Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO8908

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-04-2004
Datum publicatie
04-05-2004
Zaaknummer
KG C0300708-MA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof staat centraal de vraag of de overeenkomst tussen partijen medio september 2000 perfect is geworden. Daarbij gaat het om de uitleg die moet worden gegeven aan de hiervoor onder 4.1. vermelde brief van 19 september 2000. In dit verband heeft [principaal appellante] vragen opgeworpen die betrekking hebben op de eigendom van de 19 kunstvoorwerpen. [principaal appellante] heeft gewezen op de aanspraken die de bisschop van Gerona danwel de Catalaanse overheid mogelijk ten aanzien van de hier bedoelde kunstvoorwerpen zullen doen gelden. Voor de hand ligt dat bij een beoordeling van de hier aan de orde zijnde zaak, beslist moet worden bij wie de eigendom van de 19 kunstvoorwerpen ligt, welke vraag, nu aan deze zaak internationale aspecten kleven, beantwoord zal moeten worden overeenkomstig de regels van het internationaal privaatrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 373
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MBR

rolnr. KG C0300708/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

derde kamer, van 6 april 2004,

gewezen in de zaak van:

[PRINCIPAAL APPELLANTE],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 23 april 2003,

geïntimeerde in incidenteel appel,

procureur: mr. J.E. Benner,

tegen:

de rechtspersoon naar buitenlands recht [PRINCIPAAL GEINTIMEERDE],

gevestigd te [plaats], [land],

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,

appellante in incidenteel appel,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht gewezen vonnis van 26 maart 2003 tussen appellante in principaal appel - [principaal appellante] - als gedaagde en geïntimeerde in principaal appel - [principaal geïntimeerde] - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 81820/KG ZA 03-63)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Nadat [principaal appellante] [principaal geïntimeerde] bij exploot van 23 april 2003 in appel had gedagvaard te verschijnen ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 27 mei 2003, is [principaal geïntimeerde] op verzoek van [principaal appellante] bij exploot van 6 mei 2003 aangezegd te verschijnen ter openbare terechtzitting van 17 juni 2003, aangezien de eerstgemelde zittingsdatum een nietbestaande dag was.

2.2. In de appeldagvaarding van 23 april 2003 heeft [principaal appellante] geconcludeerd dat het het hof behage het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [principaal geïntimeerde] alsnog af te wijzen, met verwijzing van [principaal geïntimeerde] in de kosten van beide instanties en met veroordeling van [principaal geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen ter voldoening van de te vernietigen titel in eerste aanleg mocht zijn betaald.

2.3. Vervolgens heeft [principaal appellante] bij memorie van grieven, onder overlegging van producties, veertien grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.

2.4. Bij memorie van antwoord heeft [principaal geïntimeerde], onder overlegging van producties, de grieven bestreden. Voorts heeft [principaal geïntimeerde] incidenteel appel ingesteld, daarin, naar het hof begrijpt, één grief aangevoerd en geconcludeerd dat het het hof behage om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de maximering van de dwangsom tot een bedrag van € 150.000,-- te vernietigen, met veroordeling van [principaal appellante] in de kosten van beide instanties.

2.5. Vervolgens heeft [principaal appellante], onder overlegging van producties, een memorie van antwoord in incidenteel appel tevens akte in principaal appel genomen.

2.6. Daarop heeft [principaal geïntimeerde] een antwoordakte in principaal appel genomen.

2.7. Partijen hebben daarna de stukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de betreffende memories van grieven.

4. De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

* In het begin van de jaren 80 van de vorige eeuw zijn uit de schatkamer van het klooster van Sint Esteban de Bañyoles in Gerona, Spanje, een aantal kunstvoorwerpen gestolen, waaronder 19 figuren c.q. reliëfs, alles van zilver en verguld zilver.

* [principaal appellante] heeft deze 19 kunstvoorwerpen circa 1985 bij een kunsthandel in België gekocht.

* Eind 1996 heeft [principaal appellante] twee reliëfs in veiling gebracht bij Sotheby in Londen. Enkele dagen vóór de veiling bij Sotheby van juli 1997 heeft [principaal appellante] bericht ontvangen dat het vermoedelijk kunstvoorwerpen waren die in het begin van de jaren 80 in Spanje waren gestolen. Op verzoek van Spanje heeft de Londense politie Sotheby verzocht de twee kunstvoorwerpen vast te houden en niet te laten veilen of af te geven. Zij bevinden zich daar nog steeds.

* Op 3 januari 1998 zijn [principaal appellante] en haar partner, [partner van principaal appellante], op verzoek van Interpol door de politie te [plaats] ondervraagd (prod. 13 MvG).

* Begin 1999 zijn door het Spaanse Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Sport gesprekken met [principaal appellante] gestart over de aankoop van voormelde 19 kunstvoorwerpen.

* Bij brief van kennelijk 27 mei 1999 (prod. 14 MvG) heeft de heer [naam commissielid Commissie K.W.E.S.H.B.] van de Commissie van Kwalificatie, Waardering en Export van Spaans Historisch Bezit van voormeld ministerie aan [principaal appellante] bericht. Deze brief, die in de Spaanse taal is gesteld, luidt in de Nederlandse vertaling als volgt:

"In antwoord op de inhoud van uw fax d.d. 21 mei 1999, breng ik onder uw aandacht dat wij u na noodzakelijk overleg inderdaad kunnen mededelen dat wij het eens zijn met het bedrag dat u aangeeft in uw fax d.d. 9 april (400.000 EUR) als betaling in ruil voor de beelden (19) welke in uw bezit verkeren en afkomstig zijn uit de 'Arca de San Martiriá' te Banyoles, Gerone (Catalonië, Spanje).

De vertraging van ons antwoord is te wijten aan het feit dat er een bankinstelling bestaat die belang heeft bij de betaling van voornoemd bedrag als 'sponsor' van dit terugkrijgen. Wij hebben redenen om aan te nemen dat de afspraak tot financiering van het vermelde geldbedrag binnen korte termijn verkregen kan worden. Wij gaan er van uit dat de komende maand juni alles opgelost zal zijn.

Ik verzoek u derhalve ons een kleine aanvullende tijds- marge toe te staan (niet langer dan een maand) opdat de vermelde handelingen gedurende de komende maand juni verricht kunnen worden, waarbij wij met onze goedkeuring rekenen op uw tegenbod (400.000 EUR) in ruil voor de overhandiging van de voornoemde 19 zilveren beelden."

* Bij brief van 7 juli 1999 (bijlage bij prod. 4 MvG) heeft [principaal appellante] aan voormelde heer [naam commissielid Commissie K.W.E.S.H.B.] en aan een zekere [naam], voorzover thans van belang, het volgende bericht:

"Suite à Notre correspondance et en particulier Votre fax du 27 Mai 1999, je n'ai pas eu de réaction de Votre part dans le delai que Vous avez proposé.

J'en tire la conclusion que Vous n'êtes plus intéressé dans l'acquisation de ces reliefs.

Je Vous demande en même temps, chèr Monsieur de lever la saisie des deux reliefs chez Sotheby à Londres, afin que je puisse les récuperer."

* Op 28 juli 1999 heeft [principaal appellante] aan [principaal geïntimeerde] een 'Gruppe von insgesamt 15 Figuren und 2 Reliefs silber und silber-vergoldet wohl Spanien, 15. Jahrhundert' verkocht 'frei von Rechten Dritter' (prod. 1 bij dagv. in k.g.). De voorwerpen werden door [principaal appellante] aan [principaal geïntimeerde] verkocht voor de prijs van DM 450.000,--. Daarnaast zou [principaal geïntimeerde] een stenen beeld, voorstellende Johannes de Doper, aan [principaal appellante] leveren.

* Op 18 augustus 1999 hebben partijen hun afspraken op briefpapier van [principaal geïntimeerde] vastgelegd en ondertekend (prod. 2 bij dagv. in k.g.). Bij die gelegenheid is de volgende handgeschreven toevoeging opgenomen:

"Galerie [principaal geïntimeerde] bemüht sich, die rechtliche Grundlage für den Verkauf der Span. Figuren zu schaffen. Der o.g. Kaufvertrag wird rechtsgültig, wenn eine Dienststelle der Span. Regierung erklärt, daß keine Ansprüche auf kostenlose Rückgabe der Silberfiguren gestellt werden. Sollte das Span. Ministerium für Kultur die Figuren direkt bei [principaal appellante] erwerben, kauft [principaal appellante] die St. Johannes-Figur von [principaal geïntimeerde] für DM 350.000,-. Die beiden Silberfiguren (zur Zeit bei Sotheby's London, (ex sale 7/97, Lot 27) sind nicht im Preis einbegriffen."

* Naderhand is tussen partijen overeengekomen (en is in de correspondentie vastgelegd) dat ook de twee laatste stukken van de groep, door [principaal appellante] bij Sotheby in Londen ter veiling gebracht, deel uitmaken van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst.

* Bij brief van 19 september 2000 richt voornoemde heer [naam] van het Spaanse Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Sport zich tot [principaal geintimeerde] (prod. 3 bij dagv. in k.g.) en bericht, voorzover thans van belang en in Duitse vertaling:

"In Anbetracht der aktuellen Situation aufgrund des zwischen [principaal appellante] und dieser Galerie abgeschlossenen Kaufvertrages, worauf vorher hingewiesen worden ist, setzen wir Sie und Frau [principaal appellante] in Kenntnis, daß aufgrund des Ziels, die Rückkehr dieser Stücke auf außergerichtlichen und friedlichem Wege nach Spanien zu erreichen, dieses Ministerium für Erziehung, Kultur und Sport sich verpflichtet, keine gerichtlichen, strafrechtlichen oder zivilrechtlichen Schritte, auch nicht polizeilichen Charakters, auszuüben, die darauf gerichtet sind, die 19 Figuren für den spanischen Staat zurückzuverlangen, und außerdem keine Entschädigingsansprüche ökonomischen Charakters für diese Stücke geltend zu machen.

Diese Verpflichtung wird auf die Interessen von [principaal appellante] aus [plaats] (Holland) ausgedehnt und wird aufrechterhalten unter der Voraussetzung, daß die Unterredungen, die wir mit Ihnen derzeit über den Kauf der 19 Figuren zungunsten des spanischen Staates und ihre Rückkehr nach Spanien führen, erfolgreich abgeschlossen werden, dabei ist die Verpflichtung nicht ausdehnbar auf die Interessen von dritten Personen, die an der Verhandlung über den Erwerb, die jetzt das Ministerium mit [principaal geintimeerde] in Bremen (Deutschland) unterhält, unbeteiligt sind."

* Op 8 mei 2001 heeft [principaal geïntimeerde] [principaal appellante] gedagvaard (prod. 4 MvG) en, kort gezegd, gevorderd dat [principaal appellante] zal worden veroordeeld om de 17 zich bij [principaal appellante] bevindende zilverfiguren en de twee zich bij Sotheby bevindende zilverreliefs, zoals genoemd in de overeenkomsten van 28 juli 1999 en 18 augustus 1999 (en de daaropvolgende correspondentie) aan [principaal geïntimeerde] te leveren.

* Op 20 juni 2002 is in deze bodemprocedure een voortzetting van comparitie van partijen gehouden. Ter zitting hebben partijen een dadingsovereenkomst gesloten (prod. 4 bij dagv. in k.g.), welke mede is ondertekend door [naam] en [naam] 'namens het Koninkrijk Spanje'.

* De dadingsovereenkomst bevat aan het slot een ongeclausuleerde ontbindende voorwaarde, inhoudende dat beide partijen het recht hebben om binnen één week na 20 juni 2002 de overeenkomst eenzijdig te annuleren, waarna de procedure zal worden hervat in de staat waarin deze zich bevindt. [principaal appellante] heeft daarop binnen de daarvoor gestelde termijn een beroep gedaan.

* De bodemprocedure is vervolgens voortgezet.

* Bij exploot van dagvaarding in kort geding van 28 februari 2003 heeft [principaal geïntimeerde] [principaal appellante] in kort geding gedagvaard en, kort gezegd, gevorderd dat [principaal appellante] wordt veroordeeld om de ter comparitie van partijen op 20 juni 2002 gesloten overeenkomst na te komen, althans dat [principaal appellante] wordt veroordeeld tot nakoming van de op 28 juli 1999 en 18 augustus 1999 gesloten overeenkomsten, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.

* Bij vonnis in kort geding van 26 maart 2003 heeft de voorzieningenrechter, kort gezegd:

- [principaal appellante] veroordeeld om binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis de op 28 juli 1999 en 18 augustus 1999 met [principaal geintimeerde] gesloten overeenkomsten na te komen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag voor iedere dag dat [principaal appellante] daarmee in gebreke blijft, de dwangsommen maximerend tot € 150.000,-,

- [principaal appellante] veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [principaal geïntimeerde] gerezen,

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

4.2. [principaal appellante] is het met deze beslissing niet eens en heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. [principaal appellante] heeft veertien grieven opgeworpen. Het hof zal allereerst de grieven 1 en 2 in het principaal appel beoordelen. Deze grieven betreffen de vragen of [principaal geïntimeerde] al dan niet een spoedeisend belang heeft bij haar vordering (grief 1), alsmede of de kwestie wel geschikt is om in kort geding te worden beslist (grief 2).

4.3.1. [principaal appellante] heeft ter toelichting op de eerste grief onder meer aangevoerd dat, waar [principaal geïntimeerde] stelt dat de overeenkomst van 18 augustus 1999 medio september 2000 perfect is geworden, [principaal geïntimeerde] kort daarna een kort geding jegens [principaal appellante] had behoren aan te spannen. [principaal geïntimeerde] heeft dat niet gedaan, maar heeft een dagvaarding in een bodemprocedure doen uitgaan. Ook tijdens die bodemprocedure heeft [principaal geïntimeerde] nagelaten een provisionele vordering in te stellen, dan wel een kort geding te starten.

4.3.2. [principaal geïntimeerde] heeft daartegen aangevoerd dat zij wel degelijk een spoedeisend belang heeft.

4.3.3. Het hof oordeelt als volgt. In juli en augustus 1999 hebben partijen een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot zeventien reliefs/figuren, welke overeenkomst later nog is uitgebreid met de twee bij Sotheby berustende beeldjes. In de visie van [principaal geïntimeerde] is deze overeenkomst op 19 september 2000 perfect geworden. Daarna is [principaal geïntimeerde], stellende dat [principaal appellante] niet nakwam, een bodemprocedure tegen [principaal appellante] begonnen. Eerst nadat de dadingsovereenkomst, die op 20 juni 2002 bij gelegenheid van een in deze bodemprocedure gehouden comparitie van partijen was totstandgekomen, door [principaal appellante] was ontbonden, heeft [principaal geïntimeerde] op 28 februari 2003 de dagvaarding in kort geding laten betekenen. Deze betekening heeft derhalve plaatsgevonden tweeëneenhalf jaar nadat de overeenkomst in de visie van [principaal geïntimeerde] perfect was geworden. Onder deze omstandigheden kan niet worden staande gehouden dat [principaal geïntimeerde] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering in kort geding. [principaal geïntimeerde] heeft wat dit betreft overigens geen feiten of omstandigheden gesteld die tot spoed nopen. Bovendien heeft [principaal geïntimeerde] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist als bedoeld in art. 254 Rv. [principaal geïntimeerde] rept weliswaar nog over vele en intensieve pogingen om tot een oplossing te komen maar, wat daar ook van zij, zij maken dit oordeel niet anders.

4.3.4. Doch ook op andere gronden dienen de vorderingen van [principaal geïntimeerde] alsnog te worden afgewezen. De tweede grief betreft het (impliciete) oordeel van de voorzieningenrechter dat de zaak geschikt is om in kort geding te worden beslist. In haar toelichting op deze grief voert [principaal appellante] aan dat de zaak feitelijk juridisch onhelder is, de gevolgen van een kort-geding-vonnis niet zijn te overzien en er sprake is van een rechtsvraag die te ingewikkeld is. Om die redenen had de voorzieningenrechter met inachtneming van art. 256 Rv. tot de slotsom moeten komen dat de zaak niet geschikt is om in kort geding te worden beslist en had de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening moeten weigeren, aldus [principaal appellante].

4.3.5. Ook deze grief is door [principaal geïntimeerde] bestreden.

4.3.6. Naar het oordeel van het hof staat centraal de vraag of de overeenkomst tussen partijen medio september 2000 perfect is geworden. Daarbij gaat het om de uitleg die moet worden gegeven aan de hiervoor onder 4.1. vermelde brief van 19 september 2000. In dit verband heeft [principaal appellante] vragen opgeworpen die betrekking hebben op de eigendom van de 19 kunstvoorwerpen. [principaal appellante] heeft gewezen op de aanspraken die de bisschop van Gerona danwel de Catalaanse overheid mogelijk ten aanzien van de hier bedoelde kunstvoorwerpen zullen doen gelden. Voor de hand ligt dat bij een beoordeling van de hier aan de orde zijnde zaak, beslist moet worden bij wie de eigendom van de 19 kunstvoorwerpen ligt, welke vraag, nu aan deze zaak internationale aspecten kleven, beantwoord zal moeten worden overeenkomstig de regels van het internationaal privaatrecht.

4.3.7. In dit verband rijst tevens de vraag, zoals door [principaal appellante] ook opgeworpen, of degenen die namens het Koninkrijk Spanje op 20 juni 2002 de dadingsovereenkomst hebben ondertekend, en toen hebben aangegeven dat zij namens het Koninkrijk Spanje [principaal appellante] als de eigenaresse van de kunstvoorwerpen erkenden, daartoe bevoegd waren.

4.3.8. Tenslotte zijn de gevolgen van de beslissing voor de rechter onvoldoende te overzien. Mocht de rechter in de bodemprocedure tot een ander oordeel komen dan de rechter in kort geding, die in eerste aanleg oordeelde dat [principaal appellante] de overeenkomsten met [principaal geïntimeerde] moet nakomen, dan rijst de vraag of [principaal appellante] haar eventuele aanspraken nog kan realiseren; de gevraagde voorziening kan niet zonder meer als voorlopig worden beschouwd. Ook in dit verband speelt de vraag naar de eigendomsrechten over de 19 kunstvoorwerpen.

4.3.9. De slotsom moet dan ook zijn dat in casu de feiten niet helder zijn, de gevolgen van de te geven beslissing voor de rechter niet zijn te overzien, terwijl bovendien aan de rechter de beantwoording van in kort geding te ingewikkelde rechtsvragen wordt voorgelegd. Het hof acht de zaak dan ook niet geschikt om in kort geding te worden beslist.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat de grieven 1 en 2 in het principaal appel slagen. Derhalve behoeven de overige grieven in het principaal appel, alsmede de in het incidenteel appel voorgedragen grief, geen bespreking. Het vonnis waarvan appel moet worden vernietigd en de vordering van [principaal geïntimeerde] moet alsnog worden afgewezen. [principaal geïntimeerde] zal als de in het ongelijk partij in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep worden veroordeeld.

5. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [principaal geïntimeerde] af;

veroordeelt [principaal geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen ter voldoening van de vernietigde titel in eerste aanleg mocht zijn betaald;

veroordeelt [principaal geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [principaal appellante] begroot op een bedrag van € 908,--, waarvan

€ 205,-- wegens verschuldigd vastrecht en € 703,-- voor salaris procureur; alsmede in de kosten van het principaal en het incidenteel appel aan de zijde van [principaal appellante] gevallen, welke kosten worden begroot op € 326,16 aan verschotten en € 1542,-- aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Begheyn, Venner-Lijten en H. Vermeulen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 6 april 2004.