Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AP0570

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-04-2004
Datum publicatie
03-06-2004
Zaaknummer
02/01434
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof volgt uit de vaststaande feiten (...) dat belanghebbende ter zake van het te laat indienen van de aangifte geen enkel verwijt treft. Dit oordeel ziet zowel op de omstandigheid dat belanghebbende er tijdens zijn ziekbed niet aan heeft gedacht dat aangifte moest worden gedaan als op de omstandigheid dat belanghebbende voorafgaande aan zijn ziekbed geen maatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat iemand anders de aangifte kon verzorgen of om uitstel kon verzoeken. Wat betreft dit laatst acht het hof aannemelijk dat belanghebbende in zoverre door de hernia werd overvallen dat hij voorafgaande aan zijn ziekbed verwachtte en redelijkerwijs kon verwachten dat hij tijdig zodanig hersteld zou zijn dat hij zelf voor een tijdige indiening zou kunnen zorgen. Tenslotte acht het hof van belang dat voor zover al de echtgenote van belanghebbende zou kunnen worden verweten dat zij niet om uitstel voor het doen van de aangifte heeft verzocht, dit belanghebbende niet kan worden tegengeworpen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 9
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-1020
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/01434

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Z van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde verzuimboete bij zijn aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. Bij de aanslag is een verzuimboete van fl. 2.500,= opgelegd wegens het niet tijdig doen van de aangifte. Na bezwaar heeft de Inspecteur de verzuimboete bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 29,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 maart 2004 te Eindhoven.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

1.4. Belanghebbende en de Inspecteur hebben te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Het hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding.

1.5. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. De onderhavige verzuimboete is opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 1999.

2.2. Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte doordat aan hem op 12 februari 2000 een aangiftebiljet voor het onderhavige jaar is toegezonden. Op 8 juni 2000 is een aanmaning aan belanghebbende verzonden waarin als uiterste reactietermijn is gesteld 23 juni 2000. Op 10 augustus is aan belanghebbende een herinnering tot het doen van aangifte verzonden met als uiterste reactiedatum 24 augustus 2000. Het biljet door middel waarvan belanghebbende de aangifte heeft gedaan is op 1 september 2000 bij de Inspecteur binnengekomen.

2.3. Belanghebbende heeft zijn aangiften voor de jaren 1994 tot en met 1998 ook steeds te laat ingediend. In de aanslag over het jaar 1994 is een verhoging begrepen van fl. 5,=. In de aanslagen over de jaren 1995 en 1996 is geen verhoging begrepen omdat er na verrekening van voorheffingen geen belasting verschuldigd was. In de aanslag over het jaar 1997 is een verhoging begrepen van fl. 12,=. Bij de aanslag over 1998 is een verzuimboete van fl. 250,= opgelegd.

2.4. Belanghebbende heeft in de jaren 1997 tot en met 2000 te kampen gehad met hernia's. De laatste hernia-aanval begon in februari 2000. Belanghebbende had toen al twee herniaoperaties achter de rug. Nog in februari 2000 werd de pijn voor belanghebbende ondragelijk en kreeg hij in afwachting van een nieuwe operatie morfine toegediend. Het was de bedoeling dat de operatie snel zou plaatsvinden en dat het toedienen van morfine slechts enkele weken zou duren. De operatie liet echter wegens plaatsgebrek in de ziekenhuizen steeds langer op zich wachten en de benodigde doses morfine werden allengs hoger. Nog in maart 2000 moest de morfine door middel van injecties worden toegediend. Uiteindelijk is belanghebbende in augustus 2000 geopereerd. Na de operatie volgde een revalidatieproces, waarbij belanghebbende ook ontwenningsverschijnselen vertoonde ter zake van de morfine.

2.5. Gedurende zijn ziekbed in de periode februari tot en met augustus 2000 heeft belanghebbende niet aan zijn aangifte inkomstenbelasting gedacht. Hij verbleef vrijwel permanent in bed. Voor de post had hij geen belangstelling omdat hij ofwel onder invloed verkeerde van de hem toegediende morfine ofwel leed onder zeer zware pijn.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de onderhavige verzuimboete terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Ik spreek er niet graag over, maar ik was destijds ernstig ziek. Mijn laatste hernia-aanval begon in februari 2000. Ik had toen al twee herniaoperaties achter de rug, en dacht dat ik wel ongeveer wist wat het inhield. Nog in februari 2000 werd de pijn veel erger dan voorheen. Toen ik er echt niet meer tegen kon kreeg ik in afwachting van een nieuwe operatie morfine. Het was de bedoeling dat de operatie snel zou plaatsvinden en dat ik in de tussentijd maar een paar weken morfinepleisters zou krijgen. Ik heb er daarom toen niet aan gedacht om maatregelen te nemen zodat mijn echtgenote zaken als de belastingaangiften zou kunnen regelen. Zij had het bovendien enorm druk met haar werk en de opvang van onze vier kinderen. De operatie liet echter wegens plaatsgebrek in de ziekenhuizen steeds langer op zich wachten en de benodigde doses morfine werden steeds hoger. Nog in maart 2000 kreeg ik morfine-injecties. Uiteindelijk ben ik in augustus 2000 geopereerd. Na de operatie volgde een revalidatieproces, toen kreeg ik ook te maken met ontwenningsverschijnselen van de morfine. Tijdens mijn ziekbed leefde ik of op een roze morfinewolk of ik verging van de pijn. Achteraf moet ik constateren dat mijn wereldje heel klein was, wat er buiten mijn directe omgeving gebeurde drong nauwelijks tot mij door. Ik heb begrepen dat dit een bijwerking is van morfine.

Als de boete niet geheel wordt vernietigd wegens afwezigheid van alle schuld, dan vind ik dat zij verminderd moet worden omdat de boete van fl. 2.500,= niet in redelijke verhouding staat tot het feit. Verder vind ik dat het niet proportioneel is om verzuimen waarvoor ik niet beboet ben mee te nemen bij de berekening van de hoogte van de boete. Verder meen ik dat de boete moet worden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Ten slotte voel ik mij gegriefd door de behandeling die bewoners van woonwagenkamp de Vinkenslag ten deel is gevallen. Ik vind het onrechtvaardig dat aan mij een forse boete opgelegd wordt wegens het te laat doen van aangifte, terwijl die mensen in het geheel geen aangifte behoeven te doen.

Ik begrijp dat ik geen aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten van aanschaf van een wettenbundel belastingrecht. Ik vraag alleen om vergoeding van verletkosten.

De Inspecteur

De uiteenzetting die belanghebbende geeft over zijn ziekteverloop hoor ik nu voor het eerst. Hoewel ik wel begrip voor zijn situatie kan opbrengen meen ik niet dat elke schuld ontbreekt.

Wat betreft de toe te passen vermindering van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsprocedure, refereer ik mij aan het oordeel van het hof.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en primair tot vernietiging van de verzuimboete en subsidiair tot vermindering van de verzuimboete.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Vaststaat dat belanghebbende zijn aangifte in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 niet heeft gedaan binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) gestelde termijn. Ter zake van dit verzuim kan op grond van het bepaalde in artikel 67a van de AWR de inspecteur hem een boete van ten hoogste fl. 2.500,= opleggen, zoals de Inspecteur in dit geval ook heeft gedaan.

4.2. Ofschoon in het bepaalde in voornoemd artikel 67a van de AWR de verwijtbaarheid van de gedraging niet als voorwaarde voor het kunnen opleggen van de verzuimboete staat omschreven, moet deze boete achterwege blijven indien bij de belanghebbende ter zake van die gedraging alle schuld ontbreekt.

4.3. Naar het oordeel van het hof volgt uit de vaststaande feiten omschreven in 2.4 en 2.5 dat belanghebbende ter zake van het te laat indienen van de aangifte geen enkel verwijt treft. Dit oordeel ziet zowel op de omstandigheid dat belanghebbende er tijdens zijn ziekbed niet aan heeft gedacht dat aangifte moest worden gedaan als op de omstandigheid dat belanghebbende voorafgaande aan zijn ziekbed geen maatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat iemand anders de aangifte kon verzorgen of om uitstel kon verzoeken. Wat betreft dit laatst acht het hof aannemelijk dat belanghebbende in zoverre door de hernia werd overvallen dat hij voorafgaande aan zijn ziekbed verwachtte en redelijkerwijs kon verwachten dat hij tijdig zodanig hersteld zou zijn dat hij zelf voor een tijdige indiening zou kunnen zorgen. Tenslotte acht het hof van belang dat voor zover al de echtgenote van belanghebbende zou kunnen worden verweten dat zij niet om uitstel voor het doen van de aangifte heeft verzocht, dit belanghebbende niet kan worden tegengeworpen.

4.4. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende, zodat het beroep gegrond moet worden verklaard, de bestreden uitspraak en de verzuimboete moeten derhalve worden vernietigd.

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Belanghebbende maakt uitsluitend aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 266,= aan verletkosten voor het bijwonen van de zitting. De Inspecteur heeft zich op zichzelf bezien niet verzet tegen toewijzing van de vordering.

Het hof stelt met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht de aan belanghebbende te betalen vergoeding overeenkomstig diens verzoek vast op € 266,=.

7. Beslissing

Het hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vernietigt de opgelegde verzuimboete,

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,=,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 266,=, en

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door R.J. Koopman, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.H.W.N. Lammers, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 21 april 2004

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 21 april 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.