Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AP0605

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-02-2004
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
20.002801.03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf voor verkrachting, bedreiging en mishandeling van zijn voormalige vriendin. Verdachte heeft tijdens de relatie, zijn toenmalige vriendin gedurende een periode van meer dan een jaar stelselmatig verkracht, met de dood bedreigd en op ernstige wijze mishandeld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 242
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 31 juli 2003 in de strafzaak onder parketnummer 01/025090-03 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1980,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting P.I. Nieuw-Vosseveld te Vught.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof - gelet op de ter terechtzitting in hoger beroep toegestane wijziging van de tenlastelegging - recht doet op een andere grondslag dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd: PRO MEMORIE.

In deze weergave van de tenlastelegging zijn de in hoger beroep toegelaten wijzigingen begrepen.

De bewezenverklaring

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3. primair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1., 2. en 3. subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij meermalen in of omstreeks de periode van 15 oktober 2001 tot en met 04 februari 2003 te Eindhoven en te Someren, telkens door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die telkens bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte toen aldaar die [slachtoffer] telkens gedwongen te dulden dat verdachte

- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] duwde/bracht en/of

- zijn, verdachtes, penis, in de anus van die [slachtoffer] duwde/bracht en/of

- zijn, verdachtes, penis, in de mond van die [slachtoffer] duwde/bracht en/of

- zijn, verdachtes, hand, althans een of meer vingers, in de vagina van die [slachtoffer] duwde/bracht,

en bestaande dat geweld telkens hierin dat hij, verdachte, die [slachtoffer] vastpakte en/of op bed gooide en/of haar broek uittrok en/of boven op die [slachtoffer] ging liggen en/of haar benen met kracht uit elkaar duwde en/of haar hoofd met kracht vastpakte en naar zijn penis bracht.

2.

hij meermalen in of omstreeks de periode van 15 oktober 2001 tot en met 04 februari 2003, te Eindhoven of elders in Nederland, [slachtoffer] telkens heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar (telkens) opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood [slachtoffer]", althans telkens woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of tegen voornoemde [slachtoffer] heeft gezegd dat hij, verdachte, hij haar dood zou maken als zij met jongens zou praten;

3.

hij meermalen, in of omstreeks de periode van 15 oktober 2001 tot en met 04 februari 2003 te Eindhoven opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) met kracht tegen haar hoofd heeft geslagen en/of met kracht tegen haar benen heeft geschopt en/of getrapt en/of met een staaf op haar hoofd heeft geslagen, waardoor die [slachtoffer] (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1., 2. en 3. meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het onder 1. bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 2. bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 3. subsidiair bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft tijdens de relatie, zijn toenmalige vriendin gedurende een periode van meer dan een jaar stelselmatig verkracht, met de dood bedreigd en op ernstige wijze mishandeld.

Verdachte heeft aldus de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer op flagrante wijze geschonden.

Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke delicten daarvan landurig nadelige, psychische gevolgen kunnen ondervinden.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is voorts rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht aan het slachtoffer.

Ofschoon het hof komt tot een bewezen verklaring van minder dan waarvan in de vordering van de advocaat-generaal is uitgegaan, acht het hof op grond van het vorenstaande toch een straf, gelijk aan die welke door de advocaat-generaal is gevorderd, geboden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [slachtoffer] (per adres: mevrouw C. Althuizen, Bureau Slachtofferhulp Nederland, unit Eindhoven) als gevolg van de onder 1., 2. en 3. subsidiair bewezen verklaarde feiten, immateriële schade heeft geleden, welke het hof naar billijkheid begroot op € 5.000,--.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van ? 5.000,-- te betalen ten behoeve van het slachtoffer

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] (per adres: mevrouw C. Althuizen, Bureau Slachtofferhulp Nederland, unit Eindhoven) heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

De eerste rechter heeft de vordering tot een bedrag van € 5.000,-- toegewezen. De vordering duurt in zoverre van rechtswege voort.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij is door het onder 1., 2. en 3. subsidiair bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. De verdachte heeft de hoogte van deze vordering betwist.

Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag.

De proceskosten van de benadeelde partij worden tot na te melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.

Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 57, 242, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3. primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1., 2. en 3. subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1. 2. en 3. subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1.: "Verkrachting, meermalen gepleegd";

2.: "Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd";

3.: "Mishandeling, meermalen gepleegd".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] (per adres: mevrouw C. Althuizen, Bureau Slachtofferhulp Nederland, unit Eindhoven) te betalen het bedrag van € 5.000,-- (zegge vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van honderd (100) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer] (per adres: mevrouw C. Althuizen, Bureau Slachtofferhulp Nederland, unit Eindhoven), een bedrag van € 5.000,-, met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de vordering heeft voldaan, de verdachte daarvan is bevrijd.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Dit arrest is gewezen door Mr. Eijsenga, als voorzitter

Mrs. Bark - van Gink en Mooy, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Dhr. Boekelman, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 februari 2004.

Mr. Mooy is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 03

tijd : 13.30

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1980,

,

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting P.I. Nieuw-Vosseveld te Vught

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande

Is bij vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 31 juli 2003 ter zake van:

sub 1:

"Verkrachting, meermalen gepleegd",

sub 2:

"Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd",

sub 3 primair:

"Poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd",

veroordeeld tot:

4 jr. gev. straf OV. + MAV.

verpl . tot bet.a.d. Staat tbv [slachtoffer] ? 5000,= subs. 100 dgn.hecht.

toew.vord.ben.partij [slachtoffer] ? 5000,= + voor het overige deel niet ontv.

veroordeling verd. in kosten ben.partij