Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO9775

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-04-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
C0300051-HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[principaal geïntimeerde] is op 19 augustus 1996 in dienst getreden van [principaal appellante].

Bij beschikking van 1 februari 2001 is de arbeidsovereenkomst op verzoek van [principaal appellante] per diezelfde datum ontbonden onder toekenning aan [principaal geïntimeerde] van een vergoeding groot f. 22.500,-- bruto.

4.1.2. Bij dagvaarding d.d. 5 april 2001 heeft [principaal appellante] request civiel ingesteld van het geding op de grond dat voormelde beslissing tot stand is gekomen door na die uitspraak ontdekt bedrog dan wel arglist aan de zijde van [principaal geïntimeerde].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. KD/JZ

rolnr. C0300051/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

achtste kamer, van 20 april 2004,

gewezen in de zaak van:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [PRINCIPAAL APPELLANTE],

gevestigd te [plaats],

appellante in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 18 december 2002,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,

procureur: mr. H.C.A. van de Ven,

t e g e n :

[PRINCIPAAL GEINTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,

appellante in voorwaardelijk incidenteel appel,

procureur: mr. P.J.A.M. Baudoin,

op het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton te Eindhoven, gewezen vonnissen van 14 juni 2001, 21 februari 2002 en 7 november 2002 tussen principaal appellante - [principaal appellante] - als eiser en principaal geïntimeerde - [principaal geïntimeerde] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 215770 rolnr

01/2676)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [principaal appellante] twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van haar vordering in eerste aanleg en tot vernietiging van de beschikking van 1 februari 2001, zaaknummer 203560 EJ 005510 voor zover daarbij aan [principaal geïntimeerde] een vergoeding is toegekend van f. 22.500,-- bruto en [principaal appellante] te ontheffen van de veroordeling tot betaling van voornoemde vergoeding, met veroordeling van [principaal geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [principaal geïntimeerde] de grieven bestreden. Voorts heeft zij incidenteel appel ingesteld, daarin twee grieven aangevoerd en geconcludeerd primair tot niet ontvankelijk verklaring van [principaal appellante] in het door haar ingestelde hoger beroep, dan wel, als [principaal appellante] in het hoger beroep mocht worden ontvangen, [principaal appellante] alsnog niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot herroeping, subsidiair haar vordering tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep af te wijzen en te bevestigen het vonnis van 7 november 2002 waarin haar vordering tot herroeping en vernietiging van de beschikking d.d. 1 februari 2002 is afgewezen, met veroordeling van [principaal appellante] bij arrest uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het hoger beroep.

2.3. [principaal appellante] heeft in het principaal appel een akte genomen en in het incidenteel appel van antwoord gediend, waarbij zij heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing daarvan. Tevens heeft zij schriftelijke bescheiden ter griffie van dit hof gedeponeerd.

2.4. [principaal geïntimeerde] heeft in het principaal appel nog een akte genomen.

2.5. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst hier naar hetgeen partijen in hun memories hebben aangevoerd.

4. De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [principaal geïntimeerde] is op 19 augustus 1996 in dienst getreden van [principaal appellante].

Bij beschikking van 1 februari 2001 is de arbeidsovereenkomst op verzoek van [principaal appellante] per diezelfde datum ontbonden onder toekenning aan [principaal geïntimeerde] van een vergoeding groot f. 22.500,-- bruto.

4.1.2. Bij dagvaarding d.d. 5 april 2001 heeft [principaal appellante] request civiel ingesteld van het geding op de grond dat voormelde beslissing tot stand is gekomen door na die uitspraak ontdekt bedrog dan wel arglist aan de zijde van [principaal geïntimeerde].

4.1.3. De kantonrechter heeft bij vonnis d.d. 14 juni 2001 een comparitie van partijen bevolen, vervolgens bij tussenvonnis van 21 februari 2002 aan [principaal appellante] bewijs opgedragen en bij eindvonnis van 7 november 2002 de vordering afgewezen.

4.1.4. [principaal appellante] komt in hoger beroep van deze vonnissen.

4.2.1. Het hof acht [principaal appellante] in haar hoger beroep niet ontvankelijk, aangezien de vonnissen waarvan beroep beslissingen zijn inzake de heropening van een geding. Tegen dergelijk beslissingen staat noch onder het oude, noch onder het huidige Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hoger beroep open gezien het bepaalde in art. 388 lid 2 juncto art. 391 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (HR 30 november 1956, NJ 1957,14 alsmede HR 19 december 2003, rek. nr R03/030HR; JOL 2003, 674).

4.2.2. Uit de inhoud van de memorie van grieven in het incidenteel appel in samenhang met de formulering van het petitum in incidenteel appel begrijpt het hof dat het incidenteel appel is ingesteld voor het geval het hof [principaal appellante] in het principaal appel ontvankelijk zou achten. Nu dat niet het geval is, dient het incidenteel appel te worden aangemerkt als zijnde niet ingesteld en behoeft het geen beoordeling.

4.2.3. [principaal appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep gevallen aan de zijde van [principaal geïntimeerde].

5. De uitspraak

Het hof:

op het principaal appel

verklaart [principaal appellante] niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep;

veroordeelt [principaal appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep gevallen aan de zijde van [principaal geïntimeerde], welke kosten tot op heden worden bepaald op € 205,-- terzake verschotten en op € 545,-- terzake salaris procureur;

verklaart de hiervoor uitgesproken kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

op het incidenteel appel

verstaat dat niet is voldaan aan de voorwaarde waaronder het is ingesteld.

Dit arrest is gewezen door mrs. Koster-Vaags, Waaijers en Spoor en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 april 2004.