Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO9442

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2004
Datum publicatie
13-05-2004
Zaaknummer
R200400232
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plaatsing in een gesloten inrichting is een vrijheidsbeneming in de zin van art. 5 EVRM, en is slechts mogelijk met het doel in te grijpen in de opvoeding.

Nu aan de voorwaarden voor de uithuisplaatsing van de minderjarige in een gesloten inrichting is voldaan, moet in principe plaatsing worden gerealiseerd in een voor de aanpak van de gedragsproblemen geschikte voorziening. Tengevolge van de “wachtlijstproblematiek” heeft hij nog geen behandelplek en verblijft hij al meer dan tien maanden in de crisisopvang. De verwachting van de Stichting is dat de plaatsing van de minderjarige in X. in augustus 2004 geëffectueerd zal kunnen worden. Evident is dat deze situatie voor de minderjarige en zijn ouders onverteerbaar is. Ook het hof acht het buitengewoon betreurenswaardig dat de minderjarige hierdoor verstoken blijft van de voor hem uiterst noodzakelijk geachte behandeling in X.

Gelet op de ernst van de bij de minderjarige aanwezige stoornissen, het recidivegevaar en de daaruit voortvloeiende risico’s voor de minderjarige zelf alsmede voor kinderen in zijn directe omgeving, is het hof van oordeel dat vooralsnog voortzetting van de gesloten plaatsing de enige oplossing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 april 2004

Rekestenkamer

Rekestnummer R200400232

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van

De Stichting,

gevestigd te vestigingsplaats,

appellante,

hierna: de Stichting,

als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

Minderjarige,

thans verblijvende in het justitiële opvangcentrum te verblijfplaats,

hierna: de minderjarige,

procureur mr. J.E.A.H. Verstraelen,

en

vader,

en

moeder,

beiden wonende te woonplaats,

hierna: de ouders.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Maastricht van 2 april 2004, waarvan de inhoud bij de Stichting en belanghebbenden bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 6 april 2004 heeft de Stichting verzocht om:

primair:

de beschikking waarvan beroep te vernietigen en in de plaats daarvan, uitvoerbaar bij voorraad, de Stichting te machtigen om voormelde minderjarige te plaatsen in een voorziening voor gesloten crisisopvang tot het moment dat hij kan worden opgenomen in de verzochte behandelvoorziening van Jongerenhuis X.,

subsidiair: de Stichting te machtigen om, vooruitlopend op de plaatsing in de verzochte behandelvoorziening van Jongerenhuis X, de minderjarige boventallig te plaatsen in voormelde voorziening, teneinde op zo kort mogelijke termijn een start met de vereiste behandeling te kunnen maken;

meer subsidiair: de Stichting te machtigen, uitvoerbaar bij voorraad, om de minderjarige te blijven plaatsen in de justitiële opvangrichting te verblijfplaats onder de voorwaarde dat aldaar, in overleg met de behandelvoorziening van Jongerenhuis X, een begin wordt gemaakt met de vereiste behandeling.

Nu de machtiging tot gesloten plaatsing op 5 mei 2004 verloopt, heeft de Stichting verzocht deze zaak met spoed te behandelen.

2.2.De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2004. Bij die gelegenheid zijn gehoord de Stichting, de minderjarige, bijgestaan door zijn advocaat alsmede de ouders van de minderjarige.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ter terechtzitting van de kinderrechter in de rechtbank te Maastricht van 1 april 2004.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het spoedappelschrift.

4. De beoordeling

4.1. Bij beschikkingen van 26 juni 2003 heeft de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling alsmede de voorlopige uithuisplaatsing in een gesloten inrichting van de minderjarige A., geboren op 20 juni 1988 te geboorteplaats, uitgesproken en wel met ingang van 26 juni 2003 voor de duur van ten hoogste drie maanden.

De kinderrechter heeft de minderjarige vervolgens bij beschikking van 2 juli 2003 met ingang van 27 juni 2003 onder toezicht gesteld voor een termijn van een jaar met benoeming van de Stichting tot gezinsvoogdij-instelling. Tevens heeft de kinderrechter bij beschikking van 2 juli 2003 machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige in een gesloten inrichting met ingang van 27 juni 2003 voor de termijn van een jaar. De Stichting heeft de minderjarige daarop gesloten geplaatst in Rijksinrichting Z. te vestigingsplaats.

De plaatsing in een gesloten inrichting houdt verband met een door de minderjarige gepleegd ernstig zedendelict, gepleegd jegens een kind beneden de leeftijd van 12 jaar. De minderjarige is door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Maastricht bij vonnis van 31 oktober 2003 schuldig bevonden aan dit delict, maar de rechtbank heeft aanleiding gezien te bepalen dat er geen straf of maatregel zal worden opgelegd, in aanmerking nemend de persoonlijkheid van de minderjarige, zijn zeer jeugdige leeftijd ten tijde van het strafbaar feit (14 jaar) en het feit dat de minderjarige in het kader van een civielrechtelijke ondertoezichtstelling in Z. verbleef, in afwachting van een behandelplek.

Per 10 februari 2004 is de minderjarige als gevolg van een ernstig -seksueel- incident met groepsgenoten in Z. overgeplaatst naar de justitiële opvanghuis te Verblijfplaats.

De minderjarige staat op een wachtlijst voor een behandelplek in X, maar komt naar verwachting op zijn vroegst in augustus 2004 in aanmerking voor een behandelplaats.

4.2. Op 8 januari 2004 hebben de ouders de Stichting verzocht om de uithuisplaatsing te beëindigen. Aan dit verzoek hebben zij ten grondslag gelegd dat de minderjarige in Z. niet de juiste zorg krijgt, terwijl hij die zorg hard nodig heeft.

De Stichting heeft het verzoek van de ouders afgewezen.

4.3. Op 16 januari 2004 hebben de ouders vervolgens op grond van het bepaalde in art. 1:263, tweede en vierde lid BW de kinderrechter verzocht de uithuisplaatsing van de minderjarige te beëindigen.

4.4. De kinderrechter heeft bij beschikking van 5 maart 2004 de gegeven machtiging tot plaatsing in een gesloten inrichting beëindigd op uiterlijk 5 april 2004, tenzij voor of met ingang van die datum met behandeling van de minderjarige's stoornissen zou worden begonnen, bij voorkeur in de gesloten afdeling voor behandeling van zedendelinquenten te X.

De kinderrechter heeft bij die beslissing overwogen dat de rechtsgrond voor de vrijheidsbeneming die de minderjarige thans ondergaat nog steeds bestaat, waarbij de kinderrechter verwijst naar de reden van de laatste overplaatsing van vestigingsplaats naar verblijfplaats.

De kinderrechter was echter van oordeel dat de pure (crisis) opvang weliswaar bescherming aan de minderjarige biedt, maar dat van enige bijzondere bescherming en bijstand van staatswege in de zin van art 20 IVRK geen sprake is. Gelet op de ernst van de minderjarige's stoornissen en het gevaar dat zal ontstaan als de minderjarige op vrije voeten komt heeft de kinderrechter nog niet aan het verzoek van de ouders tegemoet willen komen, maar overwogen dat een langere vrijheidsbeneming zonder behandeling van de minderjarige nog ten hoogste een maand de toets van de rechtmatigheid kan doorstaan. De Stichting is van deze beschikking niet in hoger beroep gekomen.

4.5. Op 11 maart 2004 heeft de Stichting de rechtbank verzocht om opnieuw een machtiging voor de gesloten uithuisplaatsing voor dag en nacht af te geven voor de minderjarige voor de duur van de ondertoezichtstelling.

4.6. Bij beschikking van 2 april 2004, waarvan beroep, heeft de kinderrechter machtiging verleend tot gesloten uithuisplaatsing tot 5 mei 2004.

De kinderrechter heeft aan die beslissing onder meer ten grondslag gelegd dat, gezien het feit dat De minderjarige al te lang van zijn vrijheid is beroofd zonder enig perspectief op het bereiken van het doel van de machtiging gesloten uithuisplaatsing, namelijk behandeling, voortzetting van gesloten plaatsing als onrechtmatig is te beschouwen, nu zijn ernstige gedragsproblemen weliswaar (latent) bestaan, maar thans niet tot uiting kunnen komen.

Anderzijds acht de kinderrechter het vrijkomen van de minderjarige maatschappelijk niet verantwoord, omdat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid voor andere kinderen ernstige risico's schept. De kinderrechter acht afwijzing van het verzoek van de Stichting ook nauwelijks rechtmatig maar heeft toch besloten het verzoek van de Stichting grotendeels af te wijzen, met de overweging dat het niet de verantwoordelijkheid van de kinderrechter is maatschappelijke gevaren te beoordelen, maar dat dit veeleer een taak is van een bestuursorgaan zoals Bureau Jeugdzorg en het Ministerie van Justitie, met inbegrip van de verantwoordelijkheid daarvoor.

4.7. De Stichting is in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking.

De Stichting stelt zich te hebben ingespannen om de termijn voor plaatsing te bekorten en er op deze wijze zorg voor te dragen dat voldaan werd aan de termijn die de kinderrechter had gesteld bij beschikking van 5 maart 2004. De Stichting heeft onder meer de B. van de GGzE te Eindhoven benaderd voor versnelde opname, maar op grond van leeftijd, in combinatie met de ernstige seksuele problematiek en het seksueel afwijkend gedag van de minderjarige, is de minderjarige afgewezen. Ook de mogelijkheden voor behandeling op zijn huidige verblijfplaats zijn onderzocht maar hebben tot op heden niets opgeleverd. Daarnaast heeft de Stichting de termijn tot plaatsing in X. getracht te vervroegen, maar ook dit heeft er niet toe kunnen leiden dat de minderjarige vóór 5 april 2004 kon worden geplaatst.

4.8. De Stichting komt in haar eerste grief op tegen de overweging van de rechtbank dat de Stichting in beginsel niet ontvankelijk is omdat er in casu sprake zou zijn van een verkapt hoger beroep.

De Stichting legt aan deze grief ten grondslag dat het verzoekschrift weliswaar dezelfde materie bevat als behandeld tijdens de zitting van 5 maart 2004, maar dat de Stichting voor deze weg heeft gekozen in verband met de nieuwe informatie en het belang van een behandeling op korte termijn.

4.9. Het hof is van oordeel dat, nu de rechtbank de Stichting toch ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek, de Stichting geen belang heeft bij deze grief, zodat deze geen nadere bespreking behoeft.

4.10. De Stichting voert in hoger beroep voorts aan dat de kinderrechter ten onrechte heeft overwogen dat een voortzetting van de gesloten plaatsing van De minderjarige niet anders dan onrechtmatig kan worden beschouwd, nu zijn ernstige gedragsproblemen weliswaar latent bestaan maar thans niet tot uiting (kunnen) komen. De Stichting heeft aangevoerd dat het incident in Z. dat heeft geleid tot overplaatsing van De minderjarige naar het justitieel opvanghuis nadrukkelijk aantoont dat zijn problemen niet latent maar manifest zijn.

De Stichting is van mening dat een verblijf in een gesloten crisisopvang als gevolg van wachtlijstproblematiek niet als onrechtmatig is aan te merken, gelet op de mogelijke recidive en de daaruit voortvloeiende risico's voor jeugdigen in zijn omgeving en vanuit het gerechtvaardigde belang van De minderjarige bij een snelle aanvang van de behandeling.

Bij de mondeling behandeling in hoger beroep heeft de Stichting aangegeven dat zij thans doende is een regeling te treffen om in samenwerking en onder coördinatie van X. op korte termijn te starten met ambulante behandeling in het justitiële opvanghuis, in afwachting van de definitieve plaatsing in X.

4.11. De ouders van de minderjarige hebben bij de mondelinge behandeling gesteld dat zij wel in staat zijn om de minderjarige gedurende de weekends de nodige aandacht en zorg te bieden, maar dat zij hiertoe tijdens werkdagen niet in staat zijn. Zij vinden het echter onaanvaardbaar dat hun zoon in een gesloten setting verblijft waar hij niet behandeld wordt, terwijl hij die behandeling hard nodig heeft. De ouders hebben er grote moeite mee dat de minderjarige in het justitiële opvanghuis op dezelfde manier wordt behandeld als de jeugdige delinquenten. Daarnaast zijn de ouders van mening dat de minderjarige, gezien het feit dat hij gedurende zijn gesloten plaatsing geen mogelijkheden krijgt om onderwijs te volgen, steeds meer achterstand oploopt in zijn ontwikkeling.

De minderjarige heeft tijdens de zitting verklaard dat hij naar huis wil indien niet op korte termijn met behandeling een aanvang wordt genomen.

4.12. Het hof overweegt het navolgende.

Een machtiging voor plaatsing in een gesloten inrichting wordt slechts verleend als zij vereist is wegens ernstige gedragsproblemen en noodzakelijk is in het belang van de opvoeding en verzorging van de minderjarige. Daarbij dient echter tevens bedacht te worden dat plaatsing in een gesloten inrichting een vrijheidsbeneming is in de zin van art. 5 EVRM, welke vrijheidsbeneming in een situatie als de onderhavige, te weten een civielrechtelijke plaatsing, slechts mogelijk is als het doel ervan is in te grijpen in zijn opvoeding. Dit betekent naar het oordeel van het hof dat, nu aan de voorwaarden voor de uithuisplaatsing van De minderjarige in een gesloten inrichting is voldaan, in principe plaatsing moet worden gerealiseerd in een voor de aanpak van de geconstateerde gedragsproblemen geschikte voorziening. Uit de stukken en het behandelde ter zitting van het hof is gebleken dat deze voorziening voor de minderjarige de gesloten afdeling voor behandeling van zedendelinquenten van Rijksinrichting X is, waarvoor hij ook is aangemeld. Tengevolge van de "wachtlijstproblematiek" is de minderjarige echter nog steeds niet in X geplaatst en verblijft hij al meer dan tien maanden in de (zogeheten) crisisopvang van -laatstelijk- het justitieel opvanghuis te Verblijfplaats.

De verwachting van de Stichting is dat de plaatsing van de minderjarige in X in augustus 2004 geëffectueerd zal kunnen worden. Evident is dat deze situatie voor de minderjarige en zijn ouders onverteerbaar is. Ook het hof acht het buitengewoon betreurenswaardig dat de minderjarige hierdoor verstoken blijft van de voor hem uiterst noodzakelijk geachte behandeling in X.

4.13. Anders dan de kinderrechter is het hof echter van oordeel dat het vorenstaande niet zonder meer met zich brengt dat machtiging tot gesloten uithuisplaatsing van de minderjarige in het kader van de lopende ondertoezichtstelling slechts verleend zou dienen te worden, vanwege het ontbreken van behandeling vóór 5 mei aanstaande, tot laatstgenoemde datum. Gelet op de ernst van de bij de minderjarige aanwezige stoornissen, het recidivegevaar en de daaruit voortvloeiende risico's voor de minderjarige zelf alsmede voor kinderen in zijn directe omgeving, is het hof van oordeel dat vooralsnog voortzetting van de gesloten plaatsing de enige oplossing is. Het hof laat hierbij meewegen dat de minderjarige bijzondere hulp en behandeling nodig heeft die in een open leefgroep en/of thuissituatie niet geboden kan worden. In februari jl. is de minderjarige vanuit Z. overgeplaatst naar het justitiële opvanghuis in verband met een ernstig seksueel getint incident hetgeen betekent dat de bij hem aanwezige problematiek niet latent maar manifest aanwezig is. Voorts is van belang dat de ouders van De minderjarige te kennen hebben gegeven niet in staat te zijn de minderjarige gedurende de werkdagen adequaat op te vangen en zij evenals de minderjarige overigens van mening zijn dat een gesloten plaatsing van de minderjarige in X de enige mogelijkheid is. Daarbij komt dat de Stichting ter zitting heeft aangegeven doende te zijn om in samenspraak met X in de periode voorafgaande aan de plaatsing van de minderjarige aldaar, een ambulante behandeling in het justitiële opvanghuis te starten, waarmee, indien de Stichting daarin zou slagen, toch enigszins aan het doel van de uithuisplaatsing voldaan kan worden.

De slotconclusie is dan ook dat verlening van de machtiging tot gesloten uithuisplaatsing, zoals verzocht door de Stichting, in aanmerking genomen de ernstige gedragsproblematiek van de minderjarige en de vereiste aanpak daarvan, in het belang van diens verzorging en opvoeding noodzakelijk is.

4.14. De duur van de ondertoezichtstelling van de minderjarige is bepaald op één jaar vanaf 27 juni 2003. Dit betekent dat in ieder geval -zo de noodzakelijke behandeling in X dan nog niet is aangevangen- vóór dat tijdstip opnieuw beoordeeld moet worden of verdere vrijheidsbeneming van de minderjarige, en zo ja voor welke duur, gerechtvaardigd is.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en verleent alsnog machtiging tot gesloten plaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 27 juni 2004;

verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lamers, Van Soest-van Dijkhuizen en Smeets en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 29 april 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.