Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO8697

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2004
Datum publicatie
03-05-2004
Zaaknummer
02/02504
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende moet worden aangemerkt als heffingsplichtige ten aanzien van de woningen. Het antwoord op die vraag spitst zich toe op het antwoord op de vraag of de woningen aangemerkt moeten worden als recreatiewoningen in de zin van de in 2.3 en 2.4 bedoelde verordeningen.

Wetsverwijzingen
Wet verontreiniging oppervlaktewateren 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2004/4529
Belastingblad 2004/762
FutD 2004-0886
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/02504

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de afdeling Heffingen van het Hoogheemraadschap van West-Brabant te Breda (hierna: Verweerder) op het bezwaarschrift betreffende de haar opgelegde na te noemen vijf aanslagen in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is ter zake van het object A 1 te Z voor het jaar 1997 een navorderingsaanslag opgelegd naar 72,3 vervuilingseenheden (hierna: ve) met een boete van 10% tot een bedrag van € 3.248,02 (aanslagnummer 1) en voor het jaar 1998 een aanslag naar 128,2 ve tot een bedrag van € 5.235,72. Ten aanzien van het object A 2 te Z is aan belanghebbende voor het jaar 1999 een aanslag opgelegd naar 202,6 ve tot een bedrag van € 7.998,42, voor het jaar 2000 en 2001 voorlopige aanslagen opgelegd elk naar 200 ve tot een bedrag van € 7.532,75 (aanslagnummers 2 en 3). De aanslag voor het jaar 1997 is gedagtekend 27 april 2001, de aanslagen voor de jaren 1998, 1999 en 2000 zijn gedagtekend 23 februari 2001 en de aanslag 2001 is gedagtekend 2 april 2001.

Na bezwaar heeft Verweerder de aanslagen bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof waarbij van haar een griffierecht is geheven van € 218,--.

Verweerder heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Verweerder heeft vóór de zitting een pleitnota met bijlage en desgevraagd een afschrift van bijlage 1 bij de aangifte voor het jaar 1999 ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft voor wat betreft de enkelvoudige belasting met gesloten deuren en voor wat betreft de boete in het openbaar plaatsgehad op 7 november 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord

belanghebbende in de persoon van haar directeur, alsmede, de Verweerder.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende is eigenaar van een park met een grote waterplas genaamd De Q te Z, plaatselijk aangeduid als A 2 te Z. In dat park realiseert zij woningen en chalets, en plaatst zij stacaravans. Deze woningen, chalets en stacaravans (hierna: de woningen) worden met de ondergrond te koop aangeboden. In 2001 zijn circa 165 woningen gerealiseerd en verkocht. Op de dag van de zitting zijn circa 180 woningen verkocht en zullen nog 40 woningen worden gerealiseerd. Belanghebbende blijft uiteindelijk eigenaar van de waterplas en van de wegen. Van meet af aan worden de woningen door de eigenaren gebruikt voor permanente bewoning. Enkele bewoners staan op het adres van de woning ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Aanvankelijk was er een postkamer, thans wordt de post bij de woning bezorgd. Er zijn buiten de waterplas geen recreatieve voorzieningen in het park aanwezig. Aanvankelijk was één woning in gebruik als verkoopkantoor.

2.2. Belanghebbende heeft middels een door Verweerder aan haar uitgereikt formulier voor de jaar 1997 verklaard vanaf 1 januari 1997 "met een enkele bewoner" gebruiker te zijn van het object A 2 te Z. Deze verklaring is gedagtekend 17 april 2000 en door Verweerder ontvangen op 20 april 2000.

Belanghebbende heeft voor de jaren 1998 en 1999 de aan haar uitgereikte aangiften ingevuld en ingediend. De aangifte voor het jaar 2000 is oningevuld retour gezonden.

2.3. De Heffingsverordening verontreiniging oppervlaktewateren Hoogheemraadschap West-Brabant 1997, vastgesteld in de Algemene Vergadering van 12 december 1996 en bekendgemaakt door mededeling in onder andere het Brabants Dagblad van 21 december 1996 dat de verordening is vastgesteld en is opgenomen in het Waterschapsblad 96, bepaalt voorzover te dezen van belang:

"Begripsbepalingen

Artikel l

Deze verordening verstaat onder:

(...)

e woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid;

f bedrijfsruimte: een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte;

g recreatiewoonruimte: een voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimte die zich bevindt op een voor, verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd; voor de toepassing van deze verordening wordt een recreatiewoonruimte aangemerkt als een bedrijfsruimte dan wel een onderdeel van een bedrijfsruimte waarbij meerdere recreatiewoonruimten tezamen worden aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel een onderdeel van een bedrijfsruimte;

(...)"

2.4. De Heffingsverordening verontreiniging oppervlaktewateren Hoogheemraadschap West-Brabant 2001, vastgesteld in de Algemene Vergadering van 21 december 2000 en bekendgemaakt door mededeling in onder andere het Brabants Dagblad van 30 december 2000 dat de verordening is vastgesteld en is opgenomen in het Waterschapsblad 2000, bepaalt voorzover te dezen van belang:

"Begripsbepalingen

Artikel 1

Deze verordening verstaat onder:

(...)

f woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;

g bedrijfsruimte: een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte;

(...)

Forfaits voor woonruimten

Artikel 16

1 De vervuilingswaarde van een woonruimte is 3 vervuilingseenheden, met dien verstande dat voor een woonruimte die door één persoon wordt gebruikt de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid wordt vastgesteld.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte danwel als onderdeel van een bedrijfsruimte.

3 Indien de in het eerste lid bedoelde situatie dat een woonruimte wordt gebruikt door één persoon ontstaat in de loop van het heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid vastgesteld met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin die situatie is ontstaan. Indien de hiervoor bedoelde situatie ontstaat op de eerste dag van een kalendermaand, wordt de vervuilingswaarde met ingang van die dag op 1 vervuilingseenheid vastgesteld."

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende moet worden aangemerkt als heffingspichtige ten aanzien van de woningen. Het antwoord op die vraag spitst zich toe op het antwoord op de vraag of de woningen aangemerkt moeten worden als recreatiewoningen in de zin van de in 2.3 en 2.4 bedoelde verordeningen.

Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, Verweerder bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

In 2001 zijn circa 165 woningen gerealiseerd en verkocht, op de dag van de zitting zijn circa 180 woningen gerealiseerd en zullen nog 40 woningen worden gerealiseerd. Het terrein is vrij toegankelijk. Zowel de woningen als de chalets en de stacaravans worden permanent bewoond. Enkele bewoners staan op het adres van de woning ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Aanvankelijk was er een postkamer, thans wordt de post bij de woning bezorgd en was één woning in gebruik als verkoopkantoor.

Verweerder

In verband met het ontbreken van een zogenaamd nieuw feit concludeer ik thans tot vernietiging van de navorderingsaanslag voor het jaar 1997.

Met betrekking tot het feitelijk gebruik van de woningen, chalets en stacaravans is door de gemeente eerst recentelijk een onderzoek ingesteld. Het is voor mij niet mogelijk ten aanzien van dat gebruik in het verleden meer aan te voeren dan ik in de stukken al heb gedaan zodat ik het bewijsaanbod te dien aanzien intrek.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak alsmede alle aanslagen. Verweerder concludeert, in afwijking van de stukken, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak voorzover het de navorderingsaanslag voor het jaar 1997 betreft en bevestiging van die uitspraak voor het overige en vernietiging van de navorderingsaanslag voor het jaar 1997.

4. Beoordeling van het geschil

Gezien het bepaalde in de in 2.3 en 2.4 genoemde verordeningen met betrekking tot recreatiewoningen dient voor de beantwoording van de in geschil zijnde vraag onderzocht te worden of de woningen bestemd zijn voor recreatiedoeleinden en of de woningen zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. Nu Verweerder belanghebbende als heffingsplichtige wenst aan te merken rust de bewijslast daarvan op hem. Verweerder maakt naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk dat het park een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein is dat als zodanig wordt geëxploiteerd. Het Hof doet dit oordeel steunen op de omstandigheid dat aan de in 2.1 genoemde feitelijke omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat belanghebbende het park exploiteert als een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein, en voorts op de omstandigheid dat, naar belanghebbende onweersproken heeft gesteld, de woningen, chalets en stacaravans permanent worden bewoond. Ook overigens is niet gebleken dat sprake is van een exploitatie in de hierbedoelde zin. Derhalve kan in het midden blijven voor welk gebruik de woningen zijn bestemd en moet de in geschil zijnde vraag ontkennend worden beantwoord. Nu het gelijk aan de zijde van belanghebbende is, is het beroep gegrond en moet worden beslist als hierna vermeld.

5. Proceskosten

Hoewel het beroep gegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de ambtenaar te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb nu belanghebbende daar niet om heeft verzocht en het Hof ook ambtshalve niet is gebleken, dat zij voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep gegrond, vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de onderhavige vijf aanslagen, gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze gestorte griffierecht tot een bedrage van € 218,-- en wijst het Hoogheemraadschap van West-Brabant aan als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden.

Aldus gedaan door A.J. van Soest, voorzitter, N. van Beelen en S. Bosma, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van C.A.F.M. Stassen, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 26 maart 2004

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 26 maart 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.