Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO9591

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-05-2004
Datum publicatie
18-05-2004
Zaaknummer
20.002032.03 O.W.V.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berekening en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (uit handel in verdovende middelen)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 379
JOW 2005, 5

Uitspraak

parketnummer: 20.002032.03 O.W.V.

datum uitspraak: 4 mei 2004

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

A R R E S T

op het hoger beroep, ingesteld tegen de uitspraak ex art. 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van de rechtbank Roermond van 18 oktober 2002 onder parketnummer 04/610106-00, tegen:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] in 1941,

wonende te [adres],

hierna te noemen: veroordeelde.

Het hoger beroep

De veroordeelde en de officier van justitie hebben tijdig tegen genoemd uitspraak hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de veroordeelde naar voren is gebracht.

De beslissing waarvan beroep

De beroepen beslissing zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

De beoordeling

Veroordeelde is bij arrest van dit gerechtshof d.d. 15 juli 2003 veroordeeld ter zake dat hij:

"meermalen in de periode van de maand februari 1996 tot en met de maand april 2000 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk een door misdrijf verkregen hoeveelheid geld, afkomstig van de handel in verdovende middelen (hashish) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van dat geld telkens wisten dat het telkens een door misdrijf verkregen hoeveelheid geld betrof".

Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zoja in hoeverre, veroordeelde wederrechtelijk voordeel - waaronder begrepen besparing van kosten - heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde, van soortgelijke feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De redengeving van de op te leggen maatregel

Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten en van soortgelijke feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan, een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.

De raadsman van veroordeelde stelt in navolging van de rechtbank dat de soortgelijke feiten van voor mei 1994 zijn verjaard en derhalve niet in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden meegenomen.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verjaring, zoals bedoeld in artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, geen rol speelt bij de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel bij soortgelijke feiten. Het hof stelt vast dat de wet hierin niet voorziet. Voorts blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever met betrekking tot artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, expliciet heeft overwogen dat er geen grens in de tijd is gesteld aan het voordeel dat op grond van die bepaling voor ontneming in aanmerking wordt gebracht. Dit is ook niet nodig, aldus de wetgever. Het hof citeert: "Dat geval en ook andere waarin zeer ver in het verleden zou worden teruggezocht naar wederrechtelijk verkregen voordeel is in hoge mate theoretisch". De wetgever ziet als belangrijke waarborg tegen overdrijving op dit punt dat de verplichting tot betaling van een geldbedrag, indien aannemelijk is dat de veroordeelde op enigerlei wijze wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, door de rechter wordt opgelegd. Wanneer deze meent rekening te moeten houden met het tijdsverloop tussen de verkrijging van het voordeel en de instelling van de vordering, stelt hij het te betalen bedrag lager dan het geschatte voordeel, des geraden op nul. Met het gebruik van de zinsnede "en ook andere" is het naar het oordeel van het hof duidelijk dat de wetgever niet alleen heeft gedoeld op de hiervoor omschreven situatie die betrekking heeft op artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, maar ook op andere situaties waarin ver in het verleden wordt teruggezocht naar wederrechtelijk verkregen voordeel, waaronder ook de situatie bij een soortgelijk feit genoemd in het tweede lid van voornoemd artikel.

Voorts overweegt het hof dat ook in het geval dat de verjaringstermijnen ex artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht analoog van toepassing zouden zijn op het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel bij soortgelijke feiten, het vraagstuk van verjaring in het onderhavige geval niet speelt, aangezien er dan in de situatie van opzetheling een verjaringstermijn van 12 jaar zou gelden.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Overigens zal blijkens de wetsgeschiedenis ingevolge artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht de ontneming slechts dan kunnen worden gelast voorzover de soortgelijke feiten zich hebben voorgedaan na inwerkingtreding van artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, zijnde 1 maart 1993.

Het hof gaat dan ook uit van een aanvangsdatum van 1 maart 1993, aangezien uit voornoemde bewijsmiddelen genoegzaam is komen vast te staan dat de koffieshop waaruit zijn zonen, eerst [betrokkene 1] alleen en sedert medio 1994 samen met [betrokkene 2], winst uit de handel in verdovende middelen behaalden, in 1993 door [betrokkene 1] is opgezet.

De strekking van de maatregel van ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is, blijkens de wetsgeschiedenis, te bewerkstelligen dat datgene dat de veroordeelde aan door een strafbaar feit verkregen profijt heeft verworven, weer aan hem wordt ontnomen.

Het hof hanteert bij de bepaling van het genoten voordeel de volgende uitgangspunten:

- veroordeelde heeft verklaard dat hij wist dat zijn zonen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geld hebben verdiend met de handel in drugs;

- [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij regelmatig geld naar zijn ouders bracht; dit betrof de winst, hoofdzakelijk van de handel in softdrugs;

- veroordeelde heeft voorts verklaard dat hij op zijn bankrekening in Marokko gelden heeft gestort op verzoek van zijn zoon [betrokkene 1], welke gelden van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] samen zijn en afkomstig waren van de hashishhandel;

- indien er stortingen op een bankrekening werden gedaan van meer dan fl. 10.000,-- dan betroffen het gelden afkomstig van de drugshandel, aldus de veroordeelde;

- [getuige] heeft verklaard dat de opbrengst uit de koffieshop werd ondergebracht bij de familie, terwijl de familie wist dat dit de opbrengst van de verkoop van drugs was;

- tevens heeft zij verklaard dat het geld, dat geregeld naar Marokko werd gebracht, in de ouderlijke woning van [betrokkene 1] werd opgespaard.

Het rapport van het Bureau Financiële Ondersteuning d.d. 18 december 2001 bevat op pagina 41 een overzicht van alle stortingen op de bankrekening van veroordeelde boven de fl. 10.000,--, totaal belopend een bedrag van fl. 1.008.524,--. De eerste storting boven de fl. 10.000,-- dateert van 23 april 1993.

Gelet op het vorenstaande gaat het hof uit van een bedrag van

fl. 1.008.524,--, zijnde ? 457.648,24, dat veroordeelde als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verworven.

Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met het verstrijken van een langere termijn dan wenselijk is bij de afdoening van zaken als de onderhavige. Een verminderingspercentage van 10%, als door de eerste rechter gehanteerd, komt het hof redelijk voor.

Op grond van het vorenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op een bedrag van ? 411.883,42.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G :

Het hof:

Vernietigt de uitspraak waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op ? 411.883,42.

Legt aan [veroordeelde], de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van vierhonderdelfduizendachthonderddrieëntachtig Euro en tweeënveertig eurocenten.

Dit arrest is gewezen door Mr. Rothuizen-van Dijk, als voorzitter

Mrs. Harmsen en De Lange, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Van der Velden, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 mei 2004.