Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO8929

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-05-2004
Datum publicatie
06-05-2004
Zaaknummer
20.001707.03
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AU2250
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AU2250
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op al het vorenstaande stelt het hof vast dat nabij de plaats van het delict en onmiddellijk na het delict, twee van verdachte afkomstige sporen zijn aangetroffen waarvan in ieder geval een spoor (het speeksel) zeer vers was, dat de verdachte ondanks deze sporen blijft volhouden dat hij nooit ter plaatse is geweest en dat hij kennelijk om de waarheid te bemantelen heeft gelogen over de aankoop van een auto enkele uren na de overval waarbij hij een groot bedrag contant heeft betaald in onder meer biljetten van 1.000 gulden zoals buitgemaakt bij de overval.

Uit verdachtes aanwezigheid ten tijde van het delict op/bij de plaats van het delict, uit het feit dat hij kennelijk heeft meegedeeld in de buit, alsmede uit verdachtes kennelijke leugenachtigheid leidt het hof af dat het ten laste gelegde feit, diefstal in vereniging met (bedreiging met) geweld, bewezen kan worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 20.001707.03

datum uitspraak: 3 mei 2004

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 13 maart 2003 in de strafzaak onder parketnummer 004454-97 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1968,

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust - met inbegrip van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel - behalve voor wat betreft de bewijsvoering en met aanvulling van de strafmotivering.

De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering. Omwille van de leesbaarheid wordt de bewijsvoering in haar geheel vervangen. De bewezenverklaring door de eerste rechter komt uitsluitend te berusten op de hierna volgende bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij:

op of omstreeks 8 september 1997 te Zevenbergen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid bankbiljetten (ter waarde van circa fl 50.000,-) en/of een portemonnee met circa fl 3.300,- en/of een halsketting en/of een armband, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte of (een van) zijn mededader(s) een vuurwapen althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp hebben/heeft gericht op het hoofd van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en/of een klauwhamer heeft geheven boven het hoofd van die [slachtoffer 1];

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

op of omstreeks 8 september 1997 te Zevenbergen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid bankbiljetten (ter waarde van circa f 50.000,-) en/of een portemonnee met circa fl. 3.300,-, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte of (een van) zijn mededader(s) een vuurwapen althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp hebben/heeft gericht op het hoofd van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en/of een klauwhamer heeft geheven boven het hoofd van die [slachtoffer 1].

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Redelijke termijn van berechting

Van de zijde van verdachte is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard omdat het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn zou zijn geschonden. Dit verweer is, zakelijk weergegeven, toegelicht met het argument dat het tijdsverloop tussen verdachtes aanhouding op 23 juli 1998 en de uiteindelijke berechting door dit hof op 19 april 2004 onredelijk lang is geweest.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Dit recht strekt ertoe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen.

Met betrekking tot de vaststelling in de onderhavige zaak van het beginpunt van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn overweegt het hof als volgt.

Verdachte is op 10 november 1997 terzake van het onderhavige feit - kort gezegd: een gewapende overval in een woning - aangehouden en in verzekering gesteld. Vanaf deze datum kon de verdachte in redelijkheid verwachten dat het openbaar ministerie tegen hem een strafvervolging zou instellen. Dit is derhalve het begin van de termijn van berechting.

De behandeling in eerste aanleg is geëindigd met het vonnis van de rechtbank van 5 juni 2000, bij welk vonnis de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard. De behandeling in eerste aanleg heeft dus twee jaren en bijna zeven maanden gevergd. In beginsel zou dit een overschrijding van de gebruikelijk nog als redelijk aan te merken termijn opleveren. Hierbij moet worden aangetekend dat verdachte in voorarrest heeft gezeten van 10 tot en met 13 november 1997 en vervolgens van 24 juli 1998 tot en met 2 maart 1999 en vanaf 2 maart 1999 niet meer in voorlopige hechtenis verkeerde. In een dergelijk geval geldt als uitgangspunt dat de zaak binnen twee jaar dient te zijn afgerond.

In het onderhavige geval is door de rechtbank een tweetal tussenvonnissen gewezen op respectievelijk 10 november 1998 en 2 februari 1999 en is de zaak verschillende malen aangehouden, teneinde - kort gezegd - na te gaan of bij de gevolgde procedure inzake het eerste DNA-onderzoek, in het kader waarvan op 10 november 1997 wangslijmvlies bij de verdachte was afgenomen, de waarborgen waarmee de wetgever dit onderzoek heeft omringd, in acht waren genomen alsmede teneinde een tweede DNA-onderzoek bij verdachte te doen verrichten en voorts voor het horen door de rechter-commissaris van een aantal door de raadsman opgegeven getuigen. Bovendien heeft de verdachte rechtsmiddelen aangewend tegen de beslissing van de rechter-commissaris tot afname van bloed.

Het hof is daarom van oordeel dat een termijn van twee jaren en bijna zeven maanden voor de eerste aanleg niet onredelijk lang is. Bij het evenvermelde oordeel heeft het hof mede betrokken dat verdachte het feit ontkende en dat aan een deugdelijk uitgevoerd DNA-onderzoek een grote overtuigende kracht hetzij in belastende hetzij in ontlastende zin pleegt te worden toegekend en heeft het hof voorts in aanmerking genomen dat er een groot maatschappelijk belang was dat een ernstig feit als het onderhavige tot klaarheid werd gebracht.

Het verdere chronologische verloop van de berechting laat zich als volgt samenvatten:

Op 6 juni 2000 is door de officier van justitie hoger beroep aangetekend. De processtukken zijn op 5 september 2000 bij het gerechtshof binnengekomen en op 27 maart 2002 heeft het hof arrest gewezen, bij welk arrest het openbaar ministerie ontvankelijk is verklaard in zijn vervolging en de zaak is verwezen naar de rechtbank teneinde de hoofdzaak te beslissen. Op 9 april 2002 is door de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 5 november 2002 verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep vanwege het niet binnen de bij de wet gestelde termijn doen indienen van middelen van cassatie. Vervolgens is verdachte bij dagvaarding van 20 januari 2003 gedagvaard voor de zitting van de rechtbank op 27 februari 2003, waarna de rechtbank op 13 maart 2003 vonnis heeft gewezen. Namens verdachte is op 17 maart 2003 hoger beroep ingesteld. De processtukken zijn op 3 juni 2003 bij het gerechtshof binnengekomen en op 3 mei 2004 wijst het hof arrest.

Het hof stelt vast dat het tijdsverloop in de hiervoor weergegeven afzonderlijke fasen van de procedure telkens binnen de gebruikelijk nog als redelijk aan te merken termijn van twee jaren is gebleven.

Met de behandeling van de zaak in vijf instanties is, uitgaande van de datum 10 november 1997 als beginpunt van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn, zes jaren en bijna zes maanden gemoeid geweest. Ook deze termijn is naar het oordeel van het hof niet als onredelijk aan te merken. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat de bij de afdoening van de onderhavige zaak opgetreden vertragingen deels aan verdachte te wijten zijn (het instellen van hoger beroep tegen het bevel van de rechter-commissaris tot het meewerken aan het afnemen van wangslijmvlies, het aantekenen van beroep in cassatie, waarna niet tijdig middelen van cassatie zijn ingediend) alsmede dat zich gedurende de procedure geen fases hebben voorgedaan, waarin de zaak onnodig lang heeft stilgelegen.

Volledigheid van het dossier

De raadsman heeft het volgende aangevoerd.

Het rapport van het NFI van 8 november 1999 betreffende vergelijkend DNA-onderzoek is cruciaal voor het eventuele bewijs tegen de verdachte. Bij het rapport zijn echter niet gevoegd de bijlagen (DNA-tabel, DNA piekprofielen, eventuele conversietabel). De raadsman wil beschikken over deze bijlagen, met name de piekprofielen, om te kunnen beoordelen of zij zich verdragen met de conclusie van het NFI. Bij brief van 31 januari 2003 aan de officier van justitie heeft de raadsman verzocht ervoor te zorgen dat deze bijlagen op de terechtzitting beschikbaar zijn. Aan dat verzoek is door de officier van justitie niet voldaan. Ter terechtzitting van de rechtbank op 27 februari 2003 heeft de raadsman primair bepleit dat vanwege het ontbreken van het volledige rapport het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard en subsidiair de rechtbank verzocht de zaak aan te houden teneinde via de rechter-commissaris het volledige rapport op te vragen. De rechtbank heeft echter het beroep op de niet-ontvankelijkheid verworpen en het aanhoudingsverzoek afgewezen. Derhalve beschikt de verdediging nog steeds niet over het volledige rapport van het NFI.

In hoger beroep heeft de raadsman gesteld primair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat niet het volledige rapport van het NFI aan de verdediging is verstrekt en subsidiair dat alsnog via de rechter-commissaris het volledige rapport moet worden opgevraagd.

Het hof overweegt als volgt.

De raadsman heeft met zijn verzoek aan de officier van justitie beoogd dat aan het dossier, in het bijzonder aan het rapport van het NFI van 8 november 1999, stukken worden toegevoegd, te weten (met name) de piekprofielen waarop de conclusie van dit rapport is gebaseerd.

Het rapport van het NFI is verkregen in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek – in opdracht van de rechtbank, gegeven bij tussenvonnis van 2 februari 1999 – uitgevoerd door de rechter-commissaris. Indien een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld dient de rechter-commissaris de stukken behelzende de resultaten van het gerechtelijk vooronderzoek aan het dossier toe te voegen. De (zittings)rechter kan hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de verdediging dan wel op vordering van het openbaar ministerie, alsnog de toevoeging aan het dossier van bepaalde stukken gelasten.

De raadsman heeft zijn verzoek om aanvullende stukken echter niet gericht aan de rechter-commissaris, maar aan de officier van justitie. Laatstgenoemde was niet verantwoordelijk voor de compleetheid van de stukken behelzende de resultaten van het gerechtelijk vooronderzoek. Reeds hierom faalt het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Maar ook indien de officier van justitie wel voor dit deel van het dossier verantwoordelijk zou zijn, moet het verweer worden verworpen. Tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan slechts worden geconcludeerd in geval van ernstige schending van beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen wordt tekort gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Hiervan is in de onderhavige zaak geen sprake, nu de officier van justitie slechts heeft nagelaten om bepaalde stukken aan het dossier toe te voegen op de grond – blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 27 februari 2003 – dat naar zijn opvatting het NFI niet méér verstrekt dan het reeds aan de stukken toegevoegde rapport en met dat rapport kan worden volstaan, terwijl de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van contra-expertise.

Bovendien had de verdediging de mogelijkheid – waarvan zij ook gebruik heeft gemaakt – om de (zittings)rechter te verzoeken de gewenste stukken aan het dossier te laten toevoegen. De weigering van de rechter zulks te doen kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderling verband beschouwd.

Het hof overweegt omtrent het bewijs het volgende. De paginanummers verwijzen naar het doorlopend genummerde eind-proces-verbaal van de politie.

1. Aan de verdachte wordt ten laste gelegd – kort gezegd - dat hij op 8 september 1997 met anderen een gewapende overval heeft gepleegd op een echtpaar wonende aan de [adres] (p. 50-51). Drie gemaskerde personen zijn omstreeks 02:25 uur de woning binnengedrongen, hebben het echtpaar in zijn slaapkamer bedreigd met vuurwapens (of wat daarop leek) en hebben onder meer de inhoud van de kluis in die woning (50.000 gulden) en op het lijf gedragen sieraden gestolen en zijn daarna weer uit de woning vertrokken.

2. De gealarmeerde politie is die nacht om 02:38 uur bij de woning gearriveerd. Aan de voorzijde was de woning afgesloten. Aan de achterzijde stond de achterdeur van de woning open (p. 50-51). Deze deur was voorzien van een klavierslot en twee insteekgrendels. Er was braakschade bij de bovenste insteekgrendel. De achtertuin was afgesloten door middel van twee openslaande deuren, waarvan de rechterdeur gedeeltelijk geopend was (p. 56-57). Een speurhond heeft een geurspoor gevolgd vanaf de poort aan de achterzijde van de tuin, rechtsaf over een pad dat achter de onderhavige woning en buurwoningen loopt tot aan het trottoir van een asfaltweg, [straatnaam] (p. 19).

3. Uit hetgeen is overwogen onder 2 volgt dat de daders de woning zijn binnengedrongen en deze weer hebben verlaten aan de achterzijde.

4. Achter de woning, ca. 1 m buiten de erfafscheiding op de klinkers van een parkeerterrein heeft verbalisant Rosa onder meer een sigarettenpeuk en een natte vlek (vermoedelijk speeksel) aangetroffen (p. 51).

5. Volgens het proces-verbaal van de technische recherche is het speeksel bemonsterd en is de peuk veiliggesteld (p. 58).

De raadsman heeft gesteld dat uit het dossier niet blijkt hoe deze sporen zijn veiliggesteld en dat daarom deze sporen niet geschikt zijn voor het bewijs.

Het hof is van oordeel dat deze sporen wel kunnen worden gebruikt voor het bewijs, in aanmerking genomen dat (i) volgens het genoemde proces-verbaal van de technische recherche de sporen zijn bemonsterd c.q. zijn veiliggesteld en er, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, van kan worden uitgegaan dat dit deugdelijk is gebeurd en (ii) er geen concrete aanwijzingen zijn gesteld of aannemelijk geworden dat de bemonstering c.q. veiligstelling ondeugdelijk zou zijn geweest.

6. Blijkens het rapport van het NFI (ing. N.M. van der Geest) van 8 november 1999 kan op grond van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek worden geconcludeerd dat het speeksel in het monster van de straatklinker en het celmateriaal op de shagpeuk afkomstig kan zijn van de [verdachte]. De kans dat een willekeurig individu hetzelfde DNA-profiel bezit als die van het onderzochte speeksel in het monster van de straatklinker en het celmateriaal op de shagpeuk bedraagt vele malen minder dan één op een miljoen.

7. De raadsman heeft het hof verzocht om, als het hof het openbaar ministerie ontvankelijk acht, te gelasten dat het dossier wordt aangevuld met de piekprofielen behorende bij het DNA-onderzoek door het NFI, zulks om te kunnen beoordelen of de conclusie van het rapport van het NFI in overeenstemming is met de piekprofielen.

Het hof acht dit niet noodzakelijk en neemt hierbij in aanmerking dat (i) het rapport van het NFI ook zonder de piekprofielen de gegevens bevat die beoordeling en waardering van het rapport mogelijk maken, (ii) niet concreet is gesteld of aannemelijk geworden dat de piekprofielen niet juist zijn geïnterpreteerd door de deskundige van het NFI en ook niet is gesteld dat de conclusie van dit rapport niet juist zou zijn, (iii) de door de wet aangewezen weg bij twijfel aan het DNA-onderzoek is dat een tegenonderzoek wordt verricht (art. 195b Sv – oud en huidig), terwijl de verdediging zelf heeft afgezien van tegenonderzoek.

Daarenboven volgt uit het thans geldende art. 10 van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken (Besluit van 27 augustus 2001, Stb. 400, inwerking getreden 1 november 2001), welke bepaling regelt wat het verslag van het DNA-onderzoek in ieder geval moet bevatten, dat de bij het onderzoek verkregen piekprofielen niet behoren tot de gegevens die in ieder geval deel moeten uitmaken van het verslag van de deskundige.

Het hof is dan ook van oordeel dat het rapport van het NFI ook zonder de piekprofielen bruikbaar is voor het bewijs.

8. De raadsman heeft verder aangevoerd dat het rapport van het NFI niet aangeeft dat de kans op een identiek DNA-profiel in geval van een broer van de verdachte veel groter is dan bij een willekeurige persoon die geen familie is van de verdachte, terwijl de verdachte twee broers heeft.

Hoewel dit aan de raadsman kan worden nagegeven, staat dit aan de validiteit van de conclusie van het NFI niet in de weg. De raadman heeft slechts in het algemeen gewezen op het gegeven dat het DNA-profiel van familieleden meer op elkaar lijkt dan dat van niet-familieleden, maar hij heeft niet concreet gesteld noch is op enigerlei wijze aannemelijk geworden dat een van de broers van de verdachte zou zijn betrokken bij de onderhavige overval, althans de donor zou kunnen zijn van het op de sporen aangetroffen DNA.

9. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5 – 8 kan volgens het hof buiten redelijke twijfel worden aangenomen dat de sporen (speeksel, sigarettenpeuk) afkomstig zijn van de verdachte.

10. De raadsman heeft geopperd dat er ook een onschuldige verklaring kan zijn voor de aanwezigheid van die sporen. Door toeval, bijvoorbeeld een automobilist ledigt een asbak, zou aldaar de peuk van een door de verdachte gerookte sigaret gedeponeerd kunnen zijn. Het speeksel zou er terechtgekomen kunnen zijn door iemand die dezelfde waterpijp heeft gebruikt als de verdachte, of door het ledigen ter plaatse van het mondstuk van een trompet waarop de verdachte heeft gespeeld.

Het hof gaat aan deze puur hypothetische verklaringen voorbij. De verdachte heeft niet gesteld dat hij een waterpijp heeft gerookt of trompet heeft gespeeld. Bovendien gaat het hier om de combinatie van twee afzonderlijke sporen, waaronder vochtig speeksel, afkomstig van dezelfde persoon waardoor de – toch al niet concreet onderbouwde – mogelijkheid van op toeval berustende verklaringen nog verder afneemt.

11. Uit hetgeen is overwogen onder 2 en 4 volgt dat de sporen zijn aangetroffen dichtbij de achtertuin (1 m afstand) van de onderhavige woning en nabij het pad waarover de daders, volgens het door de hond waargenomen geurspoor, zijn gekomen en/of gegaan. Bovendien was het speekselspoor vers, immers het was nog nat toen het werd aangetroffen.

Dit rechtvaardigt de conclusie dat de sporen in de nacht van de overval zijn achtergelaten.

12. De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat nabij de plaats van het delict in de nacht van het delict verse sporen afkomstig van de verdachte zijn aangetroffen.

13. De verdachte heeft wisselend verklaard over het feit of hij eerder in Zevenbergen is geweest.

In zijn verhoor door de politie op 11 november 1997 verklaart hij dat hij nooit in Zevenbergse Hoek of Zevenbergen is geweest (p. 413).

Ter terechtzitting van de rechtbank op 27 oktober 1998 heeft hij verklaard dat hij wel eens in Zevenbergen is geweest, maar dat hij [slachtoffer 1] niet kent en nooit bij hem thuis is geweest.

Geen van beide verklaringen verdraagt zich met het aantreffen nabij de plaats van het delict in de nacht van het delict van sporen die van de verdachte afkomstig zijn.

14. Uit het onderzoek is gebleken dat de verdachte op 8 september 1997, slechts enkele uren na de overval, bij het garagebedrijf [naam] een personenauto (VW Colorado) heeft gekocht voor 13.000 gulden en deze heeft afgerekend in – onder meer - coupures van 1.000 gulden. Volgens de aangifte van [slachtoffer 1] is bij de overval uit de kluis een bedrag gestolen van 50.000 gulden in coupures van 100, 250 en 1.000 gulden (p. 63).

De autoverkoper [getuige 1] heeft verklaard dat de koper 13.000 gulden afrekende met biljetten van 250 en 1.000 gulden en met inruil van een Ford Escort (p. 480). Hij heeft de man op de hem getoonde politiefoto van de verdachte herkend als de koper (p. 482).

[getuige 2] – een kennis van de verdachte - heeft op 10 november 1997 verklaard dat zij met de verdachte naar het autobedrijf is gegaan en dat de verdachte toen de auto heeft gekocht en zei dat hij veel geld bij zich had, wat hij anders nooit zei (p. 484-485).

[getuige 3] – de toenmalige vriendin van de verdachte - heeft op 20 november 1997 verklaard dat zij eveneens met de verdachte naar het garagebedrijf is geweest en dat ze heeft gezien dat de verdachte betaalde met biljetten van 100 en van 1.000 gulden (p. 492).

[getuige 2] en [getuige 3] hebben dit op 21 april 1998 ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd.

De verdachte daarentegen heeft wisselend verklaard over de aankoop van de auto.

Op 10 november 1997 heeft hij bij de politie verklaard dat niet hij maar [[getuige 2] de auto zou hebben gekocht en dat het [getuige 2] was die het geld betaalde aan de verkoper (p. 410).

Op 24 juli 1998 heeft hij bij de rechter-commissaris verklaard dat hij een auto heeft gekocht, dat die 13.000 gulden kostte en dat hij heeft afgerekend door de inruil van zijn oude auto met bijbetaling van 6.000 gulden.

Op de terechtzitting van de rechtbank van 27 oktober 1998 heeft hij verklaard dat hij die auto op 8 september 1997 heeft gekocht van zijn spaargeld.

15. Het hof concludeert uit hetgeen onder 14 is overwogen als volgt.

De verdachte heeft wisselend en tegenstrijdig verklaard over de vraag wie de auto (VW Colorado) heeft gekocht en wie het geld ervoor betaalde. Pas in tweede instantie heeft hij toegegeven dat niet [getuige 2] maar hij deze auto heeft gekocht en dat hij zelf heeft betaald.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte aanvankelijk – op 10 november 1997 - kennelijk leugenachtig verklaard met de bedoeling te bemantelen dat hij op 8 september 1997, dit is op de dag van de overval, beschikte over een groot geldbedrag in contanten, in ongebruikelijke coupures (van 1.000 gulden) die overeenkwamen met de bij de overval buitgemaakte biljetten.

De leugenachtigheid blijkt uit de hierboven weergegeven verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3].

Het hof gebruikt deze kennelijke leugenachtigheid als bewijsmiddel tegen de verdachte.

Voor het beschikken over voldoende vermogen om de VW Colorada te kopen heeft de verdachte uiteindelijk een ongeloofwaardige verklaring (spaargeld – niet nader toegelicht) gegeven. Immers deze verklaring verdraagt zich niet met de mededeling van de verdachte op 10 november 1997 dat hij geen inkomsten meer heeft, althans een uitkering heeft van de sociale dienst waarop wordt gekort, leeft van zijn familie en een schuld heeft van 7.000 gulden bij de sociale dienst (p. 409).

16. Gelet op al het vorenstaande stelt het hof vast dat nabij de plaats van het delict en onmiddellijk na het delict, twee van verdachte afkomstige sporen zijn aangetroffen waarvan in ieder geval een spoor (het speeksel) zeer vers was, dat de verdachte ondanks deze sporen blijft volhouden dat hij nooit ter plaatse is geweest en dat hij kennelijk om de waarheid te bemantelen heeft gelogen over de aankoop van een auto enkele uren na de overval waarbij hij een groot bedrag contant heeft betaald in onder meer biljetten van 1.000 gulden zoals buitgemaakt bij de overval.

Uit verdachtes aanwezigheid ten tijde van het delict op/bij de plaats van het delict, uit het feit dat hij kennelijk heeft meegedeeld in de buit, alsmede uit verdachtes kennelijke leugenachtigheid leidt het hof af dat het ten laste gelegde feit, diefstal in vereniging met (bedreiging met) geweld, bewezen kan worden geacht.

Aanvulling van de redengeving van de op te leggen straf

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepleit voor vermindering van de op te leggen straf op grond van schending van het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn.

Dit verweer wordt verworpen, aangezien op de gronden als hiervoor weergegeven bij de verwerping van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie onder het kopje "redelijke termijn van berechting", van overschrijding van de redelijke termijn geen sprake is.

B E S L I S S I N G :

Het hof:

Bevestigt het beroepen vonnis.

Dit arrest is gewezen door Mr. Claassens, als voorzitter

Mrs. Van de Loo en Wabeke, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Looijmans, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 mei 2004.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 02

tijd : 10.00

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1968,

wonende te [adres],

Is bij vonnis van de rechtbank te Breda van 13 maart 2003 ter zake van:

"Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen",

veroordeeld tot:

een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [naam], wonende te [adres], tot een bedrag van Eur. 22.689,01, te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging en de gebruikelijke kosten van invordering, met bepaling dat de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht, met verwijzing van de verdachte in de kosten die de benadeelde partij terzake van rechtsbijstand heeft gemaakt, tot op de dag van de uitspraak begroot op nihil, met oplegging aan verdachte van de verplichting aan de staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer [naam], te betalen een bedrag van Eur. 22.689,01, subsidiair 248 dagen hechtenis, met bepaling dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan de verplichting, opgelegd bij de hierboven genoemde schadevergoedingsmaatregel, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van het overeenkomstige bedrag komt te vervallen en vice versa, indien en voorzover verdachte de toegekende schadevergoeding heeft betaald aan deze benadeelde partij, daarmee de schademaatregel voor het betaalde bedrag komt te vervallen en met opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.