Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO6194

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-03-2004
Datum publicatie
24-03-2004
Zaaknummer
C0300158-HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij de beantwoording van de vraag in welke mate het gedrag van het paard - waarvoor [appellant] risicoaansprakelijkheid draagt - en het gedrag van [geïntimeerde] aan de schade van [geïntimeerde] hebben bijgedragen, neemt het hof in aanmerking dat enerzijds de risicoaansprakelijkheid berust op het onberekenbare gedrag van het paard, dat zich heeft verwezenlijkt, en dat anderzijds [geïntimeerde] wel degelijk onvoorzichtig is geweest.

Het hof stelt op basis van die afweging de mate van eigen schuld van [geïntimeerde] op 50%.

Naast deze omstandigheden zijn er geen andere omstandigheden gesteld of gebleken die tot een billijkheidscorrectie zouden moeten leiden. Dat [geïntimeerde] [appellante sub 1] behulpzaam wilde zijn, zoals [geïntimeerde] stelt maar [appellant] betwist, speelt naar het oordeel van het hof geen rol nu dat ongevraagd en zonder noodzaak gebeurde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2005, 12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MB

rolnr. C0300158/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

eerste kamer, van 9 maart 2004,

gewezen in de zaak van:

1. [APPELLANTE SUB 1] en

2. [APPELLANT SUB 2],

beiden wonende te [Woonplaats],

appellanten,

procureur: mr J.E. Lenglet,

t e g e n

[GEINTIMEERDE],

wonende te [Woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr B.A. van Mens,

op het hoger beroep van appellanten (tezamen te noemen [appellant] (enkelvoud), afzonderlijk [appellante sub 1] en [appellant sub 2]) van de vonnissen van de rechtbank te 's-Hertogenbosch, onder rolnr. 53188/HA ZA 00-1283 op

31 augustus 2001 en 2 oktober 2002 gewezen tussen geïntimeerde, verder te noemen [geïntimeerde], als eiseres en [appellant] als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg

Nadat de rechtbank in het tussenvonnis van 31 augustus 2001 aan [appellant] bewijs had opgedragen heeft de rechtbank in het eindvonnis van 2 oktober 2002 de vordering van [geïntimeerde] toegewezen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

2. Het geding in hoger beroep

[appellant] heeft bij exploit van 20 december 2002 tijdig hoger beroep van voormelde vonnissen ingesteld. Bij memorie van grieven heeft hij daartegen onder overlegging van produkties vier grieven aangevoerd, met conclusie dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vonnissen zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, althans (een gedeelte) eigen schuld zal aannemen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen, waarvan beroep, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

Daarna hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven van [appellant] luiden, kort en zakelijk weergegeven, als volgt.

De grieven 1 en 3 betreffen de bewijsopdracht aan [appellant] en de inhoud daarvan in het tussenvonnis.

In grief 2 klaagt [appellant] erover dat de rechtbank niet in haar oordeel heeft verdisconteerd haar overweging, dat nu [geïntimeerde] geraakt is door de trap van het paard zij zich dus te dicht achter het paard heeft begeven, hetgeen riskant is, en dat de rechtbank niet heeft geoordeeld dat de schadevergoedingsplicht geheel vervalt.

Grief 4 is gericht tegen de oordelen, dat uit de verklaring van [geïntimeerde] niet volgt dat zij te dicht achter het paard heeft gelopen, dat de afstand tot het paard 1,5 meter was, dat [appellant] niet is geslaagd in de bewijsopdracht en dat het beroep op eigen schuld niet kan slagen.

4. De beoordeling

4.1. Nu er geen grief is gericht tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in r.o. 2 van het tussenvonnis gaat ook het hof van die feiten uit.

4.2. Deze zaak betreft het volgende.

[Appellant] is eigenaar van de merrie Vosje (verder te noemen het paard). [geïntimeerde] en [appellante sub 1] zijn ervaren ruiters, liefhebbers van de paardensport, en zijn beiden goed bekend met het paard, dat twee jaar lang samen met een paard van [geïntimeerde] in een weiland heeft gelopen.

Op 3 februari 1996 waren [appellant] en [geïntimeerde] met het paard aanwezig in een manege te [plaats], waar [appellante sub 1] het paard bereed en [appellant sub 2] en [geïntimeerde] als toeschouwers aanwezig waren. Op een gegeven moment moest het paard lopend overgebracht worden van de ene rijbaan naar de andere. Daartoe leidde [appellante sub 1] het paard, waar-

bij zij links van het paard liep. [geïntimeerde] liep achter

[appellante sub 1] en het paard. De route van de ene rijbaan naar de andere liep achtereenvolgens door een vrij lange en smalle gang, aan de linkerzijde waarvan zich paardenboxen met (enkele) paarden erin bevonden en rechts een muur, door een slappe dubbele ("magazijn" -)deur, door een tussenruimte van ongeveer 2,3 x 2 m, en tenslotte door een schuifdeur die toegang geeft tot de rijbaan.

[appellant sub 2] liep een andere route van de ene naar de andere rijbaan en wachtte [appellante sub 1] met het paard en [geïntimeerde] aan de andere zijde van de schuifdeur, in de andere rijbaan, op.

Voordat deze rijbaan werd bereikt heeft het paard op een gegeven moment naar achteren getrapt en [geïntimeerde] vol op haar knie geraakt. [geïntimeerde] heeft daardoor schade, met name knieletsel, opgelopen. Zij heeft [appellant] bij brief van 14 mei 1997 aansprakelijk gesteld. De W.A.verzekeraar van [appellant], RVS, heeft de aansprakelijkheid bij brief van 28 augustus 1997 afgewezen.

4.3. [geïntimeerde] heeft [appellant] (en RVS, die in hoger beroep geen partij is) bij inleidend exploot van 9 juni 2000 gedagvaard en schadevergoeding, subsidiair een gedeeltelijke schadevergoeding, gevorderd, op te maken bij staat en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 1996. Zij heeft haar vordering gebaseerd op de artikelen 6:179 en 6:162 BW. Wat betreft de mogelijke toepassing van art. 6:101 BW beroept [geïntimeerde] zich erop dat zij een vriendendienst verleende, nl. van achteraf links langs het paard naar voren wilde lopen om [appellante sub 1] te helpen met het openen van de schuifdeur, waarbij het paard onverwacht zijn achterhand naar links draaide en haar trapte.

4.4. De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat [appellant] ingevolge het bepaalde in art. 6:179 BW aansprakelijk is voor de door het paard aan [geïntimeerde] toegebrachte schade.

Wat betreft het beroep van [appellant] op eigen schuld van [geïntimeerde] heeft de rechtbank overwogen dat het aan [appellant] is de door hem gestelde toedracht van het ongeval te bewijzen. Daarbij overwoog de rechtbank dat niet gesteld of gebleken is dat het enkele achter het paard aanlopen al zo gevaarlijk was dat [geïntimeerde] dat had moeten nalaten, en dat er geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan de billijkheid zou eisen dat de schadevergoedingsplicht geheel vervalt.

[Appellant] kreeg de opdracht te bewijzen dat [geïntimeerde] zich direct voorafgaande aan de trap van het paard in een smalle tussenruimte zo dicht achter het paard heeft begeven dat [geïntimeerde] door een achterwaartse trap geraakt kon worden.

Na gehouden getuigenverhoren, waarbij [appellante sub 1 en appellant sub 2] en [geïntimeerde] als getuigen zijn gehoord, heeft de rechtbank in het eindvonnis geoordeeld dat [appellant] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs, zodat het beroep op eigen schuld niet slaagt. De vordering van [geïntimeerde] tegen [appellant] is mitsdien geheel toegewezen.

4.5. Het hof overweegt het navolgende.

Partijen hebben een verschillende lezing gegeven van de toedracht van het ongeval.

Volgens [appellant] is het ongeval gebeurd in de beperkte tussenruimte na de klapdeuren en vóór de schuifdeur, en liep [geïntimeerde] steeds al te dicht achter het paard. Volgens [geïntimeerde] (inleidende dagvaarding) hield zij voldoende afstand en is zij pas dichter achter het paard gekomen toen zij er links achterlangs wilde lopen om [appellante sub 1] te helpen met de schuifdeur. Als getuige heeft [geïntimeerde] echter verklaard dat het ongeval vóór de klapdeuren gebeurde; bij repliek heeft zij gesteld dat ze de klapdeuren niet heeft opgemerkt.

Wat hiervan ook zij, naar het oordeel van het hof is niet van doorslaggevend belang of het ongeval is gebeurd op de plaats en zoals [appellant] stelt, dan wel zoals [geïntimeerde] stelt.

Ook als de lezing van [geïntimeerde] wordt gevolgd moet immers worden geconcludeerd dat [geïntimeerde] zich op een gegeven moment te dicht achter het paard heeft bevonden, immers op een zodanig korte afstand dat het paard haar heeft kunnen raken. Dit alles vond plaats op een nauwe en voor het paard vreemde plek - het paard was kennelijk wel eerder in deze manege geweest maar had niet eerder deze route gelopen - waarbij het paard, zoals [appellante sub 1] als getuige, onbetwist, heeft verklaard, al wat ongedurig was omdat [appellante sub 1] met het paard snel uit de eerste rijbaan moest vertrekken, en het ook in de gang onrustig was met name omdat een ander paard begon te schoppen in zijn stal. Ook [geïntimeerde] heeft als bekend met paarden in het algemeen en dit paard in het bijzonder zich kunnen realiseren dat dit een situatie was die enige nervositeit voor het paard kon veroorzaken. Uitgaande van de lezing van [geïntimeerde] heeft [geïntimeerde] dan ook naar het oordeel van het hof te impulsief gehandeld door op een gegeven

moment dicht achterlangs het paard te willen lopen om

[appellante sub 1] te helpen met het openen van een deur. Als zij hiermee de klapdeuren bedoelde bestond daartoe geen noodzaak aangezien de " flappen" van deze deuren vanzelf (bij opzij houden) uiteen weken, en als zij hiermee de schuifdeur bedoelde bestond daartoe ook geen noodzaak aangezien deze ofwel al open stonden, zoals [appellante sub 1] als getuige heeft verklaard, ofwel met één (linker)hand geopend konden worden met een links op deze deuren geplaatste handgreep. Deze handgreep op de schuifdeur is goed zichtbaar op de door [appellant] overgelegde diskettes, die twee filmpjes en vier foto's bevatten. [geïntimeerde] heeft de inhoud van deze producties onbesproken gelaten.

Het hof is mitsdien van oordeel dat aan [geïntimeerde] haar onvoorzichtige gedrag kan worden toegerekend, waarbij in het midden kan blijven of dat onvoorzichtige gedrag bestond uit het steeds al te dicht achter het paard lopen (nl. zo dicht dat het paard haar kon raken zoals het heeft gedaan), of uit het dicht langs het paard naar voren willen lopen (eveneens zo dicht dat het paard haar kon raken zoals het heeft gedaan).

4.6. Bij de beantwoording van de vraag in welke mate het gedrag van het paard - waarvoor [appellant] risicoaansprakelijkheid draagt - en het gedrag van [geïntimeerde] aan de schade van [geïntimeerde] hebben bijgedragen, neemt het hof in aanmerking dat enerzijds de risicoaansprakelijkheid berust op het onberekenbare gedrag van het paard, dat zich heeft verwezenlijkt, en dat anderzijds [geïntimeerde] wel degelijk onvoorzichtig is geweest.

Het hof stelt op basis van die afweging de mate van eigen schuld van [geïntimeerde] op 50%.

Naast deze omstandigheden zijn er geen andere omstandigheden gesteld of gebleken die tot een billijkheidscorrectie zouden moeten leiden. Dat [geïntimeerde] [appellante sub 1] behulpzaam wilde zijn, zoals [geïntimeerde] stelt maar [appellant] betwist, speelt naar het oordeel van het hof geen rol nu dat ongevraagd en zonder noodzaak gebeurde.

4.7. Dat brengt mee dat de grieven 1 en 3 slagen en

de grieven 2 en 4 geen afzonderlijke behandeling meer behoeven. Beide vonnissen zullen worden vernietigd en het hof zal opnieuw recht doen als na te melden.

De proceskosten zullen in beide instanties tussen partijen worden gecompenseerd, nu zij over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld.

5. Uitspraak

Het hof:

vernietigt de vonnissen van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 31 augustus 2001 en 2 oktober 2002, onder rolnr. 53188/HA ZA 00-1283 tussen partijen gewezen, en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen 50% van de door [geïntimeerde] als rechtstreeks gevolg van de trap van het paard geleden schade, nader op te maken bij schadestaat, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 februari 1996 tot de dag van voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in beide instanties tussen partijen in die zin, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs Feith, de Groot-van Dijken en Hendriks-Jansen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 9 maart 2004.