Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO7625

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-03-2004
Datum publicatie
15-04-2004
Zaaknummer
02/03748
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nu belanghebbende heeft aangevoerd dat hij met draaiende motor in een parkeervak op het station te Q stond te wachten en voorts niet is gebleken dat de tijd dat hij daar stond is gebruikt voor het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, dient de tijd dat belanghebbende aldaar in het parkeervak stond te wachten te worden aangemerkt als parkeren in zin van artikel 225, tweede lid van de Gemeentewet en artikel 1 van de Verordening. Het Hof verwerpt derhalve de grief van belanghebbende dat hij niet aan het parkeren was.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20
Gemeentewet 225
Gemeentewet 234
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/753
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/03748

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van de Heffingsambtenaar parkeerbelastingen van de gemeente Q (hierna: de verweerder) op het bezwaarschrift betreffende de naheffingsaanslag in de parkeerbelasting de dato 15 juni 2002, aanslagnummer 1.

Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 10 maart 2004 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de verweerder.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 24 maart 2004, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De gronden voor de beslissing

1. Op 15 juni 2002 om 14:08 uur stond belanghebbendes personenauto, merk Volvo, met het kenteken 1, op een parkeerplaats aan het Stationsplein in de gemeente Q met draaiende motor te wachten. Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders op grond van de Verordening aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Belanghebbende heeft geen parkeerkaartje aangeschaft.

2. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij met draaiende motor in een parkeervak op het station te Q stond te wachten en aldaar niet aan het parkeren was. Na er door een parkeercontroleur op te zijn gewezen dat hij een parkeerkaartje moest kopen, omdat anders een naheffingsaanslag zou worden opgelegd, is belanghebbende uitgestapt met het voornemen een parkeerkaartje te halen. Op dat moment bleek dat hij niet over het benodigde wisselgeld beschikte. Vervolgens heeft de parkeercontroleur, nadat belanghebbende alsnog had aangeboden om met een 5 dollarbiljet de parkeerbelasting te voldoen uiteindelijk de naheffingsaanslag opgelegd.

3. Ingevolge het bepaalde in artikel 225, tweede lid van de Gemeentewet en artikel 1 van de Verordening, wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aangesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

4. Nu belanghebbende heeft aangevoerd dat hij met draaiende motor in een parkeervak op het station te Q stond te wachten en voorts niet is gebleken dat de tijd dat hij daar stond is gebruikt voor het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, dient de tijd dat belanghebbende aldaar in het parkeervak stond te wachten te worden aangemerkt als parkeren in zin van artikel 225, tweede lid van de Gemeentewet en artikel 1 van de Verordening. Het Hof verwerpt derhalve de grief van belanghebbende dat hij niet aan het parkeren was.

5. Belanghebbende is door de parkeercontroleurs alsnog in de gelegenheid gesteld een parkeerkaart aan te schaffen. Dat hij zulks niet kon, omdat hij op dat moment niet over Nederlands geld beschikte komt voor zijn risico.

6. De omstandigheid dat de parkeercontroleurs na het opleggen van de aanslag belanghebbende van de parkeerplaats hebben weggestuurd doet aan de rechtsgeldigheid van de naheffingsaanslag niet af.

7. Gelet op het vorenstaande dient, nu het bedrag van de naheffingsaanslag als zodanig niet in geschil is, het beroep van belanghebbende ongegrond te worden verklaard.

De proceskosten.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door J.Th. Simons, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2004.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 30 maart 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 51,=.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van € 204,50 verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.