Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AP0466

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-05-2004
Datum publicatie
02-06-2004
Zaaknummer
C0300544-HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vraag af er een rechtsgrond voor de vordering van CNC kan worden aangewezen dient het hof ook ambtshalve onder ogen te zien. CNC heeft zich er niet over uitgelaten wat de rechtsgrond is van haar vordering.

Het hof gaat ervan uit dat CNC van [appellant] nakoming vordert van de gesloten koopovereenkomst(en), op grond dat [appellant] volgens CNC door de bovenomschreven ontwikkelingen de overeenkomsten nog niet geheel is nagekomen.

Deze grond faalt evenwel.

CNC heeft [appellant] oesterzwamsubstraat verkocht en geleverd en [appellant] heeft de daarvoor in rekening gebrachte koopprijs met de BTW, zoals die werd gefactureerd, betaald. Daarmee heeft [appellant] geheel aan haar verplichtingen uit de koopovereenkomst(en) voldaan. CNC kan zich - als zij bedoeld heeft dat te doen - ook niet beroepen op het ontbreken van haar wil om aldus te contracteren, aangezien [appellant] op grond van de factu(u)r(en) die zij ter betaling van het oesterzwamsubstraat ontving, gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat CNC haar het substraat wilde verkopen zoals uit factu(u)r(en) van CNC bleek (art. 3:35 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. KD

rolnr. C0300544/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

eerste kamer, van 4 mei 2004,

gewezen in de zaak van:

1. de vennootschap onder firma "[APPELLANTE SUB 1]",

gevestigd te [plaats], gemeente [gemeente],

2. [APPELLANT SUB 2], vennoot van

appellante sub 1,

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

3. [APPELLANTE SUB 3], vennoot

van appellante sub 1,

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

appellanten,

procureur: mr A.A.M. van Exsel,

t e g e n :

de coöperatie "COOPERATIEVE NEDERLANDSE CHAMPIGNONKWEKERS b.a.",

gevestigd en kantoorhoudend te [plaats], gemeente [gemeente],

geintimeerde,

procureur: mr J.E. Lenglet,

op het hoger beroep van appellanten (tezamen te noemen [appellant]) van de vonnissen van de rechtbank te 's-Hertogenbosch, sector kanton, nevenzittingsplaats Boxmeer, van 23 april 2002 en 17 december 2002, onder rolnr. CV 246162 gewezen tussen geïntimeerde, verder te noemen CNC, als eiseres en [appellant] als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg

In het tussenvonnis heeft de kantonrechter aan [appellant] bewijs opgedragen.

In het eindvonnis heeft de kantonrechter het bewijs niet geleverd geacht en [appellant] veroordeeld tot betaling aan CNC van een bedrag van € 4.592,53 met rente en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

2. Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij exploot van 13 maart 2003 tijdig van voormelde vonnissen in hoger beroep gekomen.

Bij memorie van grieven heeft zij daartegen onder overlegging van producties drie grieven aangevoerd, met conclusie dat het hof het vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van CNC alsnog zal afwijzen met veroordeling van CNC in de kosten van beide instanties. CNC heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof het vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep. Vervolgens is de zaak mondeling ter zitting van het hof bepleit op 24 februari 2004. Daarbij is voor [appellant] het woord gevoerd door haar procureur en voor CNC door mr D.R. Corbeek, beiden aan de hand van een pleitnota die deel uitmaakt van het dossier.

Partijen hebben het hof desgevraagd ook nog enige inlichtingen verschaft.

Daarna hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De eerste grief houdt in dat de kantonrechter [appellant] ten onrechte tot betaling heeft veroordeeld.

De tweede grief luidt: " Ten onrechte stelt C.N.C. dat het bericht van het Ministerie van Financiën van 27 juni 2000 voor haar als een absolute verrassing kwam."

Grief III houdt in dat de kantonrechter ten onrechte aan [appellant] bewijs heeft opgedragen dat CNC wist of kon weten dat vanaf 1 januari 2000 het hoge BTW-tarief van toepassing was op de levering van oesterzwamsubstraat.

Bij het pleidooi is geconstateerd dat de memorie van grieven bovendien de grief bevat, dat de kantonrechter ter comparitie op 23 april 2002 ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] heeft ingestemd met de aan haar verstrekte bewijsopdracht. CNC heeft ermee ingestemd dat ook deze grief in de beoordeling wordt betrokken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. In deze zaak staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist het volgende vast.

[appellant] exploiteert een oesterzwamkwekerij en maakt daarbij gebruik van oesterzwamsubstraat, een voedingsbodem voor oesterzwammen waarin met name stro, water en sporen van oesterzwammen zijn verwerkt.

[appellant] viel tot 1 juli 2000 fiscaal onder de zgn. Landbouwregeling, waardoor hij niet BTW-plichtig was. Sinds deze datum valt zij daar op eigen verzoek niet meer onder zodat zij de (sinds 1 juli 2000 verschuldigd geworden) BTW kan verrekenen.

CNC is een coöperatie die zowel als belangenbehartigster voor haar leden optreedt, als als leverancier.

CNC heeft in het jaar 2000 in opdracht en voor rekening van [appellant] oesterzwamsubstraat aan [appellant] geleverd waarbij de koopprijs werd verhoogd met 6% BTW. Op de leveringen zijn de algemene voorwaarden van CNC van toepassing. Tot 1 januari 2000 viel de levering van oesterzwamsubstraat, evenals die van champignoncompost, onder post a 42 ("meststoffen en bestrijdingsmiddelen voor landbouwgebruik") van Tabel I bij de Wet op de Omzetbelasting (Wet OB), als gevolg waarvan op deze leveringen het lage BTW-tarief van 6% van toepassing was. Deze post a 42 is per 1 januari 2000 komen te vervallen.

In december 1999 is van de zijde van het Ministerie van Financiën een " Mededeling omzetbelasting" rondgestuurd, waarin onder meer staat:

" 2. Voorgenomen wijzigingen in de omzetbelastingwetgeving per 1 januari 2000

............................

d. algemene BTW-tarief voor meststoffen en bestrijdingsmiddelen

In het kader van de vergroening van het belastingstelsel is voorgesteld het verlaagde tarief voor de levering van meststoffen en bestrijdingsmiddelen voor landbouwgebruik af te schaffen.Vanaf 1 januari 2000 zal dan het algemene BTW-tarief gelden............."

In de notulen van de bestuursvergadering van de Nederlandse Vereniging van Oesterzwamkwekers en kwekers van andere paddestoelen van 14 april 2000 - waarbij ook [appellant sub 2] aanwezig was - is bij de rondvraag vermeld:

" Geinformeerd wordt naar de ontwikkelingen op het BTW-front. Het voorstel om voor champignoncompost het lage BTW-tarief te hanteren, ligt momenteel bij de Minister van Financiën. Voor oesterzwamsubstraat geldt het lage BTW-tarief."

Bij brief van 27 juni 2000 heeft het Ministerie van Financiën naar aanleiding van vragen in verband met het vervallen van post a 42 laten weten, dat champignoncompost niet kan worden gerangschikt onder één van de in Tabel I opgenomen posten zodat dit aan het algemene BTW-tarief onderworpen is, en dat voor onder meer oesterzwamsubstraat hetzelfde geldt.

Bij brief van 29 juni 2000 heeft CNC aan haar leden en dus ook aan [appellant] laten weten, dat de afgelopen maanden intensief is overlegd met de Ministeries van Landbouw en Financiën over de positie van oesterzwamsubstraat na de wijziging van de Wet OB per 1 januari 2000, maar dat het Ministerie van Financiën bij brief van 27 juni 2000 definitief heeft medegedeeld dat voor oesterzwamsubstraat het hoge BTW-tarief geldt, waardoor CNC genoodzaakt is een aanvullende factuur te sturen. Op 27 september 2000 heeft CNC aan [appellant] een aanvullende factuur voor (17 1/2 - 6 =) 11 1/2% BTW gezonden ten bedrage van f 7.743,56. Bij brief van 5 oktober 2000 heeft [appellant] aan CNC bericht dat zij de factuur niet zal betalen omdat CNC na 1 januari 2000 desgevraagd heeft gezegd dat oesterzwamsubstraat onder het lage tarief zou blijven en dat dat ook in de bestuursvergadering aan de orde is geweest. [appellant] wordt nu benadeeld aangezien zij pas per 1 juli 2000 heeft kunnen vragen om ontheffing van de Landbouwregeling en zij niet met terugwerkende kracht BTW kan verrekenen. Bovendien was CNC er al eerder van op de hoogte dat met 17 1/2 % gefactureerd moest worden. De BTW-correctie moet dus ten laste van CNC blijven, aldus [appellant] in deze brief. CNBC heeft daarop bij brief van 25 oktober 2000 geantwoord dat zij wettelijk verplicht is dit in rekening te brengen en dat zij over de kwestie een procedure tegen de Belastingdienst heeft lopen.

4.2. CNC heeft [appellant] op 28 januari 2002 gedagvaard en betaling gevorderd van de naheffing BTW van € 3.513,87 (f 7.743,56), vermeerderd met overeengekomen rente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter heeft [appellant] bij mondeling vonnis, uitgesproken bij de comparitie van partijen op 23 april 2002, opgedragen te bewijzen dat CNC wist of kon weten dat vanaf 1 januari 2000 het hoge BTW-tarief van toepasing zou zijn op de levering van oesterzwamsubstraten. [appellant] heeft daartoe een aantal stukken overgelegd. Daarna heeft de kantonrechter bij het vonnis van 17 december 2002 de vordering van CNC toegewezen.

4.3. Grief II kan buiten behandeling blijven aangezien die grief niet is gericht tegen een overweging of beslissing van de kantonrechter.

4.4. De "extra" grief, gericht tegen de overweging van de kantonrechter in het mondelinge tussenvonnis dat [appellant] met de bewijsopdracht instemde, wordt verworpen.

Deze overweging is kennelijk ontleend aan art. 46a lid 2 Rv (oud), dat inhield dat de rechter bij een comparitie van partijen mondeling een tussenvonnis kon wijzen, mits partijen daarmee - met het aldus wijzen van een vonnis op dat moment - instemden. De instemming ziet derhalve niet op de beslissing van de rechter dat een bepaalde partij een bewijsopdracht krijgt of op de inhoud daarvan, maar enkel op het direct wijzen van een mondeling vonnis.

In art. 232 lid 2 sub a Rv (nieuw) is de mogelijkheid van het aldus wijzen van een tussenvonnis behouden maar het vereiste van instemming van partijen daarmee is per 1 januari 2002 komen te vervallen. Kennelijk heeft de kantonrechter door de macht der gewoonte ook in deze procedure, waarop het nieuwe procesrecht ook in eerste aanleg van toepassing was, gevraagd naar de instemming van partijen en deze vastgelegd.

4.5. In grief I kan (ook) worden gelezen de klacht dat een rechtsgrond voor de vordering ontbreekt. De vraag af er een rechtsgrond voor de vordering van CNC kan worden aangewezen dient het hof ook ambtshalve onder ogen te zien. CNC heeft zich er niet over uitgelaten wat de rechtsgrond is van haar vordering.

Het hof gaat ervan uit dat CNC van [appellant] nakoming vordert van de gesloten koopovereenkomst(en), op grond dat [appellant] volgens CNC door de bovenomschreven ontwikkelingen de overeenkomsten nog niet geheel is nagekomen.

Deze grond faalt evenwel.

CNC heeft [appellant] oesterzwamsubstraat verkocht en geleverd en [appellant] heeft de daarvoor in rekening gebrachte koopprijs met de BTW, zoals die werd gefactureerd, betaald. Daarmee heeft [appellant] geheel aan haar verplichtingen uit de koopovereenkomst(en) voldaan. CNC kan zich - als zij bedoeld heeft dat te doen - ook niet beroepen op het ontbreken van haar wil om aldus te contracteren, aangezien [appellant] op grond van de factu(u)r(en) die zij ter betaling van het oesterzwamsubstraat ontving, gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat CNC haar het substraat wilde verkopen zoals uit factu(u)r(en) van CNC bleek (art. 3:35 BW).

4.6. Voor zover CNC zich ook heeft willen beroepen op dwaling, overweegt het hof het navolgende.

Ingevolge lid 2 van art. 6:228 BW is geen beroep op dwaling mogelijk indien de dwaling in verband met de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven. Naar het oordeel van het hof doet dat zich hier voor.

CNC is al in december 1999 - zelfs al in november 1999, zoals zij ter zitting van het hof heeft doen stellen - op de hoogte gekomen van de voorgenomen belastingmaatregelen, waardoor de uitzonderingscategorie op grond waarvan zij tot 1 januari 2000 oesterzwamsubstraat tegen het lage BTW-tarief kon leveren, kwam te vervallen. Zij mag dan in discussie zijn geraakt met het Ministerie van Landbouw over de vraag of het juist was dat het oesterzwamsubstraat fiscaal werd gevat onder " meststoffen", maar zij heeft een risico genomen door erop te vertrouwen dat deze discussie goed voor haar zou aflopen door ook na 1 januari 2000 het lage BTW-tarief te blijven hanteren (waarbij zij haar afnemers overigens ook niet gewaarschuwd heeft dat het toegepaste BTW-tarief mogelijk te laag zou kunnen zijn). Zij heeft geruststellend gereageerd toen op de bestuursvergadering van 14 april 2000 naar de stand van zaken werd geïnformeerd, maar zij had toen nog geen enkele zekerheid dat haar interpretatie zou worden gevolgd. Vast staat ook dat andere leveranciers van oesterzwamsubstraat het zekere voor het onzekere hebben genomen en na 1 januari 2000 het hoge tarief hebben gehanteerd. Ook voor CNC was dat mogelijk en geenszins bezwaarlijk geweest: als zij [appellant] na ontvangst van de Mededelingen van Financiën van december 1999 had medegedeeld dat zij vanaf 1 januari 2000 het algemene BTW-tarief zou gaan berekenen had [appellant] nog voor 1 januari 2000 ontheffing van de Landbouwregeling kunnen vragen en had deze BTW normaal kunnen worden verrekend. CNC had vervolgens de rechter om een uitspraak kunnen vragen. Als de naheffing thans voor rekening van [appellant] zou komen, kan zij deze echter niet meer in verrekening brengen en vormt het een schadepost voor haar. De stelling van CNC tenslotte dat zij wettelijk verplicht is deze naheffing aan [appellant] in rekening te brengen, is niet juist. Fiscaalrechtelijk dient CNC over leveringen van oesterzwamsubstraat na 1 januari 2000 inderdaad 17 1/2 % BTW af te dragen en zij dient dat ook op een factuur te verantwoorden, maar daarmee is niet gezegd dat de naheffing van de BTW onder deze omstandigheden in de civielrechtelijke verhouding tussen CNC en [appellant], voor rekening van [appellant] dient te komen.

Voor zover CNC mitsdien een beroep op dwaling heeft willen doen, wordt dat beroep verworpen.

4.7. Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat een rechtsgrond voor de vordering van CNC ontbreekt zodat deze vordering dient te worden afgewezen.

Dat brengt mee dat grief I slaagt en dat grief III verder geen behandeling behoeft.

De beide vonnissen van de kantonrechter zullen worden vernietigd.

CNC zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. Uitspraak

Het hof:

vernietigt de vonnissen van de rechtbank te 's-Hertogenbosch, sector kanton, nevenzittingsplaats Boxmeer, van 23 april 2002 en 17 december 2002, tussen partijen gewezen, en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van CNC af;

veroordeelt CNC in de kosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep, voor zover tot op heden aan de zijde van [appellant] gevallen en begroot op nihil voor verschotten en € 680,-- voor salaris gemachtigde in eerste aanleg, en op € 286,16 voor verschotten en € 1.635,-- voor salaris procureur in hoger beroep;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs Feith, De Groot-van Dijken en Heidinga en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 4 mei 2004.