Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO8657

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-04-2004
Datum publicatie
29-04-2004
Zaaknummer
R0300962
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door de rechtbank is op verzoek van de vrouw een omgangsregeling vastgesteld die zeer gedetailleerd te noemen is. Er is onder meer uitvoerig geregeld hoe laat het kind gehaald en gebracht moet worden en door wie, hoe de vakanties worden verdeeld en bij wie de kerstdagen worden doorgebracht etc. In hoger beroep is strijd over hoe de omgangsregeling uitgevoerd dient te worden en alle details hiervan leveren strijd op tussen de ouders.

Het recht op omgang zelf is niet in het geding.

Het ontbreekt partijen aan een goede communicatie die noodzakelijk is om in het belang van het kind uitvoering te kunnen geven aan een soepel verlopende omgangsregeling. Het is beide partijen duidelijk dat indien deze communicatie ontbreekt, zij ondanks een beslissing van het hof of welke rechter dan ook, steeds opnieuw met elkaar in conflict zullen komen over de uitvoering van de omgangsregeling. Ter zitting zijn partijen daarom overeengekomen om door middel van mediation te proberen de communicatie tussen hen te verbeteren en een omgangsregeling overeen te komen waar zij beiden achter kunnen (blijven) staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 april 2004

Rekestenkamer

Rekestnummer R200300962

GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

de vrouw,

procureur mr. J.E. Benner,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de man,

procureur J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Maastricht van 8 oktober 2003, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 30 december 2003, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw recht te doen bij beschikking als volgt: de voormelde beschikking als volgt te wijzigen; de man kan zich niet laten vervangen door zijn ouders; de man zal [de zoon] op 1e kerstdag 's avonds terugbrengen; [de zoon] zal de zomervakantie altijd het tweede deel van deze vakantie doorbrengen bij de vrouw, kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 januari 2004, heeft de man verzocht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad de vrouw in haar verzoek niet ontvankelijk te verklaren, althans het verzochte als zijnde ongegrond en/ of onbewezen af te wijzen met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding.

Tevens verzoekt de man in aanvulling op de bestreden beschikking te bepalen dat de vrouw bij het niet naleven van de omgangsregeling een dwangsom verbeurt van E. 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de tussen partijen geldende omgangsregeling door de vrouw niet wordt nageleefd.

2.2.1. Bij "verweerschrift in incidenteel appèl" heeft de vrouw verzocht de man in zijn incidenteel appèl niet ontvankelijk te verklaren, althans het verzochte af te wijzen als ongegrond of onbewezen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 maart 2004.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man en zijn advocaat;

- de vrouw en haar advocaat;

- de vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift, het verweerschrift van de man en het verweerschrift op incidenteel appèl van de vrouw;

- het proces verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 24 september 2003;

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit de relatie van partijen is op 2 januari 1998 geboren de minderjarige [de zoon]. [De zoon] is door de man erkend en partijen hebben het gezamenlijk gezag over [de zoon]. [De zoon] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.

Op 14 december 2001 is door de rechtbank te Maastricht op verzoek van de vrouw onder meer een omgangsregeling vastgesteld. Op verzoek van de man heeft de rechtbank te Maastricht bij beschikking waarvan beroep de bij beschikking van 14 december 2001 vastgestelde omgangsregeling gewijzigd aldus en in die zin dat deze thans luidt overeenkomstig het advies van de raad van 4 juli 2003:

"De man kan omgang hebben met [de zoon] in de even weken van zaterdagmorgen 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur, alsmede gedurende de verjaardag van de man en vaderdag, waarbij [de zoon] telkens wordt gebracht en gehaald door de man, met dien verstande dat de man zich bij het halen brengen incidenteel kan laten vervangen door zijn ouders, een en ander met inachtneming van hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen;

De verjaardag van de vrouw zal [de zoon] bij de vrouw doorbrengen evenals de dag van zijn eigen verjaardag, dit laatste met inachtneming van hetgeen door de rechtbank bij beschikking van 14 december 2001 daarover in het bijzonder is overwogen;

De eerste helft van de kerstvakantie brengt [de zoon] telkens bij de man door, de tweede helft bij de vrouw;

De man kan bovendien omgang hebben met [de zoon] op Eerste Kerstdag en op Tweede Kerstdag tot 10.00 uur, waarna [de zoon] op Tweede Kerstdag bij de vrouw zal zijn, waar [de zoon] op 27 december om 10.00 uur door de man wordt opgehaald.

Nieuwjaarsdag (1 januari) brengt [de zoon] bij de man door; de man zal [de zoon] alsdan om 10.00 uur halen en om 19.00 uur weer terugbrengen bij de vrouw;

De overige vakanties zullen tussen partijen bij helfte worden gedeeld, een en ander overeenkomstig het advies van de raad van 4 juli 2003 dat als hier herhaald en ingelast heeft te gelden, met dien verstande dat korte vakantie in onderling overleg kunnen worden gewisseld; de man brengt [de zoon] na afloop van de vakantie telkens om uiterlijk 18.00 uur bij de vrouw terug;

Eerste Paasdag brengt [de zoon] bij de vrouw door;

De man kan omgang hebben met [de zoon] op Tweede Paasdag van 10.00 uur tot 19.00 uur, waarna [de zoon] door de man bij moeder wordt teruggebracht."

4.2. De vrouw is hiervan in hoger beroep gekomen met drie grieven, betrekking hebbend op het incidenteel halen en brengen van [de zoon] door de ouders van de man, op de regeling met betrekking tot de Eerste en Tweede Kerstdag en op de afwisselende verdeling van de grote vakantie.

De man heeft verweer gevoerd en tevens verzocht om in aanvulling op de beschikking van de rechtbank te bepalen dat bij niet nakoming van de omgangsregeling door de vrouw door laatstgenoemde een dwangsom wordt verbeurd als hiervoor onder 2.2. weergegeven.

4.3. Bij partijen staat voorop dat zij een goede omgangsregeling tussen [de zoon] en de man voorstaan. Ter zitting is met partijen uitvoerig gesproken over de noodzaak van een goede communicatie tussen partijen om in het belang van [de zoon] uitvoering te kunnen geven aan een soepel verlopende omgangsregeling. Het is beide partijen duidelijk dat indien deze communicatie ontbreekt, zij ondanks een beslissing van het hof of welke rechter dan ook, steeds opnieuw met elkaar in conflict zullen komen over de uitvoering van de omgangsregeling. Ter zitting zijn partijen daarom overeengekomen om door middel van mediation te proberen de communicatie tussen hen te verbeteren en een omgangsregeling overeen te komen waar zij beiden achter kunnen (blijven) staan.

Voor deze mediation, ook wel omgangsbemiddeling genoemd, dienen partijen zelf contact op te nemen met de Raad voor Rechtsbijstand. De Raad voor Rechtsbijstand is op werkdagen te bereiken tussen 9.00 en 17.00 uur, per telefoonnummer [telefoonnummer].

Tevens zijn partijen ter zitting overeengekomen, in afwijking van de beschikking van de rechtbank, dat [de zoon] de tweede helft van zomervakantie 2004 bij zijn moeder zal doorbrengen en de eerste helft van deze zomervakantie bij zijn vader.

4.4. Ten einde partijen in de gelegenheid te stellen om door middel van mediation een verbetering van hun communicatie te bewerkstellingen zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden tot de in het dictum genoemd datum. Twee à drie weken voor het verstrijken van deze termijn, dient de meest gerede partij het hof te laten weten of de mediation resultaat heeft opgeleverd en of een nieuwe zitting noodzakelijk wordt geacht.

5. De beslissing

Het hof:

verstaat dat partijen zullen meewerken aan omgangsbemiddeling onder begeleiding van de Raad voor Rechtsbijstand en dat zij zelf contact zullen opnemen met de Raad, zoals onder 4.3. overwogen;

verstaat voorts dat partijen in afwachting van de beschikking waarvan beroep overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de zomervakantie 2004 zoals onder 4.3. weergegeven;

houdt de behandeling met het in rechtsoverweging 4.4. overwogen oogmerk aan tot 8 oktober 2004 PRO FORMA;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-Van der Weijden, Draijer-Udo en Aarts en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 april 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.