Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AP1479

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-03-2004
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
20.002158.03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 2. subsidiair en 3. tweede subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2. hij op 29 september 2002 te Waalwijk, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen van ongeveer 260.000 pillen, bevattende MDMA, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, pillen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededader wisten dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit;

3. hij op 17 juni 2002 te Waalwijk en/of Venlo, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd een hoeveelheid van ongeveer 10 kilogram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hashish) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hashish een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

4 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 10
Opiumwet 3
Wetboek van Strafrecht 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 30 juni 2003 in de strafzaak onder parketnummer 02/004176-02 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1956,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Overmaze" te Maastricht.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Nadat de zaak is aangebracht op de terechtzitting van dit hof van 18 december 2003, op welke zitting de zaak niet inhoudelijk is behandeld en is aangehouden tot de terechtzitting van 17 februari 2004, is bij akte van 16 februari 2004 het hoger beroep door de officier van justitie ingetrokken. Hoewel deze intrekking formeel te laat is, is naar het oordeel van het hof noch het belang van de verdachte noch enig ander rechtens te beschermen belang gediend is met een behandeling van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep. De officier van justitie zal daarin dan ook niet ontvankelijk worden verklaard

Het hoger beroep van de verdachte moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 2. en 3. is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof -gelet op de ter terechtzitting in hoger beroep toegestane wijziging van de tenlastelegging- recht doet op een andere grondslag dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd: PRO MEMORIE.

In deze weergave van de tenlastelegging zijn de in hoger beroep toegelaten wijzigingen begrepen.

Voor zover in de tenlastelegging schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door het hof verbeterd. De verdachte is door deze verbetering niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

De raadsvrouwe heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de inleidende dagvaarding wat betreft het onder 2. primair en 3. primair ten laste gelegde nietig dient te worden verklaard, nu uit de omschrijving van die feiten niet duidelijk is op welke van de in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet, genoemde -door de raadsvrouwe aangeduid als "verlengde export"- handelingen de tenlastelegging ziet.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Bij de behandeling van deze feiten ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het voor de verdachte genoegzaam duidelijk is geweest tegen welk verwijt hij zich te dezen had te verdedigen. Ook voor het hof is op basis van de tenlastelegging onder 2. primair en 3. primair een richtige behandeling van deze feiten ter terechtzitting mogelijk gebleken.

Het verweer wordt alzo verworpen.

De bewezenverklaring

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2. primair, 3. primair en 3. subsidiair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 2. subsidiair en 3. tweede subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 29 september 2002 te Waalwijk, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen van ongeveer 260.000 pillen, bevattende MDMA, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, pillen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededader wisten dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit;

3.

hij op 17 juni 2002 te Waalwijk en/of Venlo, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd een hoeveelheid van ongeveer 10 kilogram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hashish) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hashish een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2. subsidiair en 3. tweede subsidiair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

De artikelen 3 en 11 van de Opiumwet zijn gewijzigd nadat het bewezenverklaarde was begaan. Deze wijziging berust evenwel niet op een gewijzigd inzicht van de wetgever nopens de strafwaardigheid van de onderwerpelijke gedraging, zodat het recht wordt toegepast dat gold ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het onder 2. subsidiair bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 10a, eerste lid, aanhef en onder 3°, van de Opiumwet juncto artikel 47, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 3. tweede subsidiair bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 3, eerste lid, onder B (oud), van de Opiumwet, juncto artikel 47, eerste lid onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht, en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid (oud), van de Opiumwet.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straffen is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake overtreding van artikel 3 van de Opiumwet is veroordeeld;

- de omstandigheid dat hard drugs als waarvan sprake is in het onder 2. subsidiair bewezenverklaarde, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren;

- de omstandigheid dat de verdachte bij de uitvoering van de bewezenverklaarde feiten een belangrijke rol heeft gespeeld;

- de omstandigheid dat verdachte slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin.

Het in de beslissing als zodanig te noemen onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geld is vatbaar voor verbeurdverklaring.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat, hoewel dit geld volgens de verklaring van verdachte niet aan hem toebehoort, het geld betreft dat geheel of grotendeels door middel van het onder 2. subsidiair bewezen verklaarde is verkregen en dat degene aan wie het geld toebehoorde met zijn verkrijging door middel van het strafbare feit bekend was.

Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De in de beslissing nader te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto moet worden teruggegeven aan de verdachte, zijnde degene onder wie de auto in beslag is genomen.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 24, 27, 33, 33a, 47, 57 en 91 en de artikelen 3 (oud), 10a en 11 (oud) van de Opiumwet.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in het hoger beroep.

Vernietigt het beroepen vonnis -voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen- en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2. primair, 3 primair en 3. subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2. subsidiair en 3. tweede subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 2. subsidiair en 3. tweede subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1.: "Medeplegen van: om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn voor het plegen van dat feit";

2.: "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder B (oud), van de Opiumwet gegeven verbod".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de navolgende inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- diverse bankbiljetten met een totale waarde van € 90.970,-- (zegge negentigduizend negenhonderdzeventig euro).

Gelast de teruggave aan de verdachte van het navolgende inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, kenteken [kenteken].

Dit arrest is gewezen door Mr. Bergkotte, als voorzitter

Mrs. Brandenburg en Van Zon, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Dhr. Boekelman, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 maart 2004.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 03

tijd : 09.30

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1956,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Overmaze" te Maastricht

Is bij vonnis van de rechtbank te Breda van 30 juni 2003 ter zake van:

ten aanzien van sub 2 primair: "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod", ten aanzien van sub 3: "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod";

veroordeeld tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, verklaart verbeurd diverse biljetten met een totale waarde van negentigduizendnegenhonderdzeventig euro, gelast de teruggave aan verdachte van een personenauto, [kenteken], Volkswagen Golf, verklaart de dagvaarding nietig voor zover betrekking hebbende op feit 1, vrijspraak van hetgeen onder sub 2 primair en sub 3 meer of anders is ten laste gelegd;