Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO9773

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-04-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
C0201032-BR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het ziekenhuis heeft in zijn grieven I en III op de eerste plaats zijn stelling herhaald dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de behandelende gynaecologe te kort is geschoten door de ingreep bij [principaal appellante] niet lege artis te verrichten en door te weinig communicatie te onderhouden bij de vervanging van de arts met wie de overeenkomst van behandeling was aangegaan. Het ziekenhuis onderbouwt die stelling met een verwijzing naar de rapporten van de deskundigen [naam deskundige 1] (cve, prod. 3) en [naam deskundige 2] d.d. 27 november 2001 en voorts met de constatering dat [principaal appellante] al vóór de operatie klachten had bij lopen en fietsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. KD

rolnr. C0201032/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 20 april 2004,

gewezen in de zaak van:

[PRINCIPAAL APPELLANTE],

wonende te [woonplaats],

principaal appellante bij exploot van dagvaarding van 12 augustus 2002,

incidenteel geïntimeerde,

procureur: mr. J.E. Benner,

t e g e n :

stichting STICHTING AMPHIA,

voorheen Stichting Ignatius Ziekenhuis,

gevestigd te Breda,

principaal geïntimeerde bij gemeld exploot,

incidenteel appellante,

procureur: mr. J.L. Brens,

op het hoger beroep van het door de rechtbank te Breda gewezen eindvonnis van 14 mei 2002 tussen principaal appellante - [principaal appellante] - als eiseres en principaal geïntimeerde - het ziekenhuis - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 72747/HA ZA 99-

877)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 2 mei 2000, 11 juli 2000 en 22 mei 2001.

2. Het geding in hoger beroep

in het principaal appel

Bij memorie van grieven heeft [principaal appellante] onder overlegging van producties grieven - te onderscheiden vallen vijf grieven - aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en gevorderd dat het hof bij arrest bij voorraad uitvoerbaar:

de oorspronkelijke vorderingen zal toewijzen met veroordeling van het ziekenhuis in de kosten van het geding.

Het ziekenhuis heeft bij memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel onder overlegging van producties de grieven bestreden.

in het incidenteel appel

Bij de hiervoor vermelde memorie heeft het ziekenhuis vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof bij arrest, bij voorraad uitvoerbaar, het door [principaal appellante] bestreden vonnis zal bekrachtigen voor zover betreft de daartegen door [principaal appellante] aangevoerde grieven en zal vernietigen voor zover betreft de overwegingen waartegen het ziekenhuis incidenteel heeft geappelleerd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [principaal appellante] zal afwijzen met haar veroordeling in de kosten van het geding met toekenning van de wettelijke rente veertien dagen na het wijzen van het arrest.

Bij memorie van antwoord heeft [principaal appellante] onder overlegging van producties deze grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, bij voorraad uitvoerbaar, het incidenteel appel zal afwijzen met veroordeling van het ziekenhuis in de kosten van het geding, daaronder begrepen de kosten van ingeschakelde deskundigen en de buitengerechtelijke kosten.

Hierna hebben beide partijen de overgelegde producties ieder in een akte besproken.

Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd en daartoe stukken overgelegd.

3. De gronden van het hoger beroep

in het principaal en incidenteel appel

[principaal appellante] en het ziekenhuis hebben met hun grieven ieder het geschil ten volle aan de orde gesteld.

4. De beoordeling

in het principaal en incidenteel appel

4.1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten door de rechtbank onder 3.1. van het vonnis van 2 mei 2000 heeft geen van beide partijen een grief gericht. Het hof zal daarom ook van die feiten uitgaan.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

Bij [principaal appellante], geboren in 1958, raakten ten gevolge van gebruik van het geneesmiddel Prednison, in de periode 1990 tot 1996 de kleine schaamlippen vergroot. Zij had hiervan last bij lopen en zitten. Na verwijzing door een huisarts is zij ter zake op 13 januari 1997 op haar verzoek gezien door een in het ziekenhuis werkzame gynaecologe, [naam gynaecologe]. Dit consult leidde tot de afspraak voor een chirurgische ingreep tot verkorting van de schaamlippen aan de voorzijde. Deze behandeling vond op 30 januari 1997 plaats. Anders dan tussen [principaal appellante] en [naam gynaecologe] was afgesproken vernam [principaal appellante] op die dag in het ziekenhuis tijdens de voorbereiding van de ingreep dat deze door een andere gynaecologe, [naam andere gynaecologe], zou worden verricht. Zij heeft hiermede onder de druk van de omstandigheden ingestemd. [Naam andere gynaecologe] heeft zich aan [principaal appellante] voorgesteld alvorens de narcose aan [principaal appellante] werd toegediend. De ingreep heeft plaats gevonden.

[principaal appellante] vond na de behandeling dat deze ondeugdelijk was verricht. Er was te veel weefsel weggenomen, de lippen waren ongelijk, de randen ervan kartelig en de huid nabij de clitoris was ingetrokken. Zij had hiervan last bij bewegingen en stilzitten en ondervond daarvan psychische klachten. Ook ondervond zij last van vaginale fluor. Deze gevolgen betekenden voor haar materiële en immateriële schade. Ter vergoeding hiervan heeft zij het ziekenhuis in rechte betrokken op grond van zijn centrale aansprakelijkheid. De rechtbank heeft vorderingen van [principaal appellante] na deskundigenbericht gedeeltelijk toegewezen. [principaal appellante] is van het eindvonnis d.d. 14 mei 2002, voor zoveel de vorderingen door de rechtbank zijn afgewezen, in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep van het ziekenhuis richt zich eveneens tegen het eindvonnis, voor zoveel daarin de vordering van [principaal appellante] is toegewezen. Het hoger beroep van beiden is tevens gericht tegen de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten gronde heeft gelegd.

4.3. Het ziekenhuis heeft in zijn grieven I en III op de eerste plaats zijn stelling herhaald dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de behandelende gynaecologe te kort is geschoten door de ingreep bij [principaal appellante] niet lege artis te verrichten en door te weinig communicatie te onderhouden bij de vervanging van de arts met wie de overeenkomst van behandeling was aangegaan. Het ziekenhuis onderbouwt die stelling met een verwijzing naar de rapporten van de deskundigen [naam deskundige 1] (cve, prod. 3) en [naam deskundige 2] d.d. 27 november 2001 en voorts met de constatering dat [principaal appellante] al vóór de operatie klachten had bij lopen en fietsen.

4.4. Het ziekenhuis heeft met deze stellingname en grieven ongelijk. Op grond van de deskundigenberichten van Dr. [naam deskundige 1] en Dr. [naam deskundige 2] oordeelt het hof evenals de rechtbank de behandeling van [principaal appellante] ondeugdelijk. De deskundige Dr. [naam deskundige 2] geeft daartoe aan: te veel weefsel weggehaald waardoor de bedekkende functie van de labia is geschaad; asymmetrie van de lippen doordat aan de ene kant meer is weggehaald dan aan de andere. De uitgebreidheid van de correctie is niet meer het resultaat van overleg tussen de opererende gynaecologe en de patiënte maar puur gebaseerd op een persoonlijke inschatting van de operateur. De omstandigheden dat de behandelende arts op het laatste moment vervangen is door een andere en die wisseling niet gepaard ging met een redelijke mogelijkheid voor [principaal appellante] tot beraad en consult bij de vervangende specialist maken deel uit van de ondeugdelijkheid van behandeling. Die grieven van het ziekenhuis falen.

4.5. Grief II van het ziekenhuis strekt ten betoge dat de afspraak tussen [principaal appellante] en Dr. Vermeer niet zou bevatten dat de inkorting slechts het voorste deel van de lippen zou betreffen.

Ook hierin heeft het ziekenhuis ongelijk. Reeds de brief van [naam gynaecologe] aan de huisarts van [principaal appellante] d.d.

14 januari 1997 spreekt van vergroting van de labia minora aan de voorzijde en om daaraan iets te doen. De deskundige [naam deskundige 1] spreekt van een vergroting van het ventrale deel van de lippen. In gelijke zin spreekt Dr. [naam deskundige 2] in de eerste alinea van zijn rapport. Er is in redelijkheid geen reden om aan te nemen dat de afspraak iets anders gold. Ook deze grief faalt.

4.6. [principaal appellante] heeft met haar grieven 1 en 2 aangevoerd dat de ondeugdelijkheid van de behandeling ook is gelegen in de na de operatie aangetroffen intrekking van de huid naast de clitoris en in de karteling van de rand van de lippen.

4.7. Het hof wijst beide grieven af. Het neemt daartoe het oordeel van de rechtbank met verwijzing naar de deskundigenbevindingen als aangegeven in de overwegingen 2.5. en 2.6. van het eindvonnis over en maakt dat tot de zijne. De grieven falen.

4.8. Met betrekking tot de omvang van de schade hebben beide partijen grieven aangevoerd.

4.9. Dit geldt de post materiële schade die bestaat uit de gestelde behoefte aan inlegkruisjes. Hierover handelen grief 3 van [principaal appellante] en grief IV van het ziekenhuis.

Het hof deelt het oordeel van de rechtbank te dezen zowel wat betreft het causale verband tussen operatie en deze schade als wat betreft de betekenis van de reeds voor de operatie ter zake bestaande klachten. Dit laatste heeft tot gevolg dat in redelijkheid de na de operatie opgetreden klachten niet geheel aan het handelen van de operateur kunnen worden toegerekend. De grief van [principaal appellante] ten aanzien van dit punt faalt; doch ook die van het ziekenhuis: het hof acht voldoende aannemelijk dat de klachten zijn verergerd en de toename van het gebruik ook samenhangt met het, door de deskundige [naam deskundige 1] bevestigde, geschaad zijn van de bedekkende functie van de labia minora. De veroordeling tot betaling van € 964,28 blijft daarom gehandhaafd.

4.10. Met grief 4 valt [principaal appellante] de toewijzing ten bedrage van € 3.500 ter zake van smartengeld aan, die zij te gering acht. Het ziekenhuis betoogt met haar grief V dat [principaal appellante] niet voor smartengeld in aanmerking komt.

4.11. De feilen in de ingreep hebben blijvende lichamelijke inconveniënten voor [principaal appellante] tot gevolg. Zij ondervindt last en hinder van deze gevolgen bij bewegingen. Uit het rapport d.d. 21 mei 2002 van [naam psychiater], psychiater (prod. VII mva inc. Appel) blijkt dat [principaal appellante] ook in aanmerking te nemen verwerkingsproblemen heeft door het resultaat van de behandeling en de wijze van behandeling. Het komt het hof aannemelijk voor dat deze verwerkingsproblemen de levensvreugde van [principaal appellante] negatief beïnvloeden. Op grond van al deze factoren oordeelt het hof een smartengeldvergoeding van € 5.000 passend. Grief 4 van [principaal appellante] slaagt in zoverre. Grief V van het ziekenhuis faalt.

4.12. Met grief 5 heeft [principaal appellante] de buitengerechtelijke kosten andermaal aan de orde gesteld.

4.13. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat [principaal appellante] de vordering van dit onderdeel niet ondubbelzinnig heeft prijs gegeven. De vordering dient daarom te worden beoordeeld.

Zij komt aan het hof volgens de dubbele gebruikelijke maatstaf redelijk voor. Zij kan daarom ten bedrage van € 850,84 als gevorderd, worden toegewezen.

De omstandigheid dat [principaal appellante] een rechtsbijstand-verzekering heeft en daarop een beroep heeft gedaan, staat aan deze toewijzing niet in de weg. Grief 5 slaagt.

Het hof merkt op dat het in het hier toegewezen bedrag tevens de deskundigen-kosten van [naam psychiater] begrepen acht nu [principaal appellante] ter zake die kosten haar eis niet heeft vermeerderd.

4.14. Nu [principaal appellante] in haar appel gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld ziet het hof aanleiding om het ziekenhuis in de helft van de kosten van het principaal hoger beroep van [principaal appellante] te veroordelen. Het ziekenhuis dient de kosten van het incidenteel appel te dragen.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het beroepen eindvonnis voor zoveel betreft de veroordeling van het ziekenhuis tot betaling van € 3.500 aan smartengeld en de afwijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt het ziekenhuis tot betaling aan [principaal appellante] van € 5.000 aan smartengeld en tot € 850,84 aan buitengerechtelijke kosten;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

veroordeelt het ziekenhuis in de helft van de kosten van het geding in het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [principaal appellante] begroot op € 193,78 aan verschotten en op € 386 aan salaris;

veroordeelt het ziekenhuis in de kosten van het incidenteel appel, tot aan deze uitspraak begroot op € 386 aan salaris;

verklaart dit arrest bij voorraad uitvoerbaar.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Kok, Huijbers-Koopman en De Klerk-Leenen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 april 2004.