Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO7714

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2004
Datum publicatie
16-04-2004
Zaaknummer
R200400019
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende zwaarwegende redenen om af te wijken van het in artikel 1:251 lid 2 BW geformuleerde uitgangspunt van gezamenlijk gezag. Ontoereikend is de bij de ouders levende opvatting dat het belang van de kinderen het best wordt gediend door eenhoofdig gezag uit te oefenen door de ouder waar de kinderen verblijven. Dat de vrouw een andere aanpak van de problematiek van het jongste kind voorstaat dan de man en dat zich in de toekomst mogelijke ontwikkelingen of situaties met betrekking tot dit kind zullen voordoen die nopen tot het nemen van een spoedeisende en eenduidige beslissing maakt dit oordeel niet anders. Hof: het belang van het jongste kind wordt het best gediend als beslissingen te zijner aanzien het resultaat zijn van onderling overleg tussen beide ouders, ook als de ouders daarbij uitgaan van andere opvattingen. Van concrete geschillen tussen de ouders onderling, die zij niet in onderling overleg hebben kunnen oplossen en die daarom het belang van het jongste kind in het nauw hebben gebracht, is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[de moeder en de vader],

wonende te [woonplaats[,

appellanten

de moeder en de vader,

procureur mr. L.R.G.M. Spronken,

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de Rechtbank Roermond van 26 november 2003, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij gemeenschappelijk beroepschrift, ingekomen ter griffie op 9 januari 2004, hebben appellanten verzocht voorvermelde beschikking te vernietigen voor zover deze betrekking heeft op het ouderlijk gezag en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de moeder met uitsluiting van de vader zal worden bekleed met de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen van partijen [dochter] geboren te [geboorteplaats]op 17 juli 1992 en [zoon] geboren te [geboorteplaats] op 23 juli 1994.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 maart 2004. Bij die gelegenheid zijn gehoord appellanten en hun advocaat mr. M.J.L. van den Aker-Groffen. Tevens is gehoord mr. H. Werger van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna de raad.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 19 juni 1987 te Horst met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren [dochter] en [zoon]. Bij beschikking waarvan beroep is op gemeenschappelijk verzoek van partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze echtscheidingsbeschikking is op 5 januari 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.2. Bij die echtscheidingsbeschikking heeft -voor zover hier van belang- de rechtbank het in het tussen partijen overeengekomen echtscheidingsconvenant neergelegde verzoek om alleen de moeder met het gezag te belasten afgewezen. De rechtbank voert hiertoe aan dat partijen noch gesteld noch gemotiveerd hebben dat de verzochte gezagsvoorziening het meest in het belang van de betreffende minderjarigen moet worden geacht. Een mondelinge behandeling ter gelegenheid waarvan partijen hun standpunt hadden kunnen verwoorden heeft niet plaatsgevonden. Tegen deze beschikking komen partijen op.

4.3. Partijen stellen dat door een omissie van hun advocaat het verzoek tot toekenning van het eenhoofdig ouderlijk gezag over beide minderjarige kinderen niet nader is gemotiveerd. In hun beroepschrift motiveren partijen hun verzoek tot eenhoofdig ouderlijk gezag.

4.3.1. Partijen voeren in het beroepschrift aan dat er tussen hen grote verschillen van opvatting bestaan over de opvoeding van hun kinderen, met name over de opvoeding van hun zoon. [De zoon] heeft tijdens de zwangerschap een hersenbeschadiging opgelopen, waardoor zijn functioneren in ernstige mate wordt beïnvloed. Dit levert de nodige moeilijkheden op ten aanzien van de opvoeding en het is dan ook de verwachting dat er in de toekomst moeilijke beslissingen moeten worden genomen. Nu partijen een volstrekt andere aanpak van de problematiek van [zoon] voorstaan, welke in het verleden al heeft geleid tot veel conflicten en problemen, willen zij deze conflicten en problemen in de toekomst vermijden door de vrouw met uitsluiting van de man de beslissingsbevoegdheid te geven en haar te belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag.

4.3.2. Voorts zijn partijen het erover eens dat het voor beide kinderen en voor henzelf overzichtelijk en duidelijk is als de vrouw het eenhoofdig gezag zowel over de zoon als over de dochter zal uitoefenen. Tevens zijn partijen het erover eens dat eenhoofdig gezag in het belang van de minderjarige kinderen is.

4.4. Het hof overweegt als volgt.

Ter zitting is gebleken dat partijen al drie jaar van elkaar gescheiden leven en dat de kinderen in onderling overleg drie of vier dagen per week bij de vader verblijven. Moeder heeft aangegeven dat zij de beslissingen omtrent de kinderen neemt, maar dat zij dit pas doet nadat zij hierover met vader heeft gesproken. Zowel vader als moeder hebben ter zitting naar voren gebracht dat er in de huidige situatie geen problemen zijn, maar dat deze in de toekomst wel zouden kunnen ontstaan. Desgevraagd heeft vader te kennen gegeven dat hij zich niet kan voorstellen dat moeder in de toekomst het gezag met een ander zal gaan uitoefenen. De vertegenwoordiger van de raad heeft ter zitting uitdrukkelijk verzocht het verzoek van de ouders af te wijzen. Hij is van mening dat eenhoofdig gezag kan alleen worden toegewezen indien dit in het belang van de kinderen noodzakelijk is, welk belang hij onvoldoende gediend vindt bij het eenhoofdig gezag.

Op grond van hetgeen uit de stukken en tijdens de zitting naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat de ouders onvoldoende, althans onvoldoende zwaarwegende redenen hebben aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat het belang van de [zoon] (en in zijn voetspoor [dochter]) meebrengt dat moet worden afgeweken van het door de wetgever in artikel 1:251 lid 2 BW geformuleerde uitgangspunt van gezamenlijk uit te oefenen gezag. Voor die conclusie is in het bijzonder ontoereikend de bij de ouders levende opvatting dat het belang van de kinderen het best wordt gediend door eenhoofdig gezag uit te oefenen door de vrouw waar de kinderen verblijven. Deze conclusie wordt ook niet anders als daarbij de aangevoerde redenen worden betrokken, kort gezegd dat de vrouw een andere aanpak van de problematiek van [zoon] voorstaat dan de man (welke aanpak overigens een algemeen karakter draagt: de vrouw toont zich met betrekking tot het welzijn van [zoon] vechtlustiger dan de man) en dat zich in de toekomst mogelijke ontwikkelingen of situaties met betrekking tot [zoon] zullen voordoen die nopen tot het nemen van een spoedeisende en eenduidige beslissing. Het hof is van oordeel dat het belang van [zoon] juist het best gediend wordt als beslissingen te zijn aanzien het resultaat zijn van onderling overleg tussen beide ouders, ook als de ouders daarbij uitgaan van andere opvattingen. Van concrete geschillen tussen de ouders onderling die zij niet in onderling overleg hebben kunnen oplossen en die daarom het belang van [zoon] in het nauw hebben gebracht, is niet gebleken. Bovendien is ter zitting gebleken dat partijen, ondanks hun meningsverschillen, waar het om de kinderen gaat, heel goed met elkaar kunnen communiceren. Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de ouders dan ook afwijzen.

4.5. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn, zal het hof de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen hen compenseren.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Roermond van 26 november 2003;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Griensven, Den Hartog Jager en Van der Linden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 april 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.