Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AP0596

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2004
Datum publicatie
04-06-2004
Zaaknummer
02/00939
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AU8531
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover hier van belang, dient een bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar te bevatten.

In artikel 6:6 van de Awb is bepaald dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/59.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/00939

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Z van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van fl. 50.000,=, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 218,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 januari 2004 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en de heer X, alsmede, de Inspecteur.

1.4. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota met één bijlage toegezonden aan het hof, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Het hof rekent deze pleitnota met één bijlage tot de stukken van het geding.

1.5. Van het overigens ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

1.6. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

1.7. Het hof heeft in deze zaak op 2 februari 2004 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 11 februari 2004 aan partijen verzonden.

1.8. Belanghebbende heeft op 9 maart 2004 verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het hiervoor verschuldigde recht van € 43,50 is op 25 maart 2004 betaald.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende heeft de vereiste aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 1998 niet bij de belastingdienst ingediend.

2.2. Belanghebbende heeft op 5 oktober 2001 een pro forma bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1998.

2.3. Belanghebbende is bij uitspraak op bezwaar, met dagtekening 4 januari 2002, niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Is belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

2. Is de aanslag vennootschapsbelasting terecht en tot een juist bedrag vastgesteld.

Belanghebbende is van oordeel dat beide vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende:

Een volmacht is niet nodig, nu de gemachtigde sinds 1999 advocaat is. Op 13 februari 2001 is een motivering ingediend om het pro forma bezwaarschrift aan te vullen. Of dit een constatering of een motivering is, is een vraag van juridische orde. De brieven die verstuurd zijn, zijn een nadere motivering. De vorige adviseur heeft een inval gehad van de FIOD en daarbij is de administratie van X B.V. in beslag genomen. Doordat er niet beschikt wordt over de administratie, kan er geen aangifte voor het jaar 1998 worden overgelegd. Het verlies kan wel aangetoond worden, maar niet met de jaarstukken. De B.V. fungeert puur als een doorgeefluik. Per fax heb ik voor de zitting de stukken van A B.V. naar het hof verzonden, omdat deze B.V. tot dezelfde groep behoort als de onderhavige B.V. en beide vennootschappen gelijk op gingen. Alleen met de jaarstukken van 1996, 1997 en 1999 kan aangetoond worden hoe het in 1998 met de B.V. ging. Het beroepschrift is nader gemotiveerd door een afschrift van de jaarstukken mee te sturen. Op de verzoeken van de Inspecteur is wel gereageerd, hier zijn geen brieven van, alleen telefoonnotities, die ik nu niet bij me heb. De Inspecteur heeft niet gewezen op artikel 6:5 en 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht. Bovendien heeft de inspecteur bij het opleggen van de ambtshalve aanslag niet gekeken naar vorige jaren. De Inspecteur heeft bepaald dat het belastbaar bedrag fl. 50.000,= moet bedragen. De eerdere jaren zijn allemaal conform de aangifte afgehandeld, waarom dit in 1998 niet het geval is, weet ik niet.

De Inspecteur:

De Inspecteur laat het pro forma bezwaarschrift, gedagtekend 11 september 2001, aan het hof en aan de wederpartij zien. De informatie over het in beslag nemen van de administratie is mij niet bekend, terwijl dit toch al enkele jaren bekend is. De gemachtigde had contact op kunnen nemen met de belastingdienst, zodat er iets geregeld kon worden. Tot nu toe heb ik heb niet de indruk gekregen dat de administratie een probleem opleverde. Ik heb er geen problemen mee dat de pleitnota en de bijlage tot de stukken wordt gerekend. Ik heb verschillende keren geprobeerd contact op te nemen met de gemachtigde, maar dat is niet gelukt. Bij het opleggen van de ambtshalve aanslag is er gekeken naar de vorige jaren. Bij het verhaal dat de B.V. een doorgeefluik is, zet ik vraagtekens. Uit ons systeem is namelijk gebleken dat er geen loonbelasting is betaald. De gemachtigde is tot twee keer toe verzocht om inlichtingen te geven, of hier ook een uiterste termijn aan is gesteld weet ik niet.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van het belastbaar bedrag tot nihil.

De Inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijk verklaring van het beroep en subsidiair tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover hier van belang, dient een bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar te bevatten.

In artikel 6:6 van de Awb is bepaald dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.1.1. De Inspecteur heeft belanghebbende twee maal in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verschaffen omtrent het ingediende bezwaarschrift. De eerste maal kreeg belanghebbende de tijd tot 1 december 2001 en de tweede maal tot 18 december 2001. De Inspecteur heeft belanghebbende evenwel geen uiterste termijn gesteld voor indiening van de motivering en belanghebbende niet gewezen op de mogelijke consequentie als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb.

4.1.2. Uit artikel 6:6 van de Awb kan worden afgeleid dat de Inspecteur de keuze heeft om in een geval als het onderhavige al dan niet over te gaan tot niet-ontvankelijkheidverklaring van het bezwaar. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur van deze bevoegdheid in het onderhavige geval ten onrechte gebruik gemaakt nu hij belanghebbende, in strijd met het bepaalde in paragraaf 6.1.1. van het Voorschrift Awb, geen uiterste datum heeft gesteld en haar niet heeft gewezen op de consequentie als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb.

4.1.3. Het vorenoverwogene leidt het Hof tot de slotsom dat de Inspecteur het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. In zoverre is het beroep gegrond.

4.2. Belanghebbende heeft het haar uitgereikte aangiftebiljet niet ingediend bij de Inspecteur. De Inspecteur heeft derhalve aan belanghebbende voor het onderhavige jaar een aanslag opgelegd in de vennootschapsbelasting die berekend is naar een ambtshalve vastgesteld bedrag. Tegen deze aanslag is bezwaar ingesteld.

4.2.1. Het staat vast dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Ingevolge het bepaalde in artikel 27e, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verklaart het Gerechtshof het beroep dan ongegrond tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

4.2.2. Zoals het Hof hiervoor heeft overwogen is de uitspraak op het bezwaar onjuist nu daarbij het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Voor dat geval heeft de Inspecteur subsidiair gesteld dat de opgelegde aanslag in stand moet blijven.

4.2.3. Gelet op het overwogene onder 4.2.1. ligt het op de weg van belanghebbende om overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven, dat wil zeggen dat de aanslag dient te worden vernietigd dan wel dient te worden verminderd. Daarin is belanghebbende niet geslaagd nu zij heeft volstaan met de stelling dat de belastbare winst nihil bedraagt en daarbij slechts een jaarrekening, zonder motivering, heeft overgelegd. Belanghebbende heeft met deze jaarrekening niet doen blijken dat de onderhavige aanslag onjuist is, nu de Inspecteur de uit de jaarrekening blijkende cijfers heeft betwist en belanghebbende geen nader bewijs omtrent de juistheid van die cijfers heeft geleverd of aangeboden.

4.2.4. De Inspecteur heeft ter zitting desgevraagd een uiteenzetting gegeven over de wijze waarop hij tot de onderhavige aanslag is gekomen. Belanghebbende heeft deze uiteenzetting niet, althans onvoldoende, weersproken. Het Hof is op grond van de uiteenzetting van de Inspecteur van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de Inspecteur aan de aanslag een onredelijke schatting ten grondslag heeft gelegd.

4.2.5. Het vorenoverwogene brengt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende er niet in geslaagd is overtuigend aan te tonen dat de uitspraak van de Inspecteur onjuist is voor zover deze ziet op de hoogte van de aanslag voor het onderhavige jaar.

5. Griffierecht

De omstandigheid dat de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd, brengt met zich dat de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, aan belanghebbende het door deze voor deze zaak gestorte griffierecht ad. € 218,= dient te vergoeden.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak van de Inspecteur uitsluitend op formele gronden wordt vernietigd, doch de aanslag in stand blijft zoals deze vóór het instellen van beroep luidde, is het hof van oordeel dat voor een veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van belanghebbendes proceskosten geen plaats is.

7. Beslissing

Het hof:

- verklaart het beroep gegrond voor zover dit is gericht tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar,

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover deze betrekking heeft op de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar,

- verklaart het bezwaar alsnog ontvankelijk en handhaaft de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1998,

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond,

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 218,=, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden.

Aldus gedaan door R.J. Koopman, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.H.W.N. Lammers, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 29 april 2004

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 29 april 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.