Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AP0594

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-02-2004
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
20.002405.02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

op tijdstippen op 27 september 2001 te 's-Hertogenbosch en/of Maasdriel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens opzettelijk een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne (totaal ongeveer 5 kilo) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, heeft verkocht en/of heeft afgeleverd.

4 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Opiumwet 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

tegenspraak;

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 28 augustus 2002 in de strafzaak onder parketnummer 01/085048/01 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1948,

wonende te [adres],

thans UAH gedetineerd in het Huis van Bewaring "De Geerhorst" te Sittard.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

op tijdstippen op 27 september 2001 te 's-Hertogenbosch en/of Maasdriel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens opzettelijk een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne (totaal ongeveer 5 kilo) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, heeft verkocht en/of heeft afgeleverd.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het hof acht -anders dan de rechtbank- bewezen dat verdachte een hoeveelheid van 5 kilogram cocaïne heeft verkocht en/of afgeleverd. Het hof overweegt daartoe dat in de woning van verdachte een bedrag van f. 193.850 is aangetroffen dat traceerbaar was als geld dat door het ministerie van justitie ten behoeve van de pseudokoop aan het politie infiltratieteam ter beschikking was gesteld. Uit de met betrekking tot de pseudokoop met [betrokkene] gemaakte afspraak dat 5 kilogram cocaïne zou worden geleverd tegen een prijs van f. 66.000 per kilogram, kan worden afgeleid dat aan verdachte voor de levering van ongeveer drie kilogram is betaald. Van 2 kilo staat door de erkenning van verdachte vast dat deze door verdachte aan [betrokkene] zijn geleverd. Daarnaast zijn twee kilo's cocaïne aangetroffen in de woning van verdachte. Uit de omstandigheid dat 3 kilo cocaïne aan de infiltrant/pseudokoper is geleverd door [betrokkene], terwijl verdachte in het bezit is van evident van die pseudokoop afkomstige gelden (nagenoeg) overeenkomend met het overeengekomen bedrag voor 3 kilo cocaïne, leidt het hof af dat ook de eerste van de met de transactie gemoeide vijf kilo cocaïne door verdachte aan [betrokkene] is geleverd. Het hof wordt in dat oordeel gesteund omdat in het dossier ook geen enkel aanknopingspunt te vinden is voor een leverantie van die ene kilo door een ander dan de verdachte.

Hieraan doet niet af dat niet kan worden vastgesteld waar een geldsbedrag ter waarde van ongeveer 1 kilo cocaïne, dat niet bij verdachte is aangetroffen maar wel aan [betrokkene] ter beschikking is gesteld door de infiltrant/pseudokoper, is gebleven.

De raadsvrouwe heeft ter terechtzitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - betoogd dat verdachte feitelijk slechts 2 kilogram cocaïne aan [betrokkene] heeft afgeleverd, zodat enkel de verkoop en levering van een hoeveelheid van twee kilogram cocaïne kan worden bewezen verklaard.

Het hof verwerpt dit verweer.

Het hof overweegt daartoe dat van verkoop reeds sprake was op het moment dat tussen verdachte en [betrokkene] overeenstemming was bereikt over de te leveren hoeveelheid en de prijs daarvan. Hieraan doet niet af dat door ingrijpen van de politie uiteindelijk niet de gehele afgesproken hoeveelheid cocaïne feitelijk is geleverd.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B (oud) van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid (oud), van die wet in verband met artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht en 57 van die wet.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd

Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat hard drugs als onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

Het hof acht een gevangenisstraf van langere duur passend.

Het hof overweegt daarbij dat verdachte zich welbewust in de handel in verdovende middelen heeft begeven en daarmee het risico dat hij daarvoor strafrechtelijk zou worden vervolgd en veroordeeld welbewust heeft aanvaard. Gelet op de in de woning van verdachte bij gelegenheid van de huiszoeking op 27 september 2001 aangetroffen omstandigheden zoals de grote hoeveelheid geld en de weegschaal met sporen van cocaïne, en vooral ook het feit dat verdachte tot onmiddellijke levering van 5 kg cocaïne in staat bleek te zijn, acht het hof meer dan waarschijnlijk dat dit niet de eerste keer was dat verdachte met verdovende middelen in aanraking kwam.

Het hof realiseert zich de mogelijke gevolgen die de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de gezinssituatie van verdachte -zoals door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep toegelicht- met zich mee brengt, echter deze omstandigheden maken niet dat het hof op grond daarvan tot een geheel andere strafoplegging zou kunnen komen.

Onder bovengenoemde omstandigheden ziet het hof geen aanleiding voor opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte zoals ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsvrouwe van verdachte is verzocht.

Het hof zal derhalve de ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoeken hiertoe afwijzen.

De in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen zijn blijkens het onderzoek ter terechtzitting, vatbaar voor verbeurdverklaring.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen zijn met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan en die tot het begaan van het bewezen verklaarde misdrijf zijn bestemd (zogenaamd handelsgeld).

Dat verdachte - zoals door hem ter terechtzitting in hoger beroep heeft betoogd - een gedeelte van het inbeslaggenomen geld heeft verdiend met legale autohandel is naar het oordeel van het hof op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

Noch de samenstelling van het geld, noch de wijze waarop het is opgeborgen (tezamen met het zogenaamde "PIT-geld"), wijzen op een legale verdienste, als door verdachte gesteld. Integendeel, het is voldoende aannemelijk te achten dat het hierbij uitsluitend gaat om handelsgeld voor het bekostigen van transacties met verdovende middelen als hier het geval.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 24, 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 (oud), 10 (oud) en 13 (oud) van de Opiumwet.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

"Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaar.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de navolgende inbeslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. Alle bij verdachte bij gelegenheid van de huiszoeking van

27 september 2001 inbeslaggenomen gelden voorzover niet reeds

teruggegeven.

2. 2 stk. weegschalen, Tanita Micro, H02. B 3.6

3. 1 stk. Weegapparatuur,

electr., weegschaal met weegvoet losse schaal, H 02 E 2.1

4. 1 stk. weegschaal, Tanita electr. H02 E 2.1.A

Wijst af het verzoek tot opheffing, subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit arrest is gewezen door Mr. Aarts, als voorzitter

Mrs. Otten en Valkenburg, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Verhagen, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 februari 2004.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 04

tijd : 11.00

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1948,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring "De Geerhorst" te Sittard

Is bij vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 28 augustus 2002 ter zake van:

"Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd",

veroordeeld tot:

vier jaren gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht,

met verbeurdverklaring van een geldbedrag van honderdnegentien duizend en zevenhonderd en zevenennegentig euro en achtennegentig eurocent,

met last tot teruggave aan verdachte van een geldbedrag van negenentwintig duizend en honderdendertig euro en achtenzeventig eurocent,

met vrijspraak van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan bewezen is verklaard;