Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO8695

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
03-05-2004
Zaaknummer
02/01951
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

4.1.1 Heeft de Verweerder bij de afdoening van het bezwaarschrift willekeurig gehandeld, door de door belanghebbende in bezwaar aangevoerde gegevens over te nemen zonder te beschikken over informatie op basis waarvan hij gemotiveerd de vervuilingseenheden kan vaststellen?

4.1.2 Heeft de Verweerder gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel doordat zonder onderbouwing is geweigerd om het percolatiewater over het land uit te rijden?

4.1.3 Was sprake van een niet-gescheiden rioolstelsel zodat het ervoor moet worden gehouden dat belanghebbende de geconstateerde vervuiling niet als enige heeft veroorzaakt?

4.1.4 Dient de Verweerder de door belanghebbende gemaakte kosten van het leegpompen en schoonspoelen van het riool onder de A ad ƒ 7.813,= aan belanghebbende te vergoeden?

4.1.5 Dient de Verweerder de door belanghebbende gemaakte kosten van het afsluiten van de regenwaterbuffer ad ƒ 2.655,= aan belanghebbende te vergoeden?

4.1.6 Is sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel doordat het water uit de regenwaterbuffer wel geloosd mocht worden op de rioolzuiveringsinstallatie B, en het op belanghebbendes terrein aanwezige mengsel van percolatiewater en regenwater niet?

4.1.7 Dient de Verweerder de door belanghebbende gemaakte kosten van het transporteren van het percolatiewater per as en van de huur van een afsluiter ad in totaal ƒ 15.642,= aan belanghebbende te vergoeden?

Wetsverwijzingen
Wet verontreiniging oppervlaktewateren 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2004/2758
Belastingblad 2004/682
FutD 2004-0887
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/01951

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd afdeling heffing van het Zuiveringschap Limburg (hierna: Verweerder) op het bezwaarschrift betreffende na te melden voorlopige aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 onder nummer 1 een nadere voorlopige aanslag in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren opgelegd naar een geschatte vervuilingswaarde van 885 vervuilingseenheden, welke aanslag, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Verweerder is verminderd tot een naar een geschatte vervuilingswaarde van 644,1 vervuilingseenheden.

1.2 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 218,=.

De Verweerder heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3 Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 7 november 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de Verweerder.

Belanghebbende noch haar gemachtigde is verschenen. Zijdens belanghebbende is vóór de zitting bericht gedaan van haar niet-verschijnen.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaring van de Verweerder ter zitting, stelt het Hof als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1 Belanghebbende drijft een handel in poot- en consumptieaardappelen. In juli 2000 heeft belanghebbende een partij overtollige aardappelen op haar eigen terrein opgeslagen gehouden. Bij deze aardappelen is rotvorming opgetreden ten gevolge waarvan water vrijkwam dat in de bodem is gesijpeld (percolatiewater).

2.2 Een gedeelte van het in 2.1 bedoelde percolatiewater is via het gemeentelijke rwa-riool terecht gekomen in oppervlaktewater, te weten in de regenwaterbuffer met overloop in de Alossing. In bedoelde regenwaterbuffer is als gevolg van het binnentreden van het percolatiewater zuurstofloosheid opgetreden. Een ander deel van het percolatiewater is via het gemeentelijke dwa-riool terecht gekomen in de rioolwaterzuiveringsinstallatie B.

2.3 Het totaal van het in het oppervlaktewater en in de rioolzuiveringsinstallatie "B" op de in 2.2 omschreven wijze terecht gekomen percolatiewater is door de Verweerder geschat op 200 m3.

2.4 Van de in 2.2 bedoelde lozingen zijn monsters genomen welke een gemiddelde CZV-waarde hadden van 54433 milligram per liter en een gemiddelde N-waarde van 2443 milligram per liter.

2.5 Nadat deze lozingen door Verweerder waren geconstateerd en nadat de Verweerder belanghebbende daarop had aangesproken heeft belanghebbende maatregelen getroffen om verdere uitloop van het percolatiewater te verhinderen.

2.6 Voor de in 2.2 bedoelde lozingen had belanghebbende niet een vergunning aangevraagd noch een verkregen.

2.7 Op 1 augustus 2000 heeft belanghebbende vergunningen aangevraagd voor het per as (per tankauto) afvoeren van het restant van het percolatiewater naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties C en D. Per dezelfde datum zijn door de Verweerder onder daarbij gestelde voorwaarden daartoe strekkende vergunningen afgegeven voor de periode 1 augustus 2000 tot en met 31 augustus 2000.

2.8 Belanghebbende heeft vervolgens het resterende percolatiewater per as afgevoerd naar de in 2.7 bedoelde rioolwaterzuiveringsinstallaties. Tot 15 augustus 2000 had belanghebbende op deze wijze 276,86 m3 percolatiewater afgevoerd en bleef na die datum nog afvoeren.

2.9 De Verweerder heeft, uitgaande van de afvoer tussen 1 augustus en 15 augustus 2000 ad 276,86 m3, een schatting gemaakt van het totaal van de op deze wijze af te voeren percolatiewater. Deze schatting kwam uit op 500 m3. Nadat de onderwerpelijke voorlopige aanslag is opgelegd is gebleken dat de hoeveelheid van het op deze wijze afgevoerde percolatiewater 770 m3 heeft bedragen.

2.10 Van het per as aangevoerde percolatiewater zijn monsters genomen welke een gemiddelde CZV-waarde hadden van 43833 milligram per liter en een gemiddelde N-waarde van 2377 milligram per liter.

2.11 Belanghebbende heeft ten slotte tussen 19 en 23 juli 2000 het in het riool onder de A aanwezige vervuilde water weggepompt en afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie B alsmede dit riool doorgespoeld met grondwater. Van het met percolatiewater vervuilde water zijn monsters genomen welke een gemiddelde CZV-waarde hadden van 1076 milligram per liter en een gemiddelde N-waarde van 72 milligram per liter. De totale hoeveelheid van het aldus afgevoerde water is door de verweerder op basis van het aantal pompuren geschat op 4500 m3.

2.12 Ten aanzien van de in 2.2 bedoelde lozing is door de Verweerder nader het standpunt dat belanghebbende in bezwaar innam gevolgd, te weten dat sprake was van lozing van 6 m3 water, waarbij volgens een analyse welke belanghebbende heeft doen uitvoeren, 63300 milligram CZV-waarde en 1100 milligram N-waarde zijn gemeten. Op grond daarvan heeft belanghebbende ter zake een aantal vervuilingseenheden berekend van 8,25, welke berekening blijkens de bestreden uitspraak door de Verweerder bij die uitspraak is gevolgd. Ten aanzien van de waterafvoer als omschreven in 2.11 is door de Verweerder bij de bestreden uitspraak het standpunt dat belanghebbende in bezwaar innam gevolgd, te weten dat sprake was van afvoer van 3000 m3 water. Ook het te dezen door de belanghebbende berekende aantal vervuilingseenheden van 85 is door de Verweerder bij die uitspraak gevolgd.

2.13 Het door de Verweerder gestelde aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het per as afgevoerde percolatiewater is door de belanghebbende in bezwaar niet bestreden.

2.14 Met dagtekening 30 september 2003 is door de Verweerder de definitieve aanslag in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren opgelegd voor het jaar 2000 naar een vervuilingswaarde van 691 vervuilingseenheden, conform het totaal van de aantallen vervuilingseenheden welke ten grondslag lagen aan de eerste voorlopige aanslag en aan de onderwerpelijke tweede voorlopige aanslag zoals deze na vermindering bij de bestreden uitspraak luidde. Het per saldo te betalen bedrag van deze definitieve aanslag luidde na verrekening van de genoemde voorlopige aanslagen derhalve nihil.

3. De Verordening.

In het jaar 2000 gold in de Provincie Limburg een Verordening Verontreinigingsheffing 1997 (hierna: de Verordening) welke, voor zoveel hier van belang, luidde als volgt:

"Artikel 1

Deze verordening verstaat onder:

(...)

c vervuilingswaarde: het aantal vervuilingseenheden dat als basis dient voor de berekening van de aanslag in de heffing;

d vervuilingseenheid:

-voor zuurstofbindende stoffen: een inwoner-equivalent, vertegenwoordigend het verbruik van 136 gram zuurstof per etmaal;

(...)

h zuiveringstechnisch werk: een werk dat in beheer is bij het zuiveringschap en dat is ingericht en/of wordt aangewend voor transport en/of behandeling van afvalwater.

(...)

Artikel 3

1. Onder de naam verontreinigingsheffing wordt, ter bestrijding van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en het voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren, een directe belasting geheven van degene die afvalstoffen direct of indirect brengt in een oppervlaktewater of op een zuiveringstechnisch werk.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als degene die afvalstoffen direct of indirect brengt in een oppervlaktewater of op een zuiveringstechnisch werk, aangemerkt:

a (...)

b ingeval de afvalstoffen afkomstig zijn van een bedrijfsruimte: de gebruiker van die bedrijfsruimte.

(...)

Artikel 5

Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

(...)

Artikel 6

Voor de heffing geldt als maatstaf:

a voor zuurstofbindende stoffen:

de gemiddelde belasting per etmaal met die stoffen van een oppervlaktewater of een zuiveringstechnisch werk, uitgedrukt in vervuilingseenheden en bepaald op basis van de som van het chemisch zuurstofgebruik en het zuurstofgebruik door omzetting van stikstofverbindingen. De gemiddelde belasting wordt berekend door de belasting van het oppervlaktewater of het zuiveringstechnische werk met zuurstofbindende stoffen over het heffingsjaar te delen door 365;

(...)

Artikel 8

1 Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen van een bedrijfsruimte of een onderdeel van een bedrijfsruimte wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens met inachtneming van de in Bijlage I van deze verordening opgenomen voorschriften.

(...)

Artikel 10

Het totale aantal vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen van een bedrijfsruimte wordt bepaald op de som van het overeenkomstig de artikelen 8 en 9 bepaalde aantal vervuilingseenheden, voor zover deze artikelen van toepassing zijn.

(...)

Artikel 15

Het tarief bedraagt per vervuilingseenheid ƒ 83,80.

(...)

Artikel 17

1 De heffing wordt geheven bij wege van aanslag.

(...)

Artikel 18

Na de aanvang van het belastingjaar kunnen aan de gebruiker van een bedrijfsruimte één of meer voorlopige aanslagen worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag, waarop de aanslag over dat heffingsjaar vermoedelijk zal worden vastgesteld."

De bij de Verordening behorende Bijlage I luidt, voor zoveel hier van belang, als volgt:

"(...)

C. Berekeningsvoorschriften

1 Berekeningswijze van het aantal vervuilingseenheden.

a. Zuurstofbindende stoffen

(artikel 6, sub a)

Aantal vervuilingseenheden Q (CZV + 4,57N).

136

In deze formule wordt verstaan onder

Q: het aantal m3 afgevoerd afvalwater per etmaal

CZV: het chemisch zuurstofverbruik in mg/l bepaald op de onder B voorgeschreven wijze;

N: de som van ammonium-stikstof en organisch gebonden stikstof in mg/l bepaald op de onder B voorgeschreven wijze."

4. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

4.1 Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

4.1.1 Heeft de Verweerder bij de afdoening van het bezwaarschrift willekeurig gehandeld, door de door belanghebbende in bezwaar aangevoerde gegevens over te nemen zonder te beschikken over informatie op basis waarvan hij gemotiveerd de vervuilingseenheden kan vaststellen?

4.1.2 Heeft de Verweerder gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel doordat zonder onderbouwing is geweigerd om het percolatiewater over het land uit te rijden?

4.1.3 Was sprake van een niet-gescheiden rioolstelsel zodat het ervoor moet worden gehouden dat belanghebbende de geconstateerde vervuiling niet als enige heeft veroorzaakt?

4.1.4 Dient de Verweerder de door belanghebbende gemaakte kosten van het leegpompen en schoonspoelen van het riool onder de A ad ƒ 7.813,= aan belanghebbende te vergoeden?

4.1.5 Dient de Verweerder de door belanghebbende gemaakte kosten van het afsluiten van de regenwaterbuffer ad ƒ 2.655,= aan belanghebbende te vergoeden?

4.1.6 Is sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel doordat het water uit de regenwaterbuffer wel geloosd mocht worden op de rioolzuiveringsinstallatie B, en het op belanghebbendes terrein aanwezige mengsel van percolatiewater en regenwater niet?

4.1.7 Dient de Verweerder de door belanghebbende gemaakte kosten van het transporteren van het percolatiewater per as en van de huur van een afsluiter ad in totaal ƒ 15.642,= aan belanghebbende te vergoeden?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Verweerder is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

4.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

4.3 Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de bestreden uitspraak. De Verweerder concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 Naar het Hof verstaat komen de grieven van belanghebbende, voor zover deze grieven gericht zijn tegen de onderwerpelijke aanslag, hierop neer dat belanghebbende betwist dat de onderwerpelijke aanslag terecht en tot een juist bedrag is vastgesteld.

5.2 Verweerder heeft de onderwerpelijke aanslag opgelegd op grond van drie onderscheiden lozingen, te weten 1e de lozing van percolatiewater op oppervlaktewater en op een zuiveringstechnisch werk als bedoeld in 2.2, 2e de lozing per as op twee zuiveringstechnische werken als bedoeld in 2.8 en 3e de lozing van verdund percolatiewater op een zuiveringstechnisch werk als omschreven in 2.11. De met de eerstbedoelde en de laatstbedoelde lozing veroorzaakte aantallen vervuilingseenheden zijn door de Verweerder gesteld op de aantallen welke belanghebbende ter zake in haar bezwaarschrift heeft gesteld. In haar beroepschrift zijn door belanghebbende geen andere aantallen vervuilingseenheden gesteld met betrekking tot deze twee lozingen, dan zij in haar bezwaarschrift stelde. Met betrekking tot de als tweede genoemde lozing heeft belanghebbende het door de Verweerder in aanmerking genomen aantal vervuilingseenheden noch in bezwaar noch in beroep betwist.

5.3 Verweerder heeft de onderwerpelijke aanslag opgelegd op basis van de vastgestelde feiten naar een totaal aantal vervuilingseenheden dat niet hoger is dan door belanghebbende blijkens zijn bezwaarschrift is gesteld, althans niet is betwist. Nu gesteld noch gebleken is dat de voorlopige aanslagen zijn opgelegd tot een in totaal hoger bedrag dan dat waarop de aanslag over het heffingsjaar vermoedelijk zou worden vastgesteld, stond het naar het oordeel van het Hof de verweerder vrij om tot ten hoogste dat laatstbedoelde bedrag een of meer voorlopige aanslagen op te leggen gebaseerd op geschatte aantallen vervuilingseenheden. Belanghebbendes andersluidende opvatting welke hierop neerkomt dat het de verweerder niet vrij staat om een voorlopige aanslag op te leggen op basis van een geschat aantal vervuilingseenheden maar dat hij eerst een voorlopige aanslag mag opleggen wanneer onomstotelijk komt vast te staan hoeveel vervuilingseenheden zijn toe te rekenen aan degene aan wie deze aanslag wordt opgelegd, wordt door het Hof verworpen. Het Hof merkt hierbij op dat door het opleggen van een voorlopige aanslag niet een materiële belastingschuld wordt omgezet in een formele belastingschuld, maar slechts een formele betalingsverplichting ontstaat. Belanghebbendes klacht dat de Verweerder door een voorlopige aanslag op te leggen zonder over informatie te beschikken op basis waarvan hij gemotiveerd de vervuilingseenheden kan vaststellen, willekeurig handelde zodat die aanslag moet worden vernietigd, wordt op grond van het vorenstaande eveneens door het Hof dan ook verworpen.

5.4 Belanghebbendes grief dat de Verweerder gehandeld heeft in strijd met het gelijkheidsbeginsel, een en ander naar het Hof verstaat bij het opleggen van de onderwerpelijke aanslag, wordt door het Hof verworpen. Door belanghebbende zijn geen feiten gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, welke de conclusie rechtvaardigen dat de Verweerder bij het opleggen van de onderwerpelijke aanslag handelde in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het Hof merkt hierbij op dat de ongelijkheid waarop belanghebbende zich te dezen kennelijk beroept niet betrof het opleggen van een aanslag in de verontreinigingsheffing in het algemeen, maar de toestemming om percolatiewater over het land te mogen uitrijden, tot het verlenen van welke toestemming de Verweerder kennelijk niet bevoegd is.

5.5 Ook het door belanghebbende gestelde inzake de vraag of sprake is van een gescheiden rioolstelsel mist naar het oordeel van het Hof doel, reeds omdat hetgeen belanghebbende met zijn ter zake aangevoerde stellingen beoogt te onderbouwen, te weten dat het aantal vervuilingseenheden samenhangende met de in 2.2 bedoelde lozingen, niet in geschil is nu de Verweerder zich bij de uitspraak op het bezwaar aan belanghebbendes standpunt ter zake heeft geconformeerd.

5.6 De overige door belanghebbende aangevoerde grieven kunnen kennelijk niet leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak, nu die grieven niet tegen de onderwerpelijke aanslag zijn gericht. Het Hof gaat derhalve aan deze grieven voorbij.

5.7 Voorzover belanghebbende in beroep verzoekt om vergoeding van de door haar gemaakte kosten zoals vermeld in de aanvulling op het beroepschrift van 18 december 2000, in de zin van artikel 8:73 Awb, wijst het Hof dit verzoek af nu die kosten niet zijn veroorzaakt door het opleggen van de onderwerpelijke aanslag noch door het beslissen op het bezwaar. Bovendien wijst het Hof erop dat deze kosten zijn gemaakt naar aanleiding van sommaties tot het treffen van voorzieningen ter voorkoming van verdere vervuiling en ongedaanmaking van reeds veroorzaakte vervuiling door anderen dan de Verweerder.

5.8 Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vragen voor zover die de bestreden uitspraak betreffen, aan de zijde van de Verweerder zodat moet worden beslist als hierna vermeld.

6. Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Nu belanghebbende in beroep in het ongelijk wordt gesteld is evenmin plaats voor een vergoeding van het door haar betaalde griffierecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door N. van Beelen, voorzitter, A.J. van Soest en S. Bosma en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van C.A.F.M. Stassen, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 17 maart 2004

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 17 maart 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.