Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO8699

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-03-2004
Datum publicatie
03-05-2004
Zaaknummer
02/04817
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

- Is het bezwaarschrift van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard?

- Is er sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/39.1 met annotatie van Redactie
FutD 2004-0884
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/04817

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde Inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden navorderingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996 met nummer 1 opgelegd (hierna: de navorderingsaanslag). Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en de navorderingsaanslag ambtshalve verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 106.539,=.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 29,=.

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Op grond van artikel 8:58 van de Awb hebben belanghebbende en de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 21 januari 2004 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar is toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn echtgenote en zijn zoon, alsmede, de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende en de Inspecteur hebben te dezer zitting pleitnota's voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

1.7. Op 23 januari 2004, derhalve nadat het Hof het onderzoek ter zitting had gesloten, is bij het Hof een brief van belanghebbende binnengekomen waarin hij een aanvulling geeft op zijn verklaringen tijdens het onderzoek ter zitting.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, stelt het Hof als tussen partijen niet in geschil, dan wel als door de ene partij gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1. De navorderingsaanslag is opgelegd met dagtekening 31 juli 2001. Het bezwaarschrift met dagtekening 12 september 2001 is door de Inspecteur ontvangen op 18 september 2001. Op de envelop, waarin het bezwaarschrift is verzonden, is een poststempel geplaatst, dat de datum 16 september 2001 vermeldt.

2.2. Belanghebbende stelt, dat hij op of omstreeks 18 augustus 2001 eerst telefonisch contact heeft opgenomen met de Belastingdienst omtrent uitstel van betaling en uitstel van het indienen van het bezwaarschrift en dat hij daarna een brief heeft verzonden aan de Belastingdienst. Belanghebbende beschikt niet over een afschrift van deze brief.

2.3. Een brief van de Ontvanger van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst van 28 augustus 2001 aan belanghebbende maakt deel uit van de gedingstukken. In deze brief schrijft de Ontvanger:

"(...) Geachte heer/mevrouw,

U heeft uitstel van betaling gevraagd voor de volgende aanslag:

Aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 aanslagnummer 1 (...)

Ik heb besloten dat u uitstel van betaling krijgt. Ik verbind aan dit uitstel de volgende voorwaarden: TOT 17 SEPTEMBER 2001.. Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan dan trek ik het uitstel in. (...)".

2.4. De Inspecteur beschikt niet over de in 2.2 bedoelde brief. Hij heeft verklaard, dat er in het systeem van de Ontvanger is aangetekend, dat er om uitstel van betaling is gevraagd, maar beschikt niet over andere stukken.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

- Is het bezwaarschrift van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard?

- Is er sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt?

Belanghebbende is van oordeel dat beide vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting heeft belanghebbende hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

- Ik denk dat ik het uitstelverzoek handgeschreven heb, nadat ik eerst telefonisch contact heb gehad met de heer A van de Belastingdienst en nog enkele anderen. Toen kreeg ik uitstel van betaling.

- Ik ben geschaad door de lange behandelingsduur van de zaak bij de Inspecteur.

- In juli 2001 was ik niet op vakantie. Nadat ik de navorderingsaanslag kreeg, heb ik eerst met collega's gesproken over de vraag of zij ook een aanslag hadden gekregen. Rond

18 augustus 2001 heb ik gebeld met de Belastingdienst. Mijn adviseur, die mij adviseert in privé zaken, was op vakantie. Toen vroeg ik om een maand uitstel van betaling en ook van indiening van het bezwaarschrift. Toen werd er gezegd, dat ik een bezwaarschrift moest indienen. Ik wilde wachten tot mijn adviseur terug was. Ik wilde uitstel tot 17 september 2001. Ik heb toen pas op 12 september dat bezwaarschrift geschreven. Waarom ik zo lang heb gewacht weet ik eigenlijk niet. Volgens mij lag mijn vrouw in die periode, zomer 2001, begin september, in het ziekenhuis met nierstenen en/of blaasontsteking. Ik weet niet meer precies wat de ambtenaren hebben gezegd.

- Op de vraag van het Hof of ik heb gezegd dat ik het bezwaarschrift later ging indienen of dat ik gevraagd heb of ik het bezwaar later mocht indienen, antwoord ik dat ik heb gevraagd of het later mocht. Ik weet niet meer of ze precies hebben gezegd dat er een uiterste termijn van zes weken is.

- Ik werkte vroeger als medewerker buitendienst bij het Ministerie van Landbouw en gaf in deze functie advies aan agrariërs. Ik werk niet bij de gemeente.

Ter zitting heeft de Inspecteur hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

- De navorderingsaanslag is gedagtekend 31 juli 2001, ik denk dat belanghebbende de navorderingsaanslag ongeveer twee weken voor de dagtekening heeft ontvangen.

- Ik heb geen stukken met betrekking tot het uitstelverzoek in mijn dossier. Ook de Ontvanger heeft geen stukken. In het systeem van de Ontvanger is wel aangetekend dat er uitstel is gevraagd. Als er een reden is, verleent de Ontvanger uitstel van betaling, bijvoorbeeld bij betalingsproblemen. Dit hangt van de omstandigheden af. In dit geval ging het om een kort uitstel van maar een maand. Voor het verkrijgen van uitstel van betaling is het niet noodzakelijk dat er een bezwaarschrift tegen de betreffende aanslag wordt ingediend.

- Het spijt mij dat het allemaal zo lang heeft geduurd. Dat komt omdat het een omvangrijke zaak is die ongeveer 100 personen betreft.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak, het ontvankelijk verklaren van het bezwaarschrift en vernietiging van de bestreden navorderingsaanslag. De Inspecteur concludeert, naar het Hof verstaat, primair tot ongegrondverklaring van het beroep en subsidiair tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak, het ontvankelijk verklaren van het bezwaarschrift en handhaving van de bestreden navorderingsaanslag.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Deze termijn eindigde op 11 september 2001.

Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is het nog tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het bovendien niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikelen 6:7 en 6:9 van de Awb).

4.2. Het bezwaarschrift is gedagtekend op 12 september 2001 en ter zitting heeft belanghebbende verklaard, dat hij het bezwaarschrift op 12 september 2001 heeft geschreven. Derhalve is het bezwaarschrift in beginsel niet-ontvankelijk, omdat het niet voor het einde van de termijn is ingediend en ook niet voor het einde van de termijn ter post is bezorgd.

Niet-ontvankelijkverklaring kan ingevolge het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb nog slechts achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.

4.3. Belanghebbende stelt, dat hij uitstel van betaling en uitstel voor het indienen van het bezwaarschrift heeft gevraagd. Een bestuursorgaan, zoals de Inspecteur, kan de bezwaartermijn niet verlengen. Het kan wel door een uitlating het vertrouwen wekken dat een belanghebbende ook na afloop van de bezwaartermijn nog een bezwaarschrift kan indienen (Hoge Raad 22 november 2000,

nr. 35 601, BNB 2001/28). Naar het oordeel van het Hof kan belanghebbende aan het verlenen van uitstel van betaling niet het vertrouwen ontlenen, dat hij na de afloop van de bezwaartermijn nog een bezwaarschrift kan indienen, nu de bewoordingen van de brief opgenomen in 2.3 duidelijk zijn en deze brief alleen betrekking heeft op uitstel van betaling. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 juli 1999, nr. 34 422, BNB 1999/438, beslist, dat een schriftelijk verzoek om uitstel van betaling van een aanslag, waarin een belastingplichtige aangeeft, dat hij ook bezwaar heeft tegen die aanslag, niet slechts als een verzoek om uitstel van betaling moet worden aangemerkt, maar ook als een aan de Inspecteur gericht (pro forma) bezwaarschrift.

4.4. Het Hof dient derhalve te onderzoeken of belanghebbende een schriftelijk verzoek om uitstel van betaling, zoals bedoeld in het arrest van 20 juli 1999, BNB 1999/438, heeft gedaan en of belanghebbende aan een uitlating van de Inspecteur het vertrouwen kon ontlenen, dat hij het bezwaar na het einde van de bezwaartermijn kon indienen.

4.5. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende onvoldoende aannemelijk gemaakt, dat hij een schriftelijk verzoek om uitstel van betaling heeft ingediend, waarin hij heeft aangegeven bezwaar te hebben tegen de navorderingsaanslag, omdat belanghebbende geen afschrift van deze brief kan overleggen en uit de gegevens van de Inspecteur niet blijkt, dat er een schriftelijk verzoek om uitstel voor het indienen van het bezwaarschrift door hem of een schriftelijk verzoek om uitstel van betaling door de Ontvanger is ontvangen. Bovendien heeft het Hof ter zitting belanghebbende uitdrukkelijk en meermalen gevraagd, wat de precieze gang van zaken was bij het verzoeken om uitstel, en heeft belanghebbende toen geen nadere bijzonderheden over de brief met het verzoek om uitstel verstrekt. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur heeft belanghebbende onvoldoende aannemelijk gemaakt, dat de Inspecteur of de Ontvanger een brief van hem heeft ontvangen met hierin naast een verzoek om uitstel van betaling een vermelding, dat hij bezwaar had tegen de navorderingsaanslag.

4.6. Belanghebbende heeft ter zitting als antwoord op de door het Hof gestelde vragen verklaard, dat hij niet precies meer weet, wat er in de telefoongesprekken met de Belastingdienst is gezegd en dat hij eigenlijk niet weet, waarom hij zo lang heeft gewacht met het schrijven van het bezwaarschrift. Deze antwoorden van belanghebbende op vragen van het Hof geven het Hof geen aanleiding ervan uit te gaan, dat een ambtenaar van de Belastingdienst telefonisch een uitlating heeft gedaan, waaraan belanghebbende het vertrouwen kon ontlenen, dat hij het bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn kon indienen. Belanghebbende is er daarom naar het oordeel van het Hof niet in geslaagd aannemelijk te maken, dat er bij hem ter zake enig rechtens te beschermen vertrouwen is gewekt.

4.7. Het Hof acht evenmin aannemelijk, dat belanghebbende door de opname van zijn vrouw in het ziekenhuis in de zomer 2001 niet in de gelegenheid was tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld, waaruit zou volgen, dat de door hem gememoreerde ziekenhuisopname het hem onmogelijk heeft gemaakt tijdig een bezwaarschrift in te dienen.

4.8. Belanghebbende heeft, na het onderzoek ter zitting, een brief aan het Hof gestuurd waarin hij nog een aanvulling geeft op zijn ter zitting gedane verklaringen omtrent de ziekenhuisopname van zijn vrouw in de zomer van 2001. Voorzover belanghebbende met de brief een verzoek tot heropening van het onderzoek, als bedoeld in artikel 8:68 van de Awb, heeft bedoeld te doen, wijst het Hof dit verzoek af. Met belanghebbende is ter zitting uitgebreid gesproken over de feiten en omstandigheden omtrent de indiening van het bezwaarschrift. Ook de ziekte van zijn echtgenote, en de ziekenhuisopname, is besproken. Het Hof is van oordeel dat het onderzoek volledig is geweest en ziet in voormelde brief van belanghebbende geen reden tot heropening van het onderzoek. Het Hof laat de in de brief opgenomen inhoudelijke opmerkingen van belanghebbende dan ook buiten beschouwing.

4.9. Uit het vorenstaande volgt, dat de Inspecteur belanghebbende terecht in het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat het beroep ongegrond is. De andere grieven behoeven geen behandeling.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en F. Sonneveldt, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 9 maart 2004

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 9 maart 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.