Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO6191

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-03-2004
Datum publicatie
24-03-2004
Zaaknummer
KG C0300589-HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Het hof stelt vast dat een voorziening strekkende tot betaling van een geldsom in kort geding slechts toewijsbaar is als het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn, terwijl uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MBR

rolnr. KG C0300589/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

tweede kamer, van 9 maart 2004,

gewezen in de zaak van:

1. de besloten vennootschap [APPELLANTE SUB 1],

2. de besloten vennootschap AMSTERDAMS VERF- EN HOUTCENTRUM B.V.,

3. de besloten vennootschap [APPELLANTE SUB 3],

alle gevestigd te [plaats], gemeente [gemeente],

4. de stichting [APPELLANTE SUB 4],

gevestigd te [plaats],

appellanten,

procureur: mr. P.J.A. van de Laar,

tegen :

[GEINTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. C.M.L. van Beukering-Michielsen,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 april 2003 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van rechtbank te

's-Hertogenbosch, onder rolnummer 91728/KG ZA 03-121 op 27 maart 2003 gewezen tussen appellanten (hierna tezamen aan te duiden als: de rechtspersonen) als gedaagden en geïntimeerde (hierna: [geïntimeerde]) als eiseres.

1. De procedure in eerste aanleg

Hiervoor verwijst het hof naar het beroepen vonnis.

2. De procedure in hoger beroep

Bij memorie van grieven hebben de rechtspersonen vier grieven tegen het vonnis aangevoerd en geconcludeerd tot hetgeen aan het slot van die memorie staat omschreven.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd tot hetgeen aan het slot van die memorie staat omschreven.

Hierna hebben partijen de gedingstukken voor arrest overgelegd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a) [geïntimeerde] is op 5 december 1972 gehuwd met [voormalig echtgenoot]. Het huwelijk is op 15 februari 1985 door echtscheiding ontbonden. Daarna hebben partijen samengewoond tot in 1995.

b) Bij beschikking van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 28 maart 1997 is onder meer bepaald dat [voormalig echtgenoot] met ingang van 1 augustus 1996 voor de periode dat [geïntimeerde] de woning aan de [adres] te [plaats] bewoont en de man een aantal in de beschikking genoemde lasten voldoet, aan [geïntimeerde] een alimentatie dient te betalen van ƒ 1.500,-- per maand en dat [voormalig echtgenoot] vanaf de dag dat de vrouw elders woont een alimentatie zal moeten betalen van ƒ 6.000,-- per maand.

Bij beschikking van 19 juni 1998 van dit gerechtshof is - kort gezegd en voor zover thans van belang - het bedrag van ƒ 1.500,-- per maand gewijzigd in ƒ 3.500,-- per maand.

c) [geïntimeerde] bewoont nog steeds de [adres] te [plaats].

d) [Voormalig echtgenoot] heeft een achterstand laten ontstaan in de voldoening van zijn alimentatieverplichtingen.

e) [voormalig echtgenoot] is directeur en enig aandeelhouder van appellanten sub 1 tot en met 3 en bestuurder van appellante sub 4.

f) Op 5 november 2002 heeft [geïntimeerde] onder deze rechtspersonen ten laste van [voormalig echtgenoot] executoriaal derdenbeslag laten leggen op al hetgeen zij aan [voormalig echtgenoot] verschuldigd zijn of worden.

g) Namens de rechtspersonen heeft [voormalig echtgenoot] op 16 december 2002 de in artikel 476a Rv bedoelde verklaring afgelegd, en daarin gesteld dat de rechtspersonen niets aan [voormalig echtgenoot] verschuldigd zijn.

4.2. In het onderhavige kort-geding vordert [geïntimeerde] na eiswijziging en voor zover in hoger beroep nog van belang:

1) hoofdelijke veroordeling van de rechtspersonen om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [geïntimeerde] € 29.957,01 te betalen terzake door [voormalig echtgenoot] aan [geïntimeerde] verschuldigde achterstallige alimentatie over de periode tot en met maart 2003;

2) de rechtspersonen te bevelen aan [voormalig echtgenoot] een zodanig salaris te betalen dat hij de aan [geïntimeerde] verschuldigde alimentatie daaruit kan voldoen, op straffe van een dwangsom van € 250,-- per dag;

een en ander met veroordeling van de rechtspersonen in de proceskosten.

4.3. De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen toegewezen onder toevoeging van een matigingsclausule aan de dwangsomsanctie en onder bepaling dat de dwangsomsanctie slechts zal gelden na betekening van het vonnis aan de rechtspersonen.

4.4. In hun eerste grief betogen de rechtspersonen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft aangenomen dat [geïntimeerde] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.

Het hof verwerpt deze grief. Uitgaande van de beschikking van het hof van 19 juni 1998 kan voorshands worden aangenomen dat [geïntimeerde] behoefte heeft aan de in die beschikking vastgestelde maandelijkse alimentatie. Indien betaling van deze bijdragen in haar levensonderhoud uitblijft, is daarmee in beginsel haar spoedeisende belang gegeven. De rechtspersonen kunnen ook niet worden gevolgd in hun stelling dat [geïntimeerde] "jaren heeft stilgezeten". Uit de gedingstukken is voorshands af te leiden dat [voormalig echtgenoot] pas met ingang van 2002 geen of vrijwel geen alimentatie meer heeft betaald.

4.5. In hun vierde grief betogen de rechtspersonen dat de voorzieningenrechter er volledig aan voorbij is gegaan dat [voormalig echtgenoot] niet in loondienst was bij de rechtspersonen en dat de rechtspersonen dus ook geen loon verschuldigd zijn aan [voormalig echtgenoot]. Voorts betogen de rechtspersonen dat zij niet in staat zijn om het gevorderde bedrag te voldoen.

[geïntimeerde] heeft hier tegen aangevoerd dat de rechtspersonen [voormalig echtgenoot] in 1996 nog in dienst hadden tegen een inkomen van € 160.405,86 terwijl niet duidelijk is waarom dat loon nu niet meer zou kunnen worden betaald. Voorts heeft [geïntimeerde] gesteld dat [voormalig echtgenoot] alle zeggenschap heeft in de rechtspersonen, en dat de vennootschappen slechts het gelegde executoriale derdenbeslag willen frustreren.

4.6. Uit rechtsoverweging 4.7 van de eerdergenoemde beschikking van de rechtbank van 28 maart 1997 leidt het hof af dat [voormalig echtgenoot] in 1995 van appellante sub 2, daar aangeduid als B&B Nederland, als directeur een bruto jaarloon van ƒ 294.091,-- heeft ontvangen en van appellante sub 3, daar aangeduid als DCT, als directeur een bruto jaarloon van ƒ 61.002,--. Deze inkomensgegevens hebben ook ten grondslag gelegen aan de door het hof in de beschikking van 19 juni 1998 vastgestelde alimentatie.

4.7. Het hof is van oordeel dat de rechtspersonen voorshands onvoldoende hebben onderbouwd waarom voor een dergelijke salarisbetaling door appellanten sub 2 en 3 thans geen termen meer aanwezig zouden zijn. [Voormalig echtgenoot] is immers nog steeds directeur van appellanten sub 2 en 3. Het hof neemt hier evenals de rechtbank bij in aanmerking dat [voormalig echtgenoot] de volledige zeggenschap heeft binnen appellanten sub 2 en 3.

De plicht tot betaling van alimentatie brengt voor [voormalig echtgenoot] in beginsel ook de plicht mee om geen afstand te doen van salarisaanspraken die voor betaling van die alimentatie nodig zijn. Indien appellanten 2 en 3 er desondanks op instigatie van [voormalig echtgenoot] toe overgaan om geen salarisbetalingen meer te doen aan [voormalig echtgenoot], kan dat onrechtmatig zijn jegens de alimentatiegerechtigde: [geintimeerde].

Ook hebben de rechtspersonen in ieder geval ten aanzien van appellanten sub 2 en 3 onvoldoende onderbouwd waarom deze twee rechtspersonen niet tot betaling van het eerder aan [voormalig echtgenoot] toekomende salaris, en derhalve het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag in staat zouden zijn. De in eerste aanleg overgelegde brief van administratiekantoor HAS, met als bijlage één pagina uit de afzonderlijke jaarstukken van appellanten sub 1 t/m 3, acht het hof evenals de rechtbank voorshands onvoldoende. De rechtspersonen hebben geen nadere stukken overgelegd om hun standpunt aannemelijk te maken. Hun aanbod tot nadere bewijslevering wordt door het hof terzijde gelaten nu een kort-geding zich in beginsel niet leent voor nader feitenonderzoek door middel van bewijslevering.

4.8. Het voorgaande betekent dat grief vier faalt, voor zover betrekking hebbende op appellanten sub 2 en 3.

Ten aanzien van appellanten sub 1 en 4 treft grief vier wel doel. Gesteld noch gebleken is dat [voormalig echtgenoot] jegens deze rechtspersonen ooit een loonaanspraak heeft gehad. Ook is niets gesteld omtrent de financiële situatie van deze rechtspersonen. Ten aanzien van deze rechtspersonen moet de vordering van [geïntimeerde] derhalve alsnog worden afgewezen. Het vonnis van de voorzieningenrechter zal op dit punt worden vernietigd.

4.9. De tweede grief strekt ten betoge dat de voorzieningenrechter een maximumbedrag had moeten bepalen, waarboven geen dwangsommen meer zouden worden verbeurd.

Het hof stelt vast dat de dwangsomveroordeling verbonden was aan het aan de rechtspersonen gegeven bevel om aan [voormalig echtgenoot] een zodanig salaris te betalen dat hij de aan [geïntimeerde] verschuldigde alimentatie daaruit zou kunnen voldoen. Nu grief vier deels gegrond is zal het hof dit bevel beperken tot appellanten sub 2 en 3. Dit brengt mee dat het hof ook de dwangsomveroordeling opnieuw zal formuleren. Het hof acht termen aanwezig om op de na te melden wijze een maximum te stellen aan het aan dwangsommen te verbeuren bedrag. Hieruit volgt dat grief twee doel treft.

4.10. Grief drie is ten slotte gericht tegen de door de voorzieningenrechter uitgesproken hoofdelijke veroordeling van de rechtspersonen om aan [geïntimeerde] € 29.957,01 te voldoen.

4.11. Het hof stelt vast dat een voorziening strekkende tot betaling van een geldsom in kort geding slechts toewijsbaar is als het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn, terwijl uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat.

4.12. Tegen deze achtergrond slaagt grief drie voor zover het appellanten sub 1 en 4 betreft. Op grond van hetgeen het hof hierboven in r.o. 4.6 tot en met 4.8 heeft overwogen kan voorshands niet in voldoende mate aannemelijk worden geacht dat de vordering van [geïntimeerde] jegens hen ook in een eventuele bodemprocedure, strekkende tot wijziging van de door appellanten gegeven verklaring als bedoeld in r.o. 4.1 sub f, toewijsbaar zou zijn. Ook op dit punt moet het vonnis van de voorzieningenrechter dus worden vernietigd.

4.13. Voor zover het appellanten sub 2 en 3 betreft faalt grief drie. Op grond van het overwogene in r.o. 4.6 tot en met 4.8 acht het hof, uitgaande van de in dit kort geding beschikbare (karige) gegevens, de vordering van [geïntimeerde] jegens appellanten sub 2 en 3 voldoende kansrijk om toewijzing in kort geding te rechtvaardigen. Het moet er voorshands voor worden gehouden dat deze appellanten onrechtmatig handelen jegens [geïntimeerde] door te verklaren dat zij niets aan [voormalig echtgenoot] schuldig zijn terwijl die verklaring in het licht van de eerdere omvangrijke salarisbetalingen niet deugdelijk is onderbouwd en onaannemelijk is. Bovendien geldt ook hier dat de plicht tot betaling van alimentatie voor [voormalig echtgenoot] ook de plicht meebrengt om geen afstand te doen van salarisaanspraken die voor betaling van die alimentatie nodig zijn. Indien appellanten 2 en 3 er desondanks op instigatie van [voormalig echtgenoot] toe zijn overgaan om geen salarisbetalingen meer te doen aan [voormalig echtgenoot], moet dat voorshands onrechtmatig worden geacht jegens [geïntimeerde].

4.14. Het hof zal het in het vonnis van de voorzieningenrechter vervatte proceskostenveroordeling vernietigen, voor zover daarbij appellanten sub 1 en 4 zijn veroordeeld in de aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen proceskosten van het geding in eerste aanleg. De door de voorzieningenrechter gegeven proceskostenveroordeling zal worden bekrachtigd, voor zover appellanten sub 2 en 3 daarbij zijn veroordeeld in de aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen proceskosten van het geding in eerste aanleg.

4.15. Het hof zal appellanten sub 2 en 3 veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde], op de voet van het bepaalde in artikel 243 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof.

4.16. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep aan de zijde van appellanten sub 1 en 4. Het hof begroot die kosten op nihil.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch, doch uitsluitend voor zover daarbij appellanten sub 2 en 3 zijn veroordeeld in de aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen proceskosten van het geding in eerste aanleg,

vernietigt het vonnis voor het overige, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt appellanten sub 2 en 3, ieder voor het geheel, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om binnen twee dagen na de betekening van dit arrest aan [geïntimeerde] te voldoen een bedrag van € 29.957,01 (zegge: negenentwintigduizend negenhonderd zevenenvijftig euro en 1 eurocent);

beveelt appellanten sub 2 en 3 om aan [voormalig echtgenoot] een zodanig salaris te betalen dat [voormalig echtgenoot] de aan [geïntimeerde] verschuldigde alimentatie daaruit kan voldoen;

veroordeelt appellanten sub 2 en 3 om aan [geïntimeerde] een dwangsom van € 250,-- te betalen voor iedere dag dat zij in strijd handelen met laatstgenoemd bevel, met dien verstande:

- dat deze dwangsomsanctie slechts zal gelden na betekening van het vonnis aan appellanten sub 2 en 3;

- dat boven een bedrag van € 100.000,-- geen dwangsommen meer worden verbeurd;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, voor zover gevallen aan de zijde van appellanten sub 1 en 4, en begroot die kosten op nihil;

veroordeelt appellanten sub 2 en 3 in de kosten van

het hoger beroep, voor zover gevallen aan de zijde

van [geïntimeerde], en begroot en die kosten op € 1.788,--, waarvan:

- € 186,-- betaald vast recht;

- € 604,-- in debet gesteld vast recht;

- € 998,-- aan salaris procureur inclusief de betaalde eigen bijdrage;

op de voet van artikel 243 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door de mrs. Rothuizen-Van Dijk, Sterk en Keizer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 9 maart 2004.