Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO9547

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-05-2004
Datum publicatie
17-05-2004
Zaaknummer
20.002242.03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 5 jaar gevangenisstraf voor het medeplegen van gijzeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 20.002242.03

datum uitspraak: 11 mei 2004

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 juli 2003 in de strafzaak onder parketnummer 01/029171-02 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1962,

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring te Roermond.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter. De rechtbank heeft namelijk als gevolg van een kennelijke verschrijving in de weergave van de gewijzigde tenlastelegging een zinsnede opgenomen die in deze gewijzigde tenlastelegging niet voorkomt. Ten gevolge daarvan is die zinsnede eveneens in de bewezenverklaring opgenomen, weshalve het hof tot een andere bewezenverklaring komt.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 4 juli 2002 tot en met 6 juli 2002 te Eindhoven en/of in enige andere gemeente binnen het arrondissement 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, en/of in de gemeenten Turnhout (België) en/of Antwerpen (België), en/of elders in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten het aan verdachte afgeven danwel ter beschikking stellen en/of via een bank aan hem, verdachte, overmaken van een geldbedrag (600.000,- euro), immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn, verdachtes mededader(s), althans alleen,

- die [slachtoffer 1] (krachtig) vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- die [slachtoffer 1] in een bestelauto geduwd en/of getrokken en/of die [slachtoffer 1] onder toepassing van en/of bedreiging met geweld belet uit die bestelauto te gaan en/of

- die [slachtoffer 1] gedwongen vervoerd/gebracht naar een (op een voormalig kazerneterrein te Turnhout, althans in België gelegen) loods en/of ruimte, en/of

- de handen va die [slachtoffer 1] geboeid en hem (daarbij) in voornoemde loods aan een paal/pilaar vastgemaakt en/of

- die [slachtoffer 1] (vervolgens) naar een (donkere) kamer/ruimte gebracht en hem met (een) ketting(en) vastgemaakt en/of die kamer/ruimte afgesloten en/of

- meerdere malen met voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] telefonisch contact opgenomen en/of die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (dreigend) (onder meer) de woorden toegevoegd: "Zorg dat er vandaag 600.000,- euro telefonisch op staat en fax mij het bewijs, dan zal ik zorgen dat er verder niets gebeurt en heb je hem snel weer terug" en/of "zorg maar dat het goed komt, dan is het afgelopen" en/of die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] gezegd dat hij, verdachte voornoemde [slachtoffer 1] pas vrij zou laten nadat hij, verdachte een geldbedrag van 600.000,- euro zou hebben ontvangen, althans woorden van gelijke aard en strekking en/of

- die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (dreigend) gezegd dat indien hij, verdachte en/of zijn mededader(s), het geld niet zou krijgen, hij, verdachte en/of zijn mededader(s), voornoemde [slachtoffer 1] wat zou aandoen, althans woorden van gelijke aard en strekking.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging

Van de zijde van de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging voor het delict van artikel 282a Wetboek van Strafrecht wegens schending van het specialiteitsbeginsel. De verdediging beroept zich hierbij op de ratio van zowel artikel 13 lid 1, 13 lid 3 en 15 van het Benelux Uitleveringsverdrag (hierna te noemen BUV). Artikel 13 lid 1 van het BUV staat een berechting van verdachte hier te lande in de weg terzake het delict gijzeling, immers de reden voor het Belgisch voorlopig bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering was alleen gelegen in het delict wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282 Sr.), hetgeen dus verder de grondslag van de verdere uitleveringsprocedure uitmaakt. Ook uit artikel 15 van het BUV volgt, aldus de raadsman, dat een uitvoerbaar verklaard bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering in de aangezochte staat grondslag vormt van de uiteindelijke uitleveringsprocedure.

Mocht het hof artikel 13 lid 1 van het BUV niet van toepassing achten, dan blokkeert, aldus de raadsman, in ieder geval artikel 13 lid 3 van het BUV vervolging hier te lande.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Artikel 13, eerste lid, BUV luidt - voorzover van belang -:

"Onverminderd het bepaalde in artikel 2, lid 2, zal de uitgeleverde persoon niet worden vervolgd, berecht of in hechtenis gesteld met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, noch ook aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid worden blootgesteld, wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat, hetwelk de reden tot uitlevering is geweest, behalve ...".

Bij besluit van de Minister van Justitie van het Koninkrijk België van 6 december 2002 is de uitlevering van verdachte toegestaan aan de regering van Nederland hoofdens de feiten op grond waarvan de uitlevering wordt gevraagd. Dit besluit van de Minister van Justitie is gegeven naar aanleiding van het bevel tot aanhouding van de officier van justitie in het arrondissement s-Hertogenbosch d.d. 8 juli 2002, kenmerk BZT 70/0259/02, waarin de juridische omschrijving van het strafbare handelen van verdachte naar Nederlands recht voor zover hier van belang- luidt: gijzeling als bedoeld in artikel 282a van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof verwerpt derhalve het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging.

Dat in het voorlopige bevel tot aanhouding ten einde uitlevering d.d. 18 juli 2002 van de Rechtbank van Eerste Aanleg Gerechtelijk Arrondissement Antwerpen, kabinet Onderzoeksrechter F. Camberlain, staat vermeld dat de aanhouding terzake uitlevering van verdachte wordt gevraagd, als verdacht zijnde van wederrechtelijke vrijheidsberoving , doet aan het oordeel van het hof niet af.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij in de periode van 4 juli 2002 tot en met 6 juli 2002 te Eindhoven en/of in enige andere gemeente binnen het arrondissement 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, en/of in de gemeenten Turnhout (België) en/of Antwerpen (België), en/of elders in België, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], te dwingen iets te doen, te weten het aan verdachte afgeven danwel ter beschikking stellen of via een bank aan hem, verdachte, overmaken van een geldbedrag (600.000,- euro), immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn, verdachtes, mededader(s), althans alleen,

- die [slachtoffer 1] (krachtig) vastgepakt en/of vastgehouden en

- die [slachtoffer 1] in een bestelauto geduwd en/of getrokken en die [slachtoffer 1] onder toepassing van en bedreiging met geweld belet uit die bestelauto te gaan en

- die [slachtoffer 1] gedwongen vervoerd naar een (op een voormalig kazerneterrein te Turnhout, althans in België gelegen) loods en/of ruimte, en

- de handen va die [slachtoffer 1] geboeid en hem daarbij in voornoemde loods aan een paal/pilaar vastgemaakt en

- die [slachtoffer 1] vervolgens naar een donkere kamer/ruimte gebracht en hem met (een) ketting(en) vastgemaakt en die kamer/ruimte afgesloten en

- meerdere malen met voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] telefonisch contact opgenomen en die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] dreigend (onder meer) de woorden toegevoegd: "Zorg dat er vandaag 600.000,- euro telefonisch op staat en fax mij het bewijs, dan zal ik zorgen dat er verder niets gebeurt en heb je hem snel weer terug" en "zorg maar dat het goed komt, dan is het afgelopen" en die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] gezegd dat hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer 1] pas vrij zou laten nadat hij, verdachte, een geldbedrag van 600.000,- euro zou hebben ontvangen, althans woorden van gelijke aard en strekking en

- die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] dreigend gezegd dat indien hij, verdachte en/of zijn mededader(s), het geld niet zou krijgen, hij, verdachte en/of zijn mededader(s), voornoemde [slachtoffer 1] wat zou aandoen, althans woorden van gelijke aard en strekking.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 282a, eerste lid, juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1° van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij het slachtoffer, te weten de traumatische omstandigheden waarin het slachtoffer enkele dagen heeft doorgebracht in een donkere afgesloten ruimte;

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde, waarbij verdachte er niet voor is teruggeschrokken om samen met anderen zwaar lichamelijk geweld tegen het slachtoffer toe te passen en de maatschappelijke verontrusting die het gevolg is van dergelijk handelen gericht tegen een medemens;

- de omstandigheid dat verdachte niet, althans onvoldoende, de ernst inziet van hetgeen hij en zijn mededaders het slachtoffer hebben aangedaan.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet zijn geweest, en dat zulks dient te leiden tot een aanzienlijk lagere straf dan door de rechtbank is opgelegd.

Uit de door de psychiater Zwegers en de psycholoog Van IJken opgestelde rapporten blijkt dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit lijdende was aan een post-traumatische stress-stoornis (PTSS).

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In zijn rapport d.d. 20 januari 2004 komt de psycholoog drs. Zwegers tot de conclusie dat betrokkene lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en dat deze ook aanwezige waren ten tijde van het ten laste gelegde.

Aangezien betrokkene het ten laste gelegde ontkent, is het -aldus de psycholoog- niet mogelijk om een hypothetisch oorzakelijk verband tussen enerzijds het ten laste gelegde, voor zover bewezen, en anderzijds de gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis te toetsen aan de delictsbeleving.

In zijn rapport d.d. 6 april 2004 komt de psychiater Van IJken tot de conclusie dat betrokkene ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde -indien bewezen- leed aan een posttraumatische stress-stoornis.

Aangezien betrokkene het delict ontkent is -aldus de psychiater- verder geen uitspraak mogelijk over de beïnvloeding van betrokkene's gedragkeuze c.q. gedragingen ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde, over de mate van -onder meer- toerekeningsvatbaarheid.

Gelet op de inhoud van de conclusies van de beide deskundigen is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er een causaal verband is tussen de bij verdachte geconstateerde posttraumatische stress-stoornis en het plegen van het bewezenverklaarde feit.

Het hof ziet dan ook in de inhoud van genoemde rapporten geen aanleiding de op te leggen straf te matigen.

Het in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een auto Mitsubishi, voorzien van transitplaat 526621, model Pick-up, volgens eigen opgave aan de verdachte toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het een voorwerp betreft met betrekking tot hetwelk het bewezen verklaarde is begaan, immers:

- verdachte heeft blijkens waarneming door de politie gedurende de ten laste gelegde periode veelvuldig gebruik gemaakt van deze auto;

- aan de sleutelbos van deze auto hing tevens de sleutel van de handboeien waarmee het slachtoffer geboeid was.

Het hof heeft bij de verbeurdverklaring rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Bij gelegenheid van het onderzoek naar het feit waarvoor de verdachte is vervolgd, is het in de beslissing als zodanig te noemen voorwerp -te weten een mes- in beslag genomen. Het behoort aan de verdachte toe, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Uit de aard van het voorwerp volgt dat het kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven als het bewezenverklaarde. Dit voorwerp zal aan het verkeer worden onttrokken.

Maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [slachtoffer 1], wonende [adres], als gevolg van het bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden begroot op eur. 5000,--.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van eur. 5000,-- te betalen ten behoeve van het slachtoffer, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 100 dagen hechtenis, met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de verplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan zal zijn bevrijd.

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 1], wonende [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

De voeging duurt, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

De vordering is betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen immateriële schade heeft geleden welke bij wijze van voorschot wordt vastgesteld op ? 5000,--. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen, met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de verplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan zal zijn bevrijd.

De proceskosten van de benadeelde partij worden tot na te melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.

Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 24c, 27, 36f, 47 en 282a van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

"Medeplegen van gijzeling".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van

vijf jaar.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering, in voorlopige hechtenis en in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands verzoek om uitlevering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd het navolgende inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een auto, Mitsubishi, voorzien van transitplaats 526621, model Pick-up (beslagstaat 25686/02).

Verklaart onttrokken aan het verkeer het navolgende inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een mes, merk Böker, model Speed Lock.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1], wonende [adres], te betalen een bedrag van Eur. 5.000,-- (zegge: vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van éénhonderd dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte of een mededader van verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan: [slachtoffer 1], wonende [adres], een bedrag van Eur. 5.000,--, met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de vordering heeft voldaan, de verdachte daarvan is bevrijd.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Dit arrest is gewezen door Mr. Harmsen, als voorzitter

Mrs. Rothuizen-van Dijk en De Lange, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Dhr. Traa, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 mei 2004.