Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO8081

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
22-04-2004
Zaaknummer
01/04190
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

- Heeft de Inspecteur terecht de kosten van liposuctie gecorrigeerd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0792
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 01/04190

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 26.202,-, welke aanslag, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 29,-.

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 7 januari 2004 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

Van de zitting is op grond van artikel 8:61, derde lid, van de Awb een proces-verbaal opgemaakt, dat in kopie aan deze uitspraak is gehecht.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten. Het Hof heeft bij brief van 8 januari 2004 partijen bericht dat er geen mondelinge, maar, op een na de zitting binnengekomen verzoek van belanghebbende, een schriftelijke uitspraak zal worden gedaan.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende, geboren in november 1971, was in het onderhavige jaar ongehuwd. Zij heeft in mei 1999 een chirurgische ingreep bij het Lipocentrum A ondergaan in verband met gedisproportioneerde bovenbenen.

2.2. De huisarts van belanghebbende heeft met datum 26 maart 1999 een doorverwijzing naar de plastisch chirurg opgemaakt, waarin hij verklaart:

"Ik zag haar met het verzoek haar te verwijzen i.v.m. gedisproportioneerde bovenbenen voor liposuctie bdz.

Zij heeft er de afgelopen jaren al van alles aan gedaan, op conservatieve wijze uiteraard en zij begint er toch psychisch aan onder door te gaan.

Mijn inziens komt zij op psychische gronden in aanmerking voor deze ingreep.

Graag uw oordeel en bemiddeling bij het ziekenfonds.

Voor het overige is zij zelden ziek".

2.3. De ziektekostenverzekeraar CZ (hierna: CZ) van belanghebbende heeft de aan deze ingreep verbonden kosten niet vergoed omdat de medisch adviseur van CZ van mening was dat de ingreep niet diende ter bestrijding van een ziekte, maar een cosmetische behandeling beoogde.

2.4. Bij de aangifte over 1999 heeft belanghebbende de kosten welke door voornoemde chirurgische ingreep werden veroorzaakt als buitengewone lasten opgevoerd.

2.5. Bij de behandeling van de aangifte is door de Inspecteur een aantal vragen gesteld aangaande de behandeling en de gemaakte kosten. Naar aanleiding hiervan heeft de huisarts een nieuwe verklaring, gericht aan de gemachtigde van belanghebbende, opgemaakt met datum 4 oktober 2001, inhoudende:

"dat hij op 23-03-1999 X [...] gezien heeft met de vraagstelling haar te verwijzen naar de plastische chirurg i.v.m. uitgebreide gedisproportioneerde bovenbenen. Er was sprake van knobbelvorming op basis van vetophopingen.

Zij had daarvoor jarenlang geprobeerd middels diëten, bewegingsbanden, acupunctuur en dergelijke een en ander normaal te proportioneren, zonder succes.

Zij was ten einde raad en kampte met diverse schaamtegevoelens zodanig dat zij psychisch dreigde te decompenseren.

Na de operatie heeft zij nog een aantal gesprekken met mij gehad en sindsdien is zij in een rustiger vaarwater gekomen.

De gedragsveranderingen waren van dien aard dat een liposuctie absoluut medisch noodzakelijk was.".

2.6. Belanghebbende heeft de Inspecteur op 5 november 2001 gemachtigd informatie in te winnen bij CZ. Telefonisch werd door CZ medegedeeld dat er geen sprake was van verminking of functionele klachten. De meegestuurde verklaring van de huisarts was voor CZ geen reden om de beslissing te herzien. De kosten zouden voor 100% worden vergoed, indien er een medische noodzaak aanwezig zou zijn. Belanghebbende heeft geen beroep tegen de beslissing van CZ ingediend.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

- Heeft de Inspecteur terecht de kosten van liposuctie gecorrigeerd?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Het initiatief voor de liposuctie ligt bij mij en de huisarts samen. Aangezien ik alle mogelijke middelen heb geprobeerd om af te vallen, heeft de huisarts gezegd dat een liposuctiebehandeling zou moeten helpen. Ik verzoek om proceskostenvergoeding.

Er is geen medisch voorschrift, maar wel de verklaring van de huisarts van 4 oktober 2001. Op het moment dat ik van een deskundige een brief krijg dat de behandeling nodig is geweest, is sprake van een medische verklaring.

De Inspecteur

Het is voor mij nog steeds niet duidelijk aan welke ziekte belanghebbende lijdt. Er zijn in Nederland duizenden mensen die niet tevreden zijn met hun uiterlijk, willen afvallen en daarvoor diverse methodes volgen.

Belanghebbende is niet in beroep gegaan tegen de beslissing van CZ om de kosten niet te vergoeden. Als de rechtbank de vordering toe zou wijzen, zou geen sprake zijn van drukkende kosten en is mitsdien fiscaal geen aftrek mogelijk.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 20.702,-.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende is, naar het Hof verstaat, van mening dat de overgelegde verklaringen van de huisarts aan te merken zijn als door een deskundige afgelegde verklaringen.

4.2. In artikel 46, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) is bepaald dat als uitgaven ter zake van ziekte uitsluitend worden aangemerkt de daarmee verband houdende uitgaven voor genees- of heelkundige hulp. Zulks houdt in dat de behandeling moet zijn uitgevoerd op voorschrift en/of onder begeleiding van een naar Nederlandse begrippen als genees- of heelkundige aan te merken hulpverlener. Bij betwisting door de Inspecteur dient belanghebbende aannemelijk te maken dat de liposuctiebehandeling verband hield met enige ziekte en geschiedde op medisch voorschrift. Hiertoe heeft belanghebbende een tweetal verklaringen van de huisarts overgelegd. In deze verklaringen wordt gewezen op de psychische klachten als gevolg van gedisproportioneerde bovenbenen. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende lichamelijke klachten ondervond als gevolg van haar gedisproportioneerde bovenbenen.

4.3. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende op de in 4.4 tot en met 4.6 genoemde gronden onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de liposuctiebehandeling verband hield met enige ziekte en geschiedde op medisch voorschrift.

4.4. De medisch adviseur van CZ was van mening dat de ingreep niet diende ter bestrijding van een ziekte, maar een cosmetische behandeling beoogde.

4.5. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat er weliswaar geen medisch voorschrift is, maar wel de verklaring van de huisarts van 4 oktober 2001, waaruit, naar belanghebbende stelt, blijkt dat de behandeling nodig is geweest. De uitsluitend aan de gemachtigde gerichte verklaring van 2001 is ruim twee jaren na de liposuctiebehandeling op verzoek van belanghebbende opgesteld en beoogt, naar het oordeel van het Hof, blijkbaar een nadere weergave, zij het in andere bewoordingen, van de eerder op 26 maart 1999 gegeven verklaring te zijn. Nu de verklaring van 2001 voorafgaand aan of volgend op de ingreep niet heeft gediend of heeft kunnen dienen als het vereiste medisch voorschrift op grond waarvan de ingreep heeft plaatsgehad, kan hieraan naar het oordeel van het Hof worden voorbijgegaan.

4.6. Het feit dat belanghebbende achteraf van de behandeling positieve effecten ervaart in haar maatschappelijk functioneren, is geen reden de uitgaven aan te merken als kosten ter zake van ziekte. Naar het oordeel van het Hof valt in de verklaring van 26 maart 1999, opgesteld vóór de onderhavige ingreep, geen verband tussen de ingreep en enige ziekte te lezen. Deze verklaring sluit verder geenszins uit dat esthetische en niet medische redenen tot psychische problemen bij belanghebbende aanleiding hebben gegeven of nog zouden kunnen geven. Belanghebbende heeft niet aan de hand van enige verklaring van een arts of therapeut aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een zodanige psychische stoornis of psychisch lijden dat de ingreep om die reden medisch noodzakelijk was. Daarbij acht het Hof nog van belang dat belanghebbende ten tijde van de liposuctiebehandeling overigens niet onder medische behandeling stond.

4.7. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door J.W. van der Voort, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van P.J.A.M. van Sleuwen, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 17 maart 2004

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 17 maart 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.