Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO6252

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-01-2004
Datum publicatie
25-03-2004
Zaaknummer
01/01728
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of de stacaravan een bron van inkomen vormde en in welke mate de ter zake van de stacaravan gemaakte kosten in aftrek kunnen worden gebracht op de opbrengsten van de verhuur. Ter zake van beide onderdelen van het geschil twisten partijen voorts over de vraag of de Inspecteur een in rechte te eerbiedigen vertrouwen heeft gewekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 502
FutD 2004-0579

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 01/01728

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer mr. X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Z van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 82.134,= (€ 37.271,=), welke aanslag, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van fl. 60,= (€ 27,23).

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 14 januari 2004 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw A.

1.4. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan opgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Het hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.5. Van het overigens ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

1.6. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

1.7. Het hof heeft in deze zaak op 28 januari 2004 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 11 februari 2004 aan partijen verzonden.

Belanghebbende heeft op 18 februari 2004 verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het hiervoor verschuldigde recht van € 43,50 is op 6 april 2004 betaald.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is geboren in 1961 en gehuwd met mevrouw B, geboren in 1963.

2.2. Belanghebbende is als inspecteur werkzaam bij de Belastingdienst Ondernemingen C.

2.3. Belanghebbende is eigenaar van een stacaravan welke kwalificeert als een roerende zaak. Belanghebbende bepaalt vóór aanvang van het kalenderjaar gedurende welke dagen hij in de stacaravan wil verblijven. Voor 1999 was dit 59 dagen.

2.4. Belanghebbende heeft de stacaravan in 1999 drie maal verhuurd, in totaal voor (1 maal 3 dagen, 1 maal 7 dagen en 1 maal 8 dagen) 18 dagen.

2.5. In de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen rekent belanghebbende tot zijn belastbaar inkomen over 1999 ter zake van de stacaravan een bedrag van fl. 3.988,= negatief. Uit het overzicht dat belanghebbende in de bezwaarfase over 1999 heeft verstrekt blijkt dat de inkomsten uit verhuur fl. 1.235,= bedroegen en het door belanghebbende becijferde zakelijke deel van de kosten fl. 5.223,=.

2.6. Belanghebbende heeft op verzoek van de Inspecteur in de bezwaarfase de kosten als volgt gespecificeerd:

staangeld fl. 3.500,=

gas fl. 250,=

afschrijving fl. 3.500,= (aanschafwaarde fl. 40.000,=

minus restwaarde fl. 5.000,=, levensduur 10 jaar)

totale kosten fl. 7.250,=

Het privé-gebruik becijfert belanghebbende op 59/211 maal

fl. 7.250,= is fl. 2.027,=.

2.7. Ter zake van de in aftrek geclaimde kosten heeft belanghebbende voor 1999 de overeenkomst met Caravanpark "D" voor de periode 1 april 1999 tot en met 31 maart 2000 overgelegd op grond waarvan belanghebbende het recht van plaatsing en/of gebruik voor recreatieve doeleinden verkrijgt van de stacaravan voor de hierboven vermelde periode tegen betaling van fl. 3.500,49.

2.8. Belanghebbende heeft ondanks herhaald verzoek van de Inspecteur geen bescheiden overgelegd van de overige in aftrek geclaimde kosten.

2.9. Ter zake van eerdere belastingjaren zijn de kosten nimmer door belanghebbende met bescheiden gestaafd. De Inspecteur heeft belanghebbende eerst in de bezwaarfase over 1999 verzocht de vermelde kosten te staven en aangegeven belanghebbendes berekeningsmethodiek niet juist te achten.

2.10. In de bezwaarfase heeft de Inspecteur belanghebbende herhaaldelijk uitgenodigd voor een mondeling onderhoud. Belanghebbende heeft hier geen gebruik van gemaakt.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Vormt de stacaravan een bron van inkomen, en in welke mate kunnen de ter zake van de stacaravan gemaakte kosten in aftrek worden gebracht op de opbrengsten van verhuur?

2. Ter zake van de hierboven genoemde onderdelen, heeft de Inspecteur een in rechte te eerbiedigen vertrouwen gewekt?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door heb zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

In een overleg met de Inspecteur in 1996 zijn we overeengekomen dat de noemer in de breuk 211 dagen moet zijn, dit naar aanleiding van een uitspraak van Hof 's-Gravenhage over een pleziervaartuig. Van oktober tot en met maart kan de stacaravan niet gebruikt worden. Het park is dan niet gesloten, maar de waterleiding is afgesloten in verband met de verzekering en de gastanks worden in een depot opgeslagen. In de praktijk is het dus niet wenselijk om de stacaravan in deze periode te gebruiken. In deze periode bezoek ik de caravan slechts één maal om het luchtfilter te verversen.

Elk jaar maak ik aan het begin van het jaar, een planning welke dagen ik de stacaravan in privé gebruik en welke dagen de stacaravan voor verhuur ter beschikking staat. Met betrekking tot de kosten heb ik in 1996 een onderhoud gehad met de heer E. Ik heb toen een voorstel gemaakt op papier, dit met hem besproken en hij is toen akkoord gegaan met de methode van toerekening. Vanaf het jaar 2000 heb ik de verhuur van de stacaravan beëindigd. De kosten van de stacaravan hebben niet betrekking op een bepaald deel van het jaar of een bepaald gebruik. Zij moeten tijdsevenredig worden toegerekend.

Inspecteur

Dat de bronvraag niet meer ter discussie staat is een misverstand. Uit het verweerschrift blijkt duidelijk dat ik het verkeerd begrepen heb, en dat ik niet heb begrepen dat belanghebbende niet vanaf het nog lopende belastingjaar de stacaravan niet meer als een bron van inkomen beschouwde, maar pas vanaf 31 januari 2000. Ik ben er dan ook vanuit gegaan dat belanghebbende van mening was dat de stacaravan in 1999 geen bron van inkomen meer vormde. Ik bestrijd dat in aanslagregelingen voor eerdere jaren is gesproken over de toerekening van de kosten. Over het onderhoud van belanghebbende met de heer E heb ik geen verslag, alleen een korte aantekening dat de aangifte wordt gevolgd.

Volgens het contract is het park het gehele jaar geopend. Er kan dus het hele jaar gebruik worden gemaakt van de caravan. De vraag of de 211 dagen meegenomen moet worden in de noemer van de breuk doet er eigenlijk niet toe. Ik ben het in beginsel eens met een tijdsevenredige toerekening van de kosten.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 78.146,=.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Met betrekking tot de kosten staat tussen partijen vast dat zij niet specifiek zijn toe te rekenen aan de vorm van gebruik (verhuur of privé-gebruik) maar daarvan onafhankelijk zijn. Het hof is daarom van oordeel dat deze kosten gelijkelijk moeten worden verdeeld over alle dagen waarin van de stacaravan gebruik kon worden gemaakt.

4.2. In het onderhavige jaar is de stacaravan 288 dagen ongebruikt gebleven. De stacaravan is 18 dagen verhuurd en 59 dagen door belanghebbende in privé gebruikt. Belanghebbende stelt dat hij de stacaravan voor een deel van die tijd waarin deze leeg stond, te weten 134 dagen, reeds bij aanvang van het jaar beschikbaar had gesteld voor verhuur, en dat de aan die dagen toe te rekenen kosten mede in aftrek moeten worden gebracht op de verhuuropbrengsten.

4.3. Naar het oordeel van het hof kunnen uitsluitend in aftrek worden gebracht de kosten die toe te rekenen zijn aan de periode waarin de stacaravan niet voor privé-gebruik aan belanghebbende ter beschikking stond. Vaststaat dat belanghebbende gedurende de 134 dagen van leegstand, vrijelijk kon beschikken over de stacaravan. Hij had bijvoorbeeld geen contract met een verhuurorganisatie of de beheerder van het terrein gesloten op grond waarvan hij de stacaravan voor verhuur beschikbaar moest houden. De door belanghebbende gestelde omstandigheden dat hij reeds voorafgaande aan het jaar voor zichzelf had vastgelegd gedurende welke dagen hij van de stacaravan gebruik zou maken en dat hij geen tijd had om daarbuiten van de stacaravan gebruik te maken zijn naar het oordeel van het hof in dit verband niet van belang.

4.4. Op grond van het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat uitsluitend in aftrek kunnen worden gebracht de kosten die kunnen worden toegerekend aan de 18 dagen waarin de stacaravan daadwerkelijk is verhuurd.

4.5. Partijen strijden nog over de vraag of de noemer van de breuk op basis waarvan de kosten moeten worden toegerekend, wordt gevormd door de 365 dagen van het jaar, of uit de 211 dagen waarin volgens belanghebbende gebruik van de stacaravan feitelijk tot de mogelijkheden behoorde. Deze vraag behoeft echter geen behandeling, aangezien ook bij beantwoording ervan in de door belanghebbende voorgestane zin, de conclusie na hetgeen in onderdeel 4.4. is overwogen moet zijn dat de aanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.

4.6. Belanghebbende heeft nog gesteld dat de Inspecteur jegens hem een in rechte te eerbiedigen vertrouwen heeft gewekt dat hij akkoord ging met de door belanghebbende voorgestane wijze van verdeling van de kosten over de periode van verhuur en de periode van privé-gebruik. Belanghebbende voert in dit verband aan dat hij deze aangelegenheid in het kader van de aanslagregeling over 1996 en 1998 gemotiveerd aan de orde heeft gesteld en dat de Inspecteur deze aanslagen na grondige inhoudelijke bestudering conform het door belanghebbende ingenomen standpunt heeft geregeld en dat belanghebbende derhalve erop mocht vertrouwen dat de Inspecteur te deze zake bewust een standpunt had ingenomen.

4.7. In een aanvulling op zijn aangifte voor het jaar 1996 heeft belanghebbende een overzicht opgenomen van de kosten die verband houden met de stacaravan en daarbij de totale kosten vermenigvuldigd met de breuk 66/211. In een voetnoot bij deze breuk staat "totaal aantal dagen beschikbaar voor verhuur 211, aantal dagen eigen gebruik in verhuurperiode 66". Andere stukken aangaande de aanslagregeling voor de jaren 1996 en 1998 waarin over de toerekening van de kosten wordt gerept, zijn niet overgelegd. Naar het oordeel van het hof vormt de hiervoor weergegeven vermelding in de aanvullende aangifte en de daarop volgende aanslagregeling conform die aanvullende aangifte, onvoldoende grond voor de gevolgtrekking dat de Inspecteur de indruk heeft gewekt dat hij aangaande deze toerekening bewust het door belanghebbende bepleite standpunt volgt. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de toerekening bij de aanslagregeling over de jaren 1997 en 1998 uitdrukkelijk aan de orde is geweest. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gesteld en aannemelijk geworden op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de Inspecteur bij de aanslagregeling over deze jaren bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat diens zienswijze aangaande toerekening van de kosten door de Inspecteur werd gevolgd. In het bijzonder heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt zijn stelling dat de Inspecteur tijdens een onderhoud op 13 maart 1998 belanghebbendes zienswijze over de toerekening akkoord zou hebben bevonden.

4.8. Nu het hof het standpunt van de Inspecteur aangaande de toerekening van de kosten volgt, behoeft de vraag of de stacaravan een bron van inkomen vormt geen behandeling meer. Immers, ook als die vraag overeenkomstig belanghebbendes standpunt bevestigend wordt beantwoord, moet de onderhavige aanslag in stand blijven.

5. Griffierecht

Het hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door R.J. Koopman, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.H.W.N. Lammers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 april 2004.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op 29 april 2004.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.