Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO6189

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-03-2004
Datum publicatie
24-03-2004
Zaaknummer
C0201105-MA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In deze procedure vordert [appellant] op de grond dat de elektrische installatie in de gekochte woning ondeugdelijk en onveilig is:

primair schadevergoeding ad ƒ 28.823,= incl. BTW wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst, met rente;

subsidiair verklaring voor recht dat de koopovereenkomst gedeeltelijk is ontbonden, zodanig dat de koopprijs wordt verminderd met ƒ 28.823,= incl. BTW, alsmede betaling van dat bedrag, met rente;

meer subsidiair wegens wederzijdse dwaling wijziging van de gevolgen van de koopovereenkomst zodanig dat de koopprijs wordt verminderd met ƒ 28.823,= incl. BTW, alsmede betaling van dat bedrag, met rente;

een en ander vermeerderd met een bedrag van ƒ 2.237,17 incl. BTW aan kosten onderzoek [naam B.V.], met rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MBR

rolnr. C0201105/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vijfde kamer, van 16 maart 2004,

gewezen in de zaak van:

1. [APPELLANT SUB 1]

en

2. [APPELLANTE SUB 2],

beiden wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

appellanten,

procureur: mr. T.P.M. Kouwenaar,

tegen:

[GEINTIMEERDE],

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde,

procureur: mr. P.C.M. van der Ven,

op het bij exploot van dagvaarding van 17 oktober 2002 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank te Maastricht tussen appellanten, in enkelvoud [appellant], als eisers en geïntimeerde, [geïntimeerde], als gedaagde onder rolnummer 66524/HA ZA 01-567 gewezen vonnis van 18 juli 2002.

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep, dat zich bij de processtukken bevindt.

2. Het geding in hoger beroep

Van dit vonnis is [appellant] tijdig in hoger beroep gekomen.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van de memorie van grieven nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

3. De grieven

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 Geen grieven zijn gericht tegen de feiten zoals in het beroepen vonnis onder 3.1 vastgesteld, zodat het hof hiervan ook in hoger beroep uitgaat.

4.2 Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende.

a) [Appellant] heeft voor ƒ 500.000,= van [geïntimeerde] diens woning aan de [adres] te [plaats] gekocht. De koop is neergelegd in een schriftelijke koopovereenkomst d.d. 20 maart 1997.

b) Deze koopovereenkomst bevat onder meer de volgende bepalingen:

"Artikel 5

1. De aflevering (feitelijke levering) van het verkochte aan koper zal geschieden in de staat waarin het zich bij het tot stand komen van deze overeenkomst bevindt met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, zichtbare en onzichtbare gebreken. (...)

2. Het registergoed zal bij de aflevering de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn. Verkoper zijn geen feiten of omstandigheden bekend die aan een normaal gebruik door koper, als te omschrijven in lid 6 van dit artikel, in de weg staan. Voor andere eigenschappen dan die voor een normaal gebruik nodig zijn, voor aan koper kenbare en/of bekende gebreken en voor aan verkoper niet bekende gebreken staat verkoper niet in.

(...)

6. Koper is voornemens het registergoed als volgt te gebruiken: als woonhuis met toebehoren voor zichzelf en zijn gezin. (...)

c) Op 31 juli 1997 is de woning aan [appellant] geleverd.

d) In de woning is door [geïntimeerde] bij de bouw ervan begin jaren '80 een niet-conventionele elektrische installatie aangelegd die is voorzien van een elektronisch gestuurd schakelsysteem.

e) Op 6 december 1998 is in deze installatie brand ontstaan. [Appellant] had er tot op dat moment geen noemenswaardige problemen mee gehad.

f) [Appellant] heeft in januari 1999 door [naam B.V.] offertes laten uitbrengen voor reparatie c.q aanpassing van de installatie (prod. 3 cve) en een onderzoek laten doen naar, kort gezegd, de oorzaak van de brand en naar eventuele gebreken in de installatie. Daarover [naam B.V.] op 21 januari 1999 aan [appellant] gerapporteerd (prod. 4 cve).

g) Op 19 mei 1999 heeft [appellant] [geïntimeerde] telefonisch over de brand ingelicht. Bij brief van 28 mei 1999 van zijn rechtsbijstandsverzekeraar heeft [appellant] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de ontstane schade. Daarbij werd onder verwijzing naar de offertes van [naam B.V.] aanspraak gemaakt op een bedrag van ƒ 24.221,= excl. BTW (ƒ 28.823,= incl. BTW).

h) [geïntimeerde] heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

i) In opdracht van [geïntimeerde] [naam andere B.V.] in een rapport d.d. 3 september 2001 (prod. 9 cva) commentaar geleverd op de rapportage van [naam B.V.].

4.3 In deze procedure vordert [appellant] op de grond dat de elektrische installatie in de gekochte woning ondeugdelijk en onveilig is:

primair schadevergoeding ad ƒ 28.823,= incl. BTW wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst, met rente;

subsidiair verklaring voor recht dat de koopovereenkomst gedeeltelijk is ontbonden, zodanig dat de koopprijs wordt verminderd met ƒ 28.823,= incl. BTW, alsmede betaling van dat bedrag, met rente;

meer subsidiair wegens wederzijdse dwaling wijziging van de gevolgen van de koopovereenkomst zodanig dat de koopprijs wordt verminderd met ƒ 28.823,= incl. BTW, alsmede betaling van dat bedrag, met rente;

een en ander vermeerderd met een bedrag van ƒ 2.237,17 incl. BTW aan kosten onderzoek [naam B.V.], met rente.

4.4 [geïntimeerde] heeft bestreden dat er ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst sprake was van een gebrekkige installatie en daarbij verwezen naar het rapport van [naam andere B.V.]. Volgens hem was de schakelinstallatie, voor zover nodig, door de gemeente [gemeente] goedgekeurd en voldeed deze aan de destijds geldende normen. Hij wijst erop dat hij de installatie 18 jaar lang zonder problemen heeft gebruikt en dat ook [appellant] er gedurende anderhalf jaar geen problemen mee heeft gehad. Volgens hem kan de brand zijn veroorzaakt door onoordeelkundig handelen door [appellant] zelf. Voorts beroept [geïntimeerde] zich op het bepaalde in artikel 7:23 BW; door eerst in mei 1999 te reageren heeft [appellant] niet binnen bekwame tijd na de ontdekking van de gestelde gebreken daarvan kennis gegeven.

4.5 De rechtbank heeft de primaire vordering afgewezen op grond van de laatste zin van artikel 5 lid 2 van de koopovereenkomst en op grond van artikel 7:23 BW voor zover [appellant] zijn vordering baseert op artikel 7:17 BW. Op dezelfde grond heeft de rechtbank de subsidiaire vordering afgewezen, terwijl voor toewijzing van de meer subsidiaire vordering naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende was gesteld.

4.6 Grief III richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep van [geïntimeerde] op artikel 7:23 BW doel treft. Volgens [appellant] wijkt de regeling die in artikel 5 lid 1 van de koopovereenkomst is opgenomen af van de wettelijke regeling van artikel 7:17 BW en is artikel 7:23 lid 1 BW niet van toepassing op de contractuele garantiebepaling die artikel 5 lid 2 van de koopovereenkomst inhoudt. Ook indien ervan uitgegaan zou moeten worden dat [appellant] de termijn van artikel 7:23 BW heeft overschreden, hetgeen volgens hem niet het geval is, brengt dat zijns inziens geen verval van zijn vorderingsrecht mee.

4.7 Het is het hof niet duidelijk wat [appellant] wil zeggen met zijn verwijzing naar artikel 5 lid 1 van de koopovereenkomst. Hierin is bepaald dat de woning aan de koper wordt overgedragen in de staat waarin deze zich bevindt bij het totstandkomen van de overeenkomst. Dat dit is gebeurd, is tussen partijen evenwel niet in geschil. Voor de kwestie die partijen verdeeld houdt, non-conformiteit vanwege de gestelde gebreken aan de elektrische installatie, is het bepaalde in artikel 5 lid 1 van de koopovereenkomst niet aan de orde.

4.8 Aan [appellant] kan worden toegegeven dat artikel 5 lid 2 van de koopovereenkomst een contractuele garantiebepaling inhoudt. Uit hetgeen [appellant] in dit verband naar voren heeft gebracht kan evenwel niet worden afgeleid dat deze contractuele garantiebepaling een andere strekking heeft dan artikel 7:17 BW. Wat daar ook van zij, ook op een contractuele garantiebepaling is artikel 7:23 lid 1 BW van toepassing. Uit niets blijkt dat partijen van dit artikellid zijn afgeweken.

4.9 Het bovenstaande brengt mee dat in dit geval artikel 7:23 lid 1 BW van toepassing is. De vraag is vervolgens of het beroep van [geïntimeerde] op deze bepaling slaagt. Zoals de rechtbank in het beroepen vonnis onder 3.5 heeft overwogen, staat vast dat [appellant] na de brand op

6 december 1998 en het rapport van [naam B.V.] in januari 1999 pas in mei 1999 is overgegaan tot het aansprakelijk stellen van [geïntimeerde]. Tegen deze vaststelling heeft [appellant] geen grief gericht. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat door het tijdsverloop tussen januari 1999 en half mei 1999 niet is voldaan aan het vereiste van bekwame tijd, dat door artikel 7:23 lid 1 BW aan de kennisgeving van de koper wordt gesteld. [Appellant] stelt dat deze termijn niet is overschreden, maar onderbouwt deze stelling op geen enkele wijze.

4.10 Een en ander leidt tot de slotsom dat [appellant] niet binnen bekwame tijd na de ontdekking van de gestelde gebreken [geïntimeerde] daarvan op de hoogte heeft gesteld, zodat grief III dient te worden verworpen. De consequentie hiervan is dat aan [appellant] geen beroep op non-conformiteit toekomt, zodat zijn vorderingen, die alle zijn gebaseerd op non-conformiteit, niet voor toewijzing in aanmerking komen. Dit geldt niet alleen voor de primaire en subsidiaire vorderingen, maar ook voor de meer subsidiaire vordering waaraan wederzijdse dwaling ten grondslag is gelegd. Het beroep op dwaling hangt samen met de stelling van [appellant] dat de woning niet aan de overeenkomst beantwoordt. Dit leidt tot het oordeel dat het niet voldoen aan de klachtplicht van artikel 7:23 lid 1 BW ook aan een beroep op dwaling in de weg staat.

4.11 Nu de vorderingen van [appellant] hierop stranden, behoeven zijn overige grieven geen behandeling meer.

Het bewijsaanbod in de toelichting op de vijfde grief zal als niet terzake dienend worden gepasseerd. Het hof komt tot hetzelfde resultaat als de rechtbank zodat het beroepen vonnis bekrachtigd dient te worden. [appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van het hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 340,= aan verschotten en op € 771,= aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Kranenburg, Meulenbroek en Venhuizen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 16 maart 2004.