Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AP1812

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-04-2004
Datum publicatie
17-06-2004
Zaaknummer
02/02269
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag is berekend naar het juiste aantal overnachtingen op de niet-vaste standplaatsen voor mobiele kampeeronderkomens.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, de ambtenaar bevestigend.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 224
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/887
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/02269

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Y, handelend onder de naam X te Q, tegen de uitspraak van het Hoofd Middelen van de gemeente Q (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift betreffende de haar voor het jaar 1999 opgelegde aanslag in de toeristenbelasting van de gemeente Q.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag is, met dagtekening 31 oktober 2001, vastgesteld naar 221.750 overnachtingen op een bedrag van ƒ 277.187,50.

Na bezwaar heeft de ambtenaar de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Zij heeft terzake van het beroep een griffierecht voldaan van € 218,--.

Het hoofd van de Afdeling Financiële Zaken van de gemeente QQ, thans de bevoegde ambtenaar, heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de ambtenaar een conclusie van dupliek.

Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 februari 2004 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, in de persoon van haar centrumdirecteur A, en de gemachtigde van belanghebbende. De ambtenaar is niet verschenen.

De griffier heeft verklaard dat hij bij op 1 december 2003 naar het door de ambtenaar opgegeven adres verzonden uitnodiging met ontvangstbevestiging, waarvan een afschrift tot de stukken van het geding behoort, heeft kennis gegeven van plaats, dag en uur der mondelinge behandeling. Blijkens de brief van de gemeenste QQ van 11 december 2003 is de uitnodiging op 11 december 2003 door een ambtenaar van die gemeente in ontvangst genomen.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan het Hof. Een afschrift van de pleitnota is aan deze uitspraak gehecht en de inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaring van belanghebbende ter zitting, stelt het Hof als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1.Belanghebbende exploiteert in de gemeente QQ, in het onderhavige jaar nog de zelfstandige gemeente Q, een camping. De camping beschikt over vakantieonderkomens en biedt plaats aan mobiele kampeeronderkomens op vaste en op niet-vaste standplaatsen. De camping beschikt over 482 niet-vaste standplaatsen.

2.2. Voorzover te dezen van belang luidt de Verordening toeristenbelasting 1999, vastgesteld op 3 november 1998 en op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt op 18 november 1998, als volgt:

"Artikel 5 Maatstaf van heffing.De belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen.Artikel 6 Forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing.1. Het aantal personen dat heeft overnacht, wordt met betrekking tot:

a. vakantie-onderkomens en niet-beroepsmatig verhuurde ruimten bepaald op het aantal slaapplaatsen;

b. mobiele kampeeronderkomens en stacaravans op vaste standplaatsen bepaald op:

2,2 personen indien het aantal slaapplaatsen drie of minder bedraagt;

3,5 personen indien het aantal slaapplaatsen meer dan drie bedraagt;

c. mobiele kampeeronderkomens op niet-vaste standplaatsen bepaald op de som van het aantal kampeeronderkomens bestemd voor verblijf van maximaal drie personen, vermenigvuldigd met 2,2 en het aantal kampeeronderkomens bestemd voor verblijf van meer dan drie personen, vermenigvuldigd met 3,5.

2. Het aantal malen dat door de in het eerste lid bedoelde personen is overnacht wordt:

a. ingeval verblijf wordt gehouden in vakantie-onderkomens, niet beroepsmatig verhuurde ruimten dan wel op vaste standplaatsen, welke geschikt zijn voor gebruik of slechts gebruikt mogen worden gedurende een periode van:

ten hoogste drie maanden bepaald op 54; .

meer dan drie maanden doch ten hoogste zes maanden bepaald op 83;

meer dan zes maanden doch ten hoogste twaalf maanden bepaald op 86;

b. ingeval verblijf wordt gehouden in mobiele kampeeronderkomens op niet-vaste standplaatsen bepaald op 365.

3. Het aantal mobiele kampeeronderkomens als bedoeld in het eerste lid, letter c, wordt vastgesteld op het gemiddelde van een zestal tellingen gedurende het belastingjaar, waarbij iedere telling valt binnen een afzonderlijke periode van twee maanden.

Artikel 7 Opteren voor niet-forfaitaire maatstaf van heffing.

In afwijking van het bepaalde in artikel 6 wordt op een door de belastingplichtige bij de aangifte gedane aanvraag de maatstaf van heffing vastgesteld op het werkelijk aantal overnachtingen, indien blijkt dat dit aantal lager is dan het op grond van artikel 6 berekende aantal."

2.3. Aan belanghebbende is op 30 mei 2000 een aangiftebiljet toeristenbelasting voor het jaar 1999 uitgereikt. Het biljet diende voor 30 juni 2000 ingevuld geretourneerd te worden. Het op 25 september 2000 gedagtekende biljet is op 29 september 2000 bij de ambtenaar binnengekomen. Belanghebbende heeft daarbij voor de in artikel 6 eerste lid onderdeel a genoemde categorieën opgegeven: 268 slaapplaatsen, voor de in onderdeel b genoemde eerste categorie 106 en tweede categorie 174 kampeeronderkomens. Tevens is op dit aangiftebiljet vermeld dat het werkelijk aantal overnachtingen in 1999 totaal 150.162 bedraagt. Bij de aangifte zijn geen bijlagen gevoegd.

2.4. De ambtenaar heeft in 1999 zes tellingen uitgevoerd waarbij is geconstateerd dat in januari 3, in maart 45, op 28 mei 110, op 5 augustus 489, op 29 september 83 en in november geen mobiele kampeeronderkomens aanwezig waren. Niet geconstateerd is of die onderkomens tot drie of voor meer dan 3 personen slaapplaatsen boden noch of deze al dan niet bezet waren en of ze op een vaste of niet-vaste standplaats stonden.

2.5.1. Tussen de ambtenaar en belanghebbende is overleg geweest met betrekking tot de berekening van de aanslag. De ambtenaar heeft bij die berekening de aangifte gevolgd voorzover het de vakantieonderkomens en vaste standplaatsen betreft. Voor wat betreft de niet-vaste standplaatsen heeft de ambtenaar als uitgangspunt de in 2.4 genoemde tellingen genomen en die gelijkelijk verdeeld over beide categorieën en komt daarmee voor de aanslag uit op 126.290 overnachtingen voor de niet-vaste standplaatsen.

2.5.2. Belanghebbende komt voor die standplaatsen met zijn berekening uit op 52.588 overnachtingen. Zij gaat daarbij uit van 2.636 geboekte weken voor kamperen en rekent die gelijkelijk toe aan beide categorieën.

Belanghebbende maakt in zijn administratie onderscheid tussen "bungalows", "kamperen", en "vaste gasten" waarbij voor 1999 in totaal bij het "kamperen" 2.636 weekboekingen hebben plaatsgevonden.

2.6. De aanslagen voor de jaren 1997 en 1998 zijn door de ambtenaar steeds conform de aangifte, die nagenoeg gelijk waren aan die voor 1999, vastgesteld.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag is berekend naar het juiste aantal overnachtingen op de niet-vaste standplaatsen voor mobiele kampeeronderkomens.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, de ambtenaar bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting heeft belanghebbende daaraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Ik concludeer nader tot een belastingbedrag ter zake van de mobiele vakantieonderkomens op niet-vaste standplaatsen uitgaande van 2.636 weekboekingen en een gemiddelde bezetting van 2,2 personen, resulterend in een aantal overnachtingen van 40.594, ofwel een belastingbedrag van ƒ 50.743,--.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en, naar het Hof verstaat, vermindering van de aanslag tot ƒ 170.067,50.

De ambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het Hof is van oordeel dat de ambtenaar op regelmatige wijze is opgeroepen nu de uitnodiging op 11 december 2003 door een ambtenaar van de gemeente QQ in ontvangst is genomen.

4.2. Nu ten aanzien van de in 2.4 genoemde tellingen vaststaat dat niet geconstateerd is of de onderkomens verblijf bieden aan meer respectievelijk minder dan drie personen, noch of die onderkomens op het moment van de telling al dan niet bezet waren en of de getelde onderkomens op een vaste of niet-vaste standplaats stonden, kunnen die tellingen naar het oordeel van het Hof niet worden gebruikt om het aantal overnachtingen met mobiele vakantieonderkomens op niet-vaste standplaatsen vast te stellen. Het Hof doet dit oordeel mede steunen op de in de stukken naar voren gebrachte stelling van belanghebbende dat het door de ambtenaar vastgestelde aantal overnachtingen een bezettingsgraad van de niet-vaste standplaatsen betekent die 190% bedraagt van het landelijk gemiddelde volgens de RECRON, welke stelling door de ambtenaar niet gemotiveerd is weersproken.

4.3. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard nader te concluderen dat het aantal overnachtingen met mobiele vakantieonderkomens op niet-vaste standplaatsen aan de hand van het aan zijn administratie ontleende aantal weekboekingen "kamperen" gesteld kan worden op 2.636 maal 7 maal de minimale bezetting van 2,2 personen ofwel totaal 40.594 overnachtingen. Nu ter zake van het aantal overnachtingen met mobiele vakantieonderkomens op niet-vaste standplaatsen een hoger aantal dan 40.594 door de ambtenaar, op wie te dezen de bewijslast rust, welke zich, zoals hiervoor overwogen, louter baseert op niet-valide tellingen, niet aannemelijk is gemaakt, moet de aanslag worden verminderd met de belasting over 85.696 overnachtingen ofwel met ƒ 107.120,--.

4.4. Op grond van al het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van belanghebbende zodat moet worden beslist als hierna vermeld.

5. Proceskosten en griffierecht

Nu het beroep gegrond is moet de gemeente QQ ingevolge het bepaalde in artikel 8.74 van de Awb, aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Tevens acht het Hof termen aanwezig de ambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten op kosten ter zake van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op 2 (punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1,5 (gewicht van de zaak) is € 966,-- en reiskosten van A voor de aanwezigheid bij de mondelinge behandeling, welke reiskosten door het Hof worden aangemerkt als reiskosten van belanghebbende zelf, op € 27,44, ofwel totaal, afgerond, € 994,--. De overigens door belanghebbende aangevoerde kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking nu dat geen kosten zijn als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep gegrond, vernietigt de bestreden uitspraak, vermindert de aanslag tot een bedrag van ƒ 170.067,50, gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 218,--, veroordeelt de ambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 994,-- en wijst de gemeente QQ aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door A.J. van Soest, voorzitter, N. van Beelen en J.C.K.W. Bartel, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 19 april 2004

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 19 april 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.