Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AP0294

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-05-2004
Datum publicatie
01-06-2004
Zaaknummer
KG C0400035-BR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

[appellante] stelt zich op het standpunt dat de parochie wanprestatie pleegt door te weigeren haar na haar overlijden bij te zetten in het graf van haar overleden echtgenoot. Volgens haar heeft de toenmalige pastoor van de parochie haar na het overlijden van haar man in [jaar] reeds toegezegd dat bijzetting mogelijk zou zijn. Subsidiair voert zij aan dat de parochie door deze weigering jegens haar onrechtmatig handelt. Zij vordert in deze procedure, kort gezegd, dat aan de parochie een gebod zal worden opgelegd te dulden dat zij na haar overlijden zal worden bijgezet in het graf van wijlen haar echtgenoot, op verbeurte van een dwangsom van € 250.000,= per dag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. KD

rolnr. KG C0400035/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vijfde kamer, van 4 mei 2004,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te [plaats],

appellante,

procureur: mr. J.J. Geuze,

t e g e n :

de rechtspersoonlijkheid bezittende ROOMS-KATHOLIEKE PAROCHIE H. TRUDO,

gevestigd te Zundert,

geïntimeerde,

procureur: mr. W.J. Kolkert jr.,

op het bij exploot van dagvaarding van 18 december 2003 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Breda tussen appellante[appellante], als eiseres en geïntimeerde, de parochie, als gedaagde onder rolnummer 126003/KG ZA 03-579 gewezen vonnis in kort geding van 9 december 2003.

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep, dat zich bij de processtukken bevindt.

2. Het geding in hoger beroep

Van dit vonnis is [appellante] tijdig in hoger beroep gekomen.

In haar appeldagvaarding heeft zij negen grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum daarvan nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord heeft de parochie onder overlegging van twee producties de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.

[appellante] heeft onder overlegging van een productie een akte genomen, waarop de parochie een antwoordakte heeft genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

3. De grieven

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de appeldagvaarding. Hiermee wordt het geschil in volle omvang aan het hof ter beoordeling voorgelegd.

4. De beoordeling

4.1 In het beroepen vonnis heeft de voorzieningenrechter onder 3.1 enkele feiten vastgesteld. Hiertegen richt zich grief I. Blijkens de toelichting op deze grief meent [appellante] dat hetgeen zij daaraan voorafgaand in haar appeldagvaarding onder 'feiten' heeft vermeld (blz. 3 tot en met 10) van die vaststelling deel dient uit te maken. Door [appellante] wordt niet gesteld dat de opgenomen feiten ten onrechte zijn vermeld, zodat van de juistheid hiervan wordt uitgegaan. Ook indien een of meer andere feiten in de vermelding ontbreken, leidt dat op zich niet tot vernietiging van het bestreden vonnis. De grief wordt verworpen.

4.2 Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende.

a) [Appellante] is tot diens overlijden op [datum] 1970 gehuwd geweest met de heer [overleden echtgenoot]. Wijlen de [overleden echtgenoot] is begraven in een graf op het kerkhof van de parochie, aangeduid als Rechts, rij .., nr. .. .

b) In haar parochieblad van 10 september 2003 heeft de parochie meegedeeld dat het met ingang van 1 september 2003 niet meer mogelijk is een overledene bij te begraven in een bestaand graf als hiervoor niet voor die datum gereserveerd was.

c) De parochie heeft [appellante] met verwijzing hiernaar desgevraagd meegedeeld dat zij te zijner tijd niet kan worden bijbegraven in het graf van wijlen haar echtgenoot.

d) In het naastgelegen graf, Rechts, rij .., nr. .., is in [maand] [jaar] een familielid van wijlen de [overleden echtgenoot], [familielid]begraven.

e) In het reglement voor het kerkhof zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

"Art. 7

Het kerkbestuur staat toe, hetzij een lijk te begraven in een graf op enkelvoudige diepte, hetzij twee lijken te begraven in een graf op dubbele diepte."

Art. 12

Indien nabestaanden een graf willen reserveren naast een bestaand graf moet éénmalig ƒ 100,-- reserveringspacht worden betaald."

4.3 [appellante] stelt zich op het standpunt dat de parochie wanprestatie pleegt door te weigeren haar na haar overlijden bij te zetten in het graf van haar overleden echtgenoot. Volgens haar heeft de toenmalige pastoor van de parochie haar na het overlijden van haar man in [jaar] reeds toegezegd dat bijzetting mogelijk zou zijn. Subsidiair voert zij aan dat de parochie door deze weigering jegens haar onrechtmatig handelt. Zij vordert in deze procedure, kort gezegd, dat aan de parochie een gebod zal worden opgelegd te dulden dat zij na haar overlijden zal worden bijgezet in het graf van wijlen haar echtgenoot, op verbeurte van een dwangsom van € 250.000,= per dag.

4.4 De parochie heeft betwist dat de gestelde toezegging is gedaan of dat er sprake is van een reservering ten behoeve van [appellante]. Eveneens wordt betwist dat er sprake is van onrechtmatig handelen jegens haar.

4.5 De voorzieningenrechter heeft partijen de gelegenheid geboden onderling te overleggen over een minnelijke regeling van het geschil, inhoudende dat wijlen de [overleden echtgenoot] zou worden herbegraven in een nieuw dubbel graf, waarin tevens plaats zou zijn voor [appellante] om te zijner tijd te worden begraven. Bij de voortzetting van de behandeling van het kort geding heeft [appellante] het voorstel afgewezen (pleitnota 2 december 2003, punt 28).

Bij het beroepen vonnis heeft de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening geweigerd. Hiertegen richten zich de overige grieven.

4.6 De vordering van [appellante] ziet op bijzetting in het graf Rechts, rij 29, nr. 17 en niet op bijzetting in een naastgelegen graf (mvg punt 39). Die laatste mogelijkheid bestaat ook niet meer sinds de begrafenis in 1971 van een familielid van [ander familielid] in het enige daarvoor in aanmerking komende graf, nr. 16.

4.7 Tussen partijen is niet in discussie dat [appellante] het uitsluitend recht op graf nr. 17 heeft. Dit brengt evenwel niet zonder meer mee dat zij kan verlangen te zijner tijd in dit graf begraven te worden. Dit is alleen het geval indien dit graf bestemd is voor meer dan één overledene. Er dient vanuit gegaan te worden dat een enkelvoudig graf steeds bestemd is voor één overledene. Dit uitgangspunt ligt ook ten grondslag aan het reglement voor het kerkhof, zoals blijkt uit artikel 7 daarvan (aangehaald in 4.2 onder e). Wanneer graf nr. 17 een enkelvoudig graf is, is dit door de begrafenis van de heer [ander familielid] geheel bezet en strandt de vordering van [appellante] reeds hierop.

4.8 Door [appellante] is betoogd dat elders op het kerkhof later overleden echtgenoten zijn bijgezet in enkelvoudige graven. De parochie heeft gemotiveerd bestreden dat dit het geval is geweest, op één keer na waarvan de parochie stelt dat het buiten haar medeweten en zonder haar instemming is gebeurd. Wat hier ook van zij, ook indien bij andere gelegenheden bijzetting in een enkelvoudig graf heeft plaatsgevonden, betekent dat niet dat [appellante] zulks kan verlangen. Wet en reglement staan daaraan in de weg.

4.9 Door [appellante] is niet aannemelijk gemaakt dat wijlen haar echtgenoot is begraven in een graf op dubbele diepte. Haar stellingen beperken zich tot een ongemotiveerde betwisting van de status van eenpersoonsgraf (pleitnota 4 november 2003 nr. 30). Uit geen der overgelegde producties kan worden afgeleid dat graf nr. 17 als een dubbel graf is aangelegd. Deze producties, en met name de door de parochie bij memorie van antwoord overgelegde producties wijzen op het tegendeel. De suggestie van [appellante] in punt 30 van bedoelde pleitnota dat de status van het graf gewijzigd zou kunnen worden, wordt door haar op geen enkele wijze onderbouwd.

4.10 [appellante] heeft zich er nog beroepen dat artikel 18 van de Wet op de lijkbezorging bepaalt dat de lijkbezorging geschiedt overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden. Op grond daarvan dient de parochie volgens haar gevolg te geven aan haar wens na haar overlijden te worden bijgezet in graf nr. 17. Dit argument gaat niet op, nu de door [appellante] geuite wens bij gebreke van een open plaats in dat graf niet uitvoerbaar is. De stelling van [appellante] in de toelichting op de derde grief dat uit de artikelen 18 en 19 van genoemde wet (impliciet) blijkt dat de parochie geen nadere regels mag stellen ten aanzien van bijzettingen kan niet als juist worden aanvaard.

4.11 Op grond van bovenstaande overwegingen komt het hof, zij het op andere gronden, tot dezelfde conclusie als de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis, namelijk dat de gevraagde voorziening geweigerd dient te worden.

Hetgeen partijen overigens naar voren hebben gebracht met betrekking tot een aantal andere kwesties behoeft gezien dit resultaat geen verdere bespreking.

4.12 Ook de overige grieven worden verworpen en het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd, met veroordeling van [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van de parochie begroot op € 245,= aan verschotten en op € 1.156,50 aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Kranenburg, Meulenbroek en Venhuizen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 4 mei 2004.