghebbende zijn onopgemerkt gebleven bij het onderzoek dat heeft geleid tot de eerste renseigneringsronde in 1987. Die biljetten zijn wel begrepen in de tweede renseigneringsronde, die plaatsvond in 1994.

2.5. De CDK-bank gaf diverse soorten spaarbiljetten uit. De volle eigendom daarvan werdt veelal op een normale manier, zonder tussenkomst van de drie BV's in omloop gebracht. Indien een belastingplichtige de bloot eigendom van deze niet besmette biljetten verkreeg, gaf dat voor de Belastingdienst geen aanleiding tot een correctie. Op de eenheid werd na de eerste renseigneringsronde aangenomen dat alle besmette biljetten gerenseigneerd waren en dat als men bij de aanslagregeling een vermelding tegenkwam van bloot eigendom van CDK-biljetten in een geval waarin niet was gerenseigneerd, ervan werd uitgegaan dat het moest gaan om niet besmette biljetten.

2.6. De gecombineerde aangifte van belanghebbende voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1989 en de vermogensbelasting 1990 is gedagtekend 3 maart 1990. De gecombineerde aangifte voor het daarop volgende jaar is gedagtekend 5 maart 1991. In een bijlage bij deze beide aangiften heeft belanghebbende vermeld dat hij in het bezit is van "bloot eigendom 6% spaarbiljet CDK". Een dergelijke vermelding ontbreekt bij de gecombineerde aangifte van belanghebbende voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1991 en de vermogensbelasting 1992. De primitieve aanslagen voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1989 en vermogensbelasting 1990 zijn gedagtekend 28 februari 1991. De primitieve aanslagen voor het daarop volgende jaar zijn gedagtekend 29 februari 1992. De primitieve aanslag voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1991 is gedagtekend 30 september 1993. De navorderingsaanslagen voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1989 en de vermogensbelasting 1990 zijn gedagtekend 31 december 1994. De dagtekening van de navorderingsaanslagen voor het daaropvolgende belastingjaar is 29 december 1995. De navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1991 is gedagtekend 16 februari 1996.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslagen reeds bekend was, of bekend had kunnen zijn met het feit dat aanleiding gaf tot het opleggen van de navorderingsaanslagen.

Belanghebbende meent dat de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd omdat dergelijk nieuw feit naar zijn mening niet aanwezig is. De Inspecteur is een tegengestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting het volgende toegevoegd.

3.2.1. Belanghebbende:

De enige stelling die ik wens te handhaven is het beroep op het nieuw feitvereiste, als bedoeld in artikel 16, lid 1, AWR. Alle overige stellingen trek ik in.

De biljetten van belanghebbende zijn bij de eerste renseigneringsronde onopgemerkt gebleven. Pas in 1994, naar aanleiding van de tweede renseigneringsronde, is actie tegen belanghebbende ondernomen. Belanghebbende had echter zijn bezit van bloot eigendom van CDK-biljetten al in een bijlage bij zijn aangiften vermeld. De belastingdienst had dus al op de hoogte kunnen zijn van het feit dat tot navordering aanleiding gaf toen de primitieve aanslag werd geregeld. Ten tijde van die primitieve aanslagregeling was er immers in de vakliteratuur al zoveel over deze affaire geschreven, dat de Inspecteur had moeten beseffen dat de biljetten vielen onder het beleid dat de fiscus had uitgestippeld ter bestrijding van de zogenoemde mantelfabricage.

Belanghebbende kan geen verwijt worden gemaakt. Hij heeft zijn bezit keurig in een bijlage bij de aangifte vermeld. De reden waarom in de laatste aangifte geen vermelding meer is opgenomen, is dat belanghebbende in de loop van 1991 zijn laatste biljetten verzilverde. Daardoor kwamen zij in de vermogensopstelling per 1 januari 1992 niet meer voor.

3.2.2. Inspecteur:

Het mag zo zijn dat belanghebbende geen verwijt treft met betrekking tot de vermelding in de aangiften, ondertussen blijkt uit die vermelding in het geheel niet dat het hier gaat om door de bewuste drie BV's gefabriceerde bloot eigendom. De CDK-bank gaf diverse spaarbiljetten uit en de volle eigendom daarvan werden veelal op een normale manier, zonder tussenkomst van de drie BV's in omloop gebracht. Indien een belastingplichtige de bloot eigendom van deze niet besmette biljetten verkrijgt, was er voor een correctie geen aanleiding. Op de eenheid werd na de eerste renseigneringsronde aangenomen dat alle besmette biljetten gerenseigneerd waren. Als men bij de aanslagregeling een vermelding tegenkwam van bloot eigendom van CDK-biljetten in een geval waarin niet was gerenseigneerd, werd ervan uitgegaan dat het moest gaan om niet besmette biljetten. Mijns inziens levert dit uitgangspunt geen ambtelijk verzuim op.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraken en de navorderingsaanslagen.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraken.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de enkele omstandigheid dat belanghebbende in een bijlage van zijn aangiften melding heeft gemaakt van het bezit van de bloot eigendom van CDK-biljetten, voor de Inspecteur ten tijde van de aanslagregeling geen aanleiding behoefde te vormen tot het vermoeden dat sprake zou zijn van besmette CDK-biljetten, noch hem aanleiding behoefde te geven voor een nader onderzoek naar het karakter van die biljetten. Zoals onder 2.5. hiervoor vermeld werden immers door de CDK-bank ten tijde van de aanslagregeling diverse soorten niet besmette biljetten in omloop uitgeven, zodat de verkrijging door een belastingplichtige van de bloot eigendom van CDK-biljetten op zichzelf geen aanleiding gaf tot het aanbrengen van een correctie. Belanghebbende heeft voorts in de bijlagen van die aangiften niet nader gespecificeerd welke van de diverse soorten CDK-biljetten zich in zijn bezit bevonden. Het Hof neemt voorts in overweging dat op de eenheid na de eerste renseigneringsronde aangenomen werd dat alle besmette biljetten gerenseigneerd waren en dat als men bij de aanslagregeling een vermelding tegenkwam van bloot eigendom van CDK-biljetten in een geval waarin niet was gerenseigneerd, ervan werd uitgegaan dat het moest gaan om niet besmette biljetten. Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslagen reeds bekend was, of bekend had kunnen zijn, met het feit dat aanleiding gaf tot het opleggen van de navorderingsaanslagen.

4.2. Het gelijk is aan de zijde van de Inspecteur. Voor dat geval is niet in geschil dat de bestreden uitspraken in stand moeten blijven.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door R.J. Koopman, voorzitter, A.J. van Soest en N. van Beelen, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 2 april 2004.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 2 april 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.